Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8361

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
815351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak; buitengewone omstandigheid; technisch mankement bij voorafgaande vlucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

kanton Eindhoven

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Meppel,

verzoeker,

procederend in persoon,

t e g e n :

de buitenlandse vennootschap Ryanair Ltd,

gevestigd te Dublin, Ireland,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. R. van Benthum.

Partijen zullen hierna worden genoemd "[verzoeker]" en "Ryanair".

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

a. het tussenvonnis van 7 juni 2012 van de kantonrechter te Eindhoven;

b. het verweerschrift, met producties;

c. de 'conclusie van repliek', met producties;

d. de 'conclusie van dupliek'.

2. De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. [verzoeker] had een vlucht geboekt voor 30 april 2011 met vlucht FR 5268 van Sevilla Airport, Spanje, naar Eindhoven Airport te Eindhoven Nederland. De vlucht zou om 06.35 uur vertrekken in Sevilla en om 09.40 uur aankomen in Eindhoven.

b. De vlucht van [verzoeker] is uiteindelijk om 11.20 uur vertrokken en om 13.49 uur aangekomen in Eindhoven. De vlucht heeft een vertraging opgelopen van 4 uur en 9 minuten. De afstand van de vlucht bedroeg 1.797 kilometer.

c. De vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een storing aan de "interlock valve pressure switch" van het vliegtuig bij de voorafgaande vlucht die op 29 april 2011 om 19.45 uur is aangekomen in Sevilla.

d. [verzoeker] heeft bij email van 18 mei 2011 compensatie van Ryanair gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van in totaal € 800,00.

e. Ryanair heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] vordert betaling van een bedrag van € 800,00, te vermeerderen met (proces)kosten. Hij legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag.

Op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening), in combinatie met het Sturgeon-arrest heeft [verzoeker] recht op financiële compensatie van € 400,00 per passagier, zijnde € 800,00 in totaal voor hem en zijn echtgenote [naam echtgenote]. Ryanair weigert [verzoeker] financieel te compenseren, zodat hij zich genoodzaakt zag onderhavige procedure te starten. De daarmee gepaard gaande kosten van € 200,00 dient Ryanair te vergoeden.

3.2. Ryanair voert het volgende verweer. [verzoeker] heeft enkel een procedure voor zichzelf gestart, niet voor [naam echtgenote]; zij is geen partij in deze zaak. Voorts betwist Ryanair tot betaling te zijn gehouden van de gevorderde vergoeding. Daartoe heeft zij aangevoerd dat, kort samengevat, er weliswaar sprake is van vertraging, maar dat er geen aanspraak bestaat op de betreffende compensatie. Tevens is zij van mening dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJ EU).

Ryanair voert voorts aan dat de vlucht werd vertraagd als gevolg van een buitengewone omstandigheid. Deze werd veroorzaakt doordat de voorgaande vlucht een technische storing had. Om de vliegveiligheid niet in gevaar te brengen, moest het mankement eerst worden verholpen. Het mankement kan niet worden gezien als een standaard mankement. Ryanair heeft voorts alle redelijke maatregelen genomen om vertraging te voorkomen. Er is dan ook sprake van een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. De vordering van [verzoeker] dient te worden afgewezen met veroordeling van [verzoeker] in de proces- en nakosten van Ryanair.

4. De verdere beoordeling

4.1. De kantonrechter heeft de zaak overgenomen van de aanvankelijk behandelend kantonrechter. De thans behandelend kantonrechter blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen.

4.2. De Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna EPGV) is, zakelijk weergegeven, in grensoverschrijdende gevallen van toepassing in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 2.000,00, en zowel verzoeker als verweerder in een lidstaat wonen waarvoor de EPGV geldt (artikel 2 lid 3 EPGV), een en ander behoudens de in artikel 2 lid 2 van de EPGV genoemde uitzonderingen.

4.3. De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de EPGV valt, nu [verzoeker] in Nederland woont en Ryanair in Ierland gevestigd is, waarbij beide landen lidstaten zijn waarvoor de Verordening geldt.

4.4. Voorts is de kantonrechter bevoegd van de vordering kennis te nemen op grond van artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje Verordening EG/44/2001. Zie ook LJN: BJ2979, Hof van Justitie van de EG/EU, 09-07-2009, C-204/08 (Rehder-arrest), waarin is bepaald dat dat artikel zó moet worden uitgelegd dat in het geval van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat op grond van een overeenkomst die is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot compensatie gebaseerd op die vervoerovereenkomst en Verordening EG (261/2004), naar keuze van eiser het gerecht is in het rechtsgebied waarvan zich de plaats van vertrek of de plaats van aankomst van het vliegtuig bevindt, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen.

Gelet op de overeengekomen plaats van aankomst is de kantonrechter te Eindhoven de relatief bevoegde rechter.

