Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ7186

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
246869 / HA ZA 12-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting:

Incident tussenkomst. In de hoofdzaak vordert een woningstichting schadevergoeding van haar voormalige bestuurder en toezichthouders. De woningstichting heeft conservatoir beslag gelegd op de rechten van deze bestuurder en toezichthouders uit een ten behoeve van hen gesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Deze verzekeraar vraagt toestemming om te mogen tussenkomen. Zij wil zich niet bemoeien met de hoofdzaak maar wil opheffing van het beslag vorderen. In beginsel biedt art. 217 Rv hiervoor geen ruimte. Omdat een aantal van de gedaagde toezichthouders echter inmiddels een provisionele vordering hebben ingediend tot opheffing van het beslag op de verzekerde som, is thans sprake van een situatie waarin de verzekeraar belang heeft bij de uitkomst van het geding als bedoeld in art. 217 Rv. De verzekeraar mag tussenkomen voor zover het betreft de provisionele vordering tot opheffing van het beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/324

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/246869 / HA ZA 12-433

Vonnis in incident (tussenkomst) van 17 april 2013

in de zaak van

de stichting

WONINGSTICHTING SERVATIUS,

gevestigd te Maastricht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. V.H. Affourtit te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats],

7. [gedaagde 7],

wonende te [woonplaats],

8. [gedaagde 8],

wonende te [woonplaats],

9. [gedaagde 9],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident tot tussenkomst,

advocaat mr. J.P. Hellinga te Rotterdam (voor gedaagden sub 1 en 9),

advocaat mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag (voor gedaagden sub 2 t/m 8)

en

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.F. Garvelink te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna worden aangeduid met “Servatius”. Gedaagden in de hoofdzaak zullen gezamenlijk worden aangeduid als “[gedaagden].”. Gedaagden in de hoofdzaak sub 2 t/m 8 zullen “[gedaagdeden 2 t/m 8].”worden genoemd. Eiseres in het incident zal “Achmea” worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de rolbeslissing van 30 januari 2013 (gs.14).

1.2. Ter zitting van 25 maart 2013 hebben partijen aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities hun standpunten in het incident tot tussenkomst nader toegelicht, waarