Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ7240

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
249560 / HA ZA 12-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering uit onrechtmatige daad van vrouw tegen haar ex-man. De feiten die de vrouw aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zijn onvoldoende om daaruit de conclusie te treken dat haar ex-man enkel met haar in het het huwelijk trad om een verblijfsvergunning te bemachtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/249560 / HA ZA 12-611

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. G. Tajjiou te Brunssum,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.E. van Vugt te ’s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 oktober 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] en woont al jaren in Nederland. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit. De [gedaagde] is geboren op [geboortedatum] en heeft de Chinese nationaliteit.

2.2. Tijdens een vakantie van [eiseres] in China in 2004 heeft zij de [gedaagde] leren kennen. Op 29 maart 2004 zijn zij in China getrouwd.

2.3. De machtiging tot voorlopige verblijf (hierna: MVV) voor de [gedaagde] is aanvankelijk door de Nederlandse Visadienst bij beschikking van 6 augustus 2004 geweigerd (productie 1 bij de akte van 16 januari 2013 van [eiseres]). [eiseres] heeft zich bij de Visadienst over deze beslissing beklaagd. Deze klacht heeft ertoe geleid dat de machtiging tot voorlopig verblijf van de [gedaagde] alsnog is verleend (productie 2 bij de akte van 16 januari 2013 van [eiseres]).

2.4. Op 12 april 2005 is aan de [gedaagde] een verblijfsvergunning regulier verleend met als doel ‘verblijf bij echtgenote, [eiseres]’ (productie 2 zijdens [eiseres]). Op 18 mei 2005 is de [gedaagde] in Nederland gearriveerd en daarna is hij bij de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) ingeschreven op het woonadres van [eiseres] in [woonplaats].

2.5. Twee dagen na zijn aankomst in Nederland is de [gedaagde] gaan werken in en verblijven boven het Chinees restaurant in [vestigingsplaats] dat geëxploiteerd wordt door de broer van [eiseres]. [eiseres] bleef in [woonplaats] wonen. In de vakanties bezocht [eiseres] in [woonplaats] de [gedaagde]. Ook heeft de [gedaagde] in [woonplaats] [eiseres] bezocht.

2.6. In de eerste helft van 2008 heeft de [gedaagde] zijn werk en verblijfplaats in [woonplaats] verlaten. Hij heeft vervolgens nieuw werk gevonden in [woonplaats].

2.7. Op 9 maart 2009 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van [eiseres] de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 20 oktober 2009.

2.8. Ondanks een daartegen door [eiseres] gemaakt bezwaar is in 2009 aan de [gedaagde] een zelfstandige verblijfsvergunning regulier in het kader van ‘voortgezet verblijf’ verstrekt.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van de [gedaagde] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 45.000,00, vermeerderd met een bedrag voor de noodzakelijke verschotten.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag.

3.2.1. De [gedaagde] is enkel met haar het huwelijk aangegaan om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor Nederland. Hiermee heeft de [gedaagde] onrechtmatig gehandeld tegenover [eiseres], nu zij er van uitging dat er van de zijde van de [gedaagde] sprake was van een affectieve relatie. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

1. [eiseres] is een invalide en gehandicapte jonge vrouw, terwijl de [gedaagde] een gezonde jongeman is,

2. De [gedaagde] was afkomstig uit een arme familie in China en kon in Nederland in financiële zin een goed leven leiden,

3. De [gedaagde] heeft slechts twee dagen met [eiseres] samengewoond in [woonplaats] en is toen in [woonplaats] gaan wonen en werken,

4. De [gedaagde] wilde geen kinderen met [eiseres] terwijl hij is hertrouwd en uit dat huwelijk wel kinderen zijn geboren,

5. De [gedaagde] heeft zijn vertrek zorgvuldig voorbereid, hij had onder meer van tevoren al woonruimte geregeld,

6. De [gedaagde] is zonder enige aankondiging aan [eiseres] vertrokken, precies op het moment dat hij in aanmerking zou komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning,

7. De [gedaagde] was vervolgens onvindbaar en heeft geen enkele moeite genomen om de echtscheiding te regelen of het huwelijk anderszins af te wikkelen.

3.2.2. Het aangaan van een (schijn)huwelijk met het enkele oogmerk om een verblijfsvergunning in Nederland te verkrijgen is strafbaar; er is dan sprake van oplichting en valsheid in geschrifte. Tevens heeft de [gedaagde] hierdoor inbreuk gemaakt op het recht op een gezinsleven van [eiseres] in de zin van artikel 8 en 12 van het EVRM. Bovendien is de handelwijze van de [gedaagde] in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is.