4.5. Ryanair heeft primair aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering nu hij niet zijn volledige voornamen heeft vermeld.

De kantonrechter overweegt dat zowel op grond van de EPGV als op grond van artikel 278 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de voornamen van de verzoekende partij voluit dienen te worden vermeld. Hoewel [verzoeker] hieraan niet heeft voldaan, heeft Ryanair uit de bij het verzoekschrift gevoegde producties in voldoende mate af kunnen leiden wie [verzoeker] is. [verzoeker] is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

4.6. Dit ligt echter anders voor zover [verzoeker] tevens een vordering voor zijn echtgenote, mw. [naam echtgenote], heeft beoogd in te stellen. Het verzoekschrift, als door [verzoeker] ingevuld, vermeldt onder punt 2, laatste zin boven het kader: "Indien er meer dan één eiser is, gelieve een extra blad te gebruiken". Voorts vereist artikel 278 Rv dat de voornamen, de naam en de woonplaats van de verzoekende partij(en) worden vermeld in het verzoekschrift. De ratio hiervan is dat de verwerende partij, in dit geval Ryanair, weet wie tegen haar procedeert, zodat zij haar verweer hiernaar kan inrichten. Nu het verzoekschrift geen enkele expliciete melding maakt van [naam echtgenote] als procespartij, kan zij ook niet als zodanig worden aangemerkt. Dat haar naam in de producties staat, maakt het voorgaande niet anders. Het vermelden van de naam [naam echtgenote] in de conclusie van repliek is tardief, de procespartij(en) dien(t)(en) immers bij het verzoekschrift bekend te worden gemaakt. Omdat uitsluitend [verzoeker] als procespartij optreedt, is hij niet ontvankelijk in het onderdeel van zijn vordering dat op [naam echtgenote] betrekking heeft.

4.7. In deze zaak ligt voor de vraag of [verzoeker] aanspraak kan maken op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie in het geval de vlucht langdurig is vertraagd. Artikel 6 van de Verordening regelt compensatie, bestaande in verzorging, voor door vertraging ontstane ongemakken. Artikel 5, juncto artikel 7 van de Verordening regelt een gestandaardiseerde compensatie in geval van annulering van een vlucht. Van een annulering is in de onderhavige zaak geen sprake.

4.8. Ryanair voert aan dat het HvJ EU in de Sturgeon-uitspraak (hierna Sturgeon) een onjuiste en te ruime uitleg heeft gegeven van de Verordening. Het HvJ EU heeft, aldus Ryanair, ten onrechte overwogen dat de passagiers van wie de vlucht meer dan drie uur is vertraagd recht hebben op compensatie als bedoeld in art. 7 van de Verordening.

Forfaitaire regeling volgens Sturgeon in strijd met het Verdrag van Montreal

4.9 Sturgeon is, aldus Ryanair, in strijd met het Verdrag van Montreal. Het Verdrag van Montreal, dat exclusieve werking heeft, bepaalt immers dat een vordering tot schadevergoeding uitsluitend kan worden toegewezen indien deze betrekking heeft op herstel van de geleden schade. In de uitleg die het HvJEU geeft in de Sturgeon-uitspraak is sprake van een daarmee strijdige forfaitaire regeling.

4.10. Met Ryanair is de kantonrechter van oordeel dat art. 29 van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vergoedingsplicht van de vervoerder is beperkt tot vergoeding van geleden schade. Anders dan Ryanair, acht de kantonrechter de thans gevorderde vergoeding niet in strijd met het Verdrag van Montreal, aangezien ook geleden tijdverlies, zoals het HvJ EU in de Sturgeon-uitspraak heeft overwogen, kan worden aangemerkt als schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De enkele omstandigheid dat de maatstaf voor begroting van de geleden schade is geobjectiveerd, brengt niet mee dat sprake is van een met het Verdrag van Montreal strijdige schadevergoeding.

Overigens heeft het HvJEU in zijn uitspraak d.d. 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson - Lufthansa) en C-629/10 (TUI c.s. - Civil Aviation Authority), hierna te noemen: de Nelson-uitspraak, in de overwegingen 56-58 bevestigd, dat de bij de Verordening opgelegde plicht tot compensatie van passagiers van een vlucht met langdurige vertraging verenigbaar is met artikel 29 van het Verdrag van Montreal. De kantonrechter verwerpt derhalve dit verweer van Ryanair.

Uitleg van Sturgeon in strijd met de bewoordingen van de Verordening en bedoeling van de uniewetgever

4.11. Ryanair heeft in een goed gemotiveerd verweerschrift gesteld dat de door het HvJ EU gegeven uitleg in Sturgeon in strijd is met de duidelijke bewoordingen van de Verordening en de bedoeling van de uniewetgever. Dat klemt, aldus Ryanair, temeer omdat eerder in het zogenaamde IATA-arrest nog was overwogen dat art. 5 en 6 van de Verordening niet voor meer dan één uitleg vatbaar zijn. In de kern komt het betoog van Ryanair op het volgende neer:

In de Verordening is uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds annuleringen (en instapweigeringen) en anderzijds (langdurige) vertragingen. Art. 5 in verbinding met art. 7 regelt het recht op schadevergoeding als gevolg van een geannuleerde vlucht en art. 6 regelt compensatie, bestaande uit verzorging, voor door vertraging ontstane ongemakken. Deze qua bewoordingen eenduidige regeling strookt ook met de bedoeling van de uniewetgever, aldus Ryanair. Voorts stelt Ryanair dat de door het HvJ EU voorgestane uitleg leidt tot rechtsonzekerheid en tot een disproportionele zware financiële last voor de luchtvaartmaatschappijen met als gevolg ticketprijsverhogingen voor passagiers.

4.12. Hoewel de kantonrechter Ryanair kan volgen in haar duidelijk en redengevend betoog, neemt dat niet weg dat het HvJ EU in Sturgeon, kennelijk op basis van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder het belang en de rechtspositie van een passagier op een lang vertraagde vlucht wiens belang het HvJ EU qua rechtspositie gelijk wenst te stellen met het belang van een passagier wiens vlucht is geannuleerd, is gekomen tot een ruimere interpretatie van de regeling van art. 5, 6 en 7 van de Verordening dan uit de bewoordingen daarvan blijkt en dan Ryanair voorstaat. Deze consistente lijn ten aanzien van de consumentenbescherming in het algemeen is door het HvJ EU bevestigd in zijn eerdergenoemde Nelson-uitspraak.

De nationale rechter is gebonden aan die eenduidige uitleg van het unierecht door het HvJ EU.

Dit leidt in de onderhavige zaak tot de conclusie dat de Sturgeon- en Nelson-uitspraken als geldend recht dienen te worden beschouwd, met als gevolg dat ook bij vertraging aanspraak op financiële compensatie kan bestaan en dat er geen aanleiding is tot het stellen van prejudiciële vragen of tot aanhouding.

4.13. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoeker] in beginsel recht heeft op schadevergoeding op grond van art. 7 van de Verordening.

Beroep van de vervoerder op art. 5 lid 3 van de Verordening

4.14. Voorts beroept Ryanair zich op artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zij stelt dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Bij de landing van de voorafgaande vlucht in Sevilla op 29 april 2011 om 19.45 uur brandde een waarschuwingslampje. In eerste instantie leek het om een eenvoudig op te lossen probleem te gaan. Na uitvoerig onderzoek bleek echter sprake te zijn van een ongebruikelijke storing aan de "interlock valve pressure switch". Ryanair heeft onmiddellijk naar een adequate oplossing gezocht. De enige oplossing was het laten overkomen van een reserveonderdeel en een boordwerktuigkundige uit Londen. Het was niet mogelijk om vanuit Londen eerder dan op 30 april 2011 om 8.20 uur in Sevilla te landen en inmiddels had Ryanair besloten de onderhavige vlucht FR 5268 te laten uitvoeren door het uit Londen overgekomen vliegtuig in plaats van door het kapotte vliegtuig; daarmee werd de vertraging zoveel mogelijk bekort. Hiermee heeft Ryanair alle maatregelen genomen die zij kon nemen en die redelijkerwijs van haar te vergen waren.

[verzoeker] heeft betwist dat sprake is van buitengewone omstandigheden. Daartoe voert hij aan dat een technisch mankement niet mag doorwerken op daaropvolgende vluchten en dat Ryanair een zekere reservetijd dient in te bouwen tussen de vluchten om eventuele buitengewone omstandigheden op te vangen.

4.15. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.15.1. Vast is komen te staan dat het vliegtuig dat de vlucht van [verzoeker] zou uitvoeren in de voorafgaande vlucht een technisch mankement heeft opgelopen. Het verhelpen daarvan heeft een vertraging van 4 uur en 9 minuten van de vlucht van [verzoeker] tot gevolg gehad.

4.15.2. In de considerans van de Verordening heeft de uniewetgever erop gewezen dat buitengewone omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen , beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen.

4.15.3. Niet alle buitengewone omstandigheden geven aanleiding tot vrijstelling van de compensatieverplichting. De luchtvaartmaatschappij moet stellen en zonodig aantonen dat deze omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden voldoen aan voor de luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden.1 Het moet gaan om omstandigheden waarop de luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

4.15.4. Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn uitspraak in de zaak "Wallentin"2 de buitengewone omstandigheid "onverwachte vliegveiligheidsproblemen" -waarop Ryanair zich thans beroept- nader ingevuld. Het Hof heeft geoordeeld dat technische mankementen kunnen worden beschouwd als onverwachte vliegveiligheidsproblemen. Volgens het Hof kunnen de omstandigheden die een dergelijk voorval vergezellen echter alleen dan als uitzonderlijk in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening worden aangemerkt, wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij hierop geen invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van de gebeurtenis.

4.15.5. Het Hof heeft in de overwegingen 24 en 25 van laatstgenoemde uitspraak3 uiteengezet welke technische problemen inherent zijn aan de normale uitvoering van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. Het gaat om technische problemen die worden vastgesteld tijdens het onderhoud van vliegtuigen of die het gevolg zijn van onvolkomenheden bij een dergelijk onderhoud. Deze technische mankementen vormen dus geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

Het Hof heeft niet uiteengezet welke technische problemen "niet inherent" zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en op welke technische problemen de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Naar het oordeel van de kantonrecher kan niet (a contrario) uit overweging 25 worden afgeleid dat problemen die niet tijdens het onderhoud worden vastgesteld of niet het gevolg zijn van onvolkomenheden bij een dergelijk onderhoud in alle gevallen een buitengewone omstandigheid vormen. Het Hof heeft in overweging 26 slechts aangegeven dat "evenwel niet kan worden uitgesloten dat technische problemen uitzonderlijke omstandigheden vormen" en het Hof heeft voorbeelden gegeven van wanneer dit het geval zou kunnen zijn, namelijk wanneer sprake is van verborgen fabricagefouten of vliegtuigen die werden beschadigd door sabotage of terrorisme.

4.15.6. Gelet op (a) de tekst van overweging 26 van de Wallentin-uitspraak (-"kan niet worden uitgesloten"-), (b) de aard van de door het Hof gegeven voorbeelden (het Hof noemt slechts van buiten komende oorzaken) in samenhang met (c) de doelstelling van de Verordening, te weten een hoog niveau van consumentenbescherming, oordeelt de kantonrechter dat in zijn algemeenheid een technisch mankement of een indicatie daarvan in beginsel moet worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en dus geen buitengewone omstandigheid oplevert. Dat geldt ook voor het technische mankement zoals zich dat op de vlucht van 29 april 2011 naar Sevilla heeft voorgedaan. Om die reden wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag of Ryanair het onderhavige technische mankement had kunnen voorkomen.

4.15.7. Nu geen sprake is van een buitengewone omstandigheid, wordt evenmin toegekomen aan een beoordeling van de vraag of Ryanair alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de als gevolg van een buitengewone omstandigheid opgetreden vertraging te voorkomen.

Overigens merkt de kantonrechter in dat verband nog het volgende op. Zowel bij antwoord als bij dupliek heeft Ryanair gesteld, dat het vervangende vliegtuig waarmee vlucht FR 5268 werd uitgevoerd, niet eerder dan op 30 april 2011 om 8.20 uur in Sevilla kon landen. Waar door [verzoeker] onweersproken is gesteld dat het vliegtuig niet eerder dan om 11.20 uur uit Sevilla is vertrokken, had het op de weg van Ryanair gelegen een verklaring te geven voor het feit dat het dus nog drie uur heeft geduurd voordat het vliegtuig weer gereed was voor vertrek terwijl in het algemeen (bij vluchten binnen de Europese Unie) een tijdsbestek van maximaal een uur daarvoor voldoende is. Ryanair heeft een dergelijke verklaring echter niet gegeven.

4.16. Gelet op het voorgaande wordt het beroep van Ryanair op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening verworpen. De vordering van [verzoeker] zal worden toegewezen, met dien verstande dat een bedrag van € 400,00, gerelateerd aan de afstand van de vlucht, zal worden toegewezen.

4.17. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen, overeenkomstig het toepasselijke tarief, worden toegewezen tot een bedrag van € 75,00. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde producties blijkt dat, voordat werd overgegaan tot het aanhangig maken van de onderhavige gerechtelijke procedure, meermalen tussen partijen inhoudelijk is gecorrespondeerd over de vordering en die correspondentie meer heeft omvat dan een enkele (herhaalde) aanmaning. Daarom kunnen die werkzaamheden niet geacht worden te zijn begrepen in de toe te wijzen proceskosten.

4.18. Ryanair wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Ryanair om aan [verzoeker] te betalen de som van € 475,00;

veroordeelt Ryanair in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot heden vastgesteld op € 73,00 aan griffierecht;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter te Eindhoven, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2013.

1 Aldus het HvJ EU in de zogeheten "Air Baltic"-uitspraak (HvJEU 12 mei 2011, zaak C-294/10 inz. Eglitis en Ratnieks, LJN BQ5460)

2 HvJEG 22 december 2008, C-549/07

3 op de inhoud waarvan het Hof in de latere Sturgeon- en Nelson-uitspraken niet is teruggekomen