3.2.3. Door het handelen van de [gedaagde] heeft [eiseres] schade geleden. Zij vordert een bedrag van € 20.000,00 aan materiële schadevergoeding, te weten voor de bruiloftskosten en de reiskosten voor het huwelijk, alsmede voor de kosten van levensonderhoud tijdens het huwelijk, nu er geen sprake is geweest van een rechtsgeldig (materieel) huwelijk. Daarnaast vordert [eiseres] aan immateriële schadevergoeding een bedrag van € 25.000,00. De [gedaagde] heeft een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijkheidsrecht en haar verdere kansen op de huwelijksmarkt zijn aantoonbaar geschaad. Ook heeft zij ernstig psychische letsel overgehouden aan het gebeuren, onder andere resulterend in een poging tot suïcide, zo stelt [eiseres].

3.3. De [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met haar veroordeling in de kosten van deze procedure. Hij heeft daartoe - onder meer - aangevoerd dat er wel degelijk sprake was van een affectieve relatie met [eiseres] en dat het huwelijk tussen partijen de eerste maanden na aankomst in Nederland goed was. Na ongeveer een half jaar veranderde de houding van [eiseres]; de [gedaagde] kreeg het gevoel dat [eiseres] op hem neerkeek en hij niet langer goed genoeg voor haar was. Ook moest hij twaalf uur per dag gedurende zes dagen in de week in het restaurant van de broer van [eiseres] te werken. [eiseres] eigende zich gedurende de tijd de [gedaagde] daar werkte het door hem verdiende salaris toe en hij kreeg daarvan maar een klein deel. Verder hield de familie van [eiseres] zijn post achter. In april 2008 heeft de broer van [eiseres] aan de [gedaagde] duidelijk gemaakt dat hij nog tot april 2010 op dezelfde voorwaarden in het restaurant moest blijven werken. De [gedaagde] diende daarvoor te tekenen. Hij wilde daar niet mee instemmen en is vervolgens vertrokken. Het is dan ook de opstelling van [eiseres] en haar familie die ervoor heeft gezorgd dat het huwelijk is gestrand. Daarvoor was sprake van een regulier huwelijk. De [gedaagde] betwist dan ook dat hij met [eiseres] het huwelijk is aangegaan met het enkele oogmerk om een verblijfsvergunning te krijgen. Ten slotte betwist de [gedaagde] subsidiair en gemotiveerd het causaal verband, de relativiteit van de door [eiseres] gestelde normen en de (hoogte van de) gestelde schade.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van [eiseres] heeft als grondslag onrechtmatige daad. Het feitencomplex waarop deze vordering rust heeft zich deels in China afgespeeld; het huwelijk tussen partijen is immers gesloten in China. Mede gelet op het feit dat de [gedaagde] de Chinese nationaliteit heeft, draagt de vordering van [eiseres] dus een internationaal karakter. Beide partijen hebben ter comparitie uitdrukkelijk gekozen voor Nederlands recht. Op de voet van artikel 14 lid 1 sub a van de Rome-II verordening jo. 10:159 BW zal de rechtbank dan ook Nederlands recht toepassen bij de verdere beoordeling.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat een huwelijkspartner onrechtmatig zou kunnen handelen tegenover de andere huwelijkspartner in geval vast zou komen te staan dat deze het huwelijk - buiten medeweten van die ander - is aangegaan met het enkele oogmerk om een verblijfvergunning voor Nederland te verkrijgen. De door [eiseres] in deze zaak gestelde feiten (zoals weergegeven onder 3.2.1 sub 1 t/m 7) zijn echter onvoldoende voor het vaststellen van een dergelijk oogmerk bij de [gedaagde]. Bovendien passen deze feiten evengoed in het door de [gedaagde] gestelde scenario van de buitenlandse echtgenoot die, na van zijn Nederlandse echtgenote afhankelijk te zijn geweest voor zijn verblijfsvergunning, na enkele jaren huwelijk ontsnapt uit de door hem gestelde situatie van - kort gezegd - uitbuiting.

4.3. De nog ter comparitie door de raadsman van [eiseres] gestelde motivering voor de afwijzing van de MVV door de Visadienst als bijkomende omstandigheid maakt het bovenstaande niet anders. In deze afwijzing staat vermeld dat deze is gegrond op het feit dat [eiseres] tegen een medewerker van het consulaat in Shanghai zou hebben verklaard dat de [gedaagde] een bedrag van € 2.000,00 betaald heeft om met haar in het huwelijk te treden en dat haar broer al meerdere huwelijken voor haar heeft gearrangeerd. [eiseres] heeft ter comparitie echter verklaard dat zij dit destijds niet heeft gezegd en ook de [gedaagde] is deze verklaring onbekend. De feitelijke grondslag is in dit geding dan ook aan deze stelling komen te ontvallen, waarbij de rechtbank ten overvloede opmerkt dat als dit al als vaststaand zou moeten worden aangenomen, ook [eiseres] er van op de hoogte was dat het hier ging om een gearrangeerd huwelijk, zodat van onrechtmatigheid op de door haar gestelde grondslag geen sprake meer kan zijn.

4.4. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. Gelet op het feit dat partijen gehuwd zijn geweest zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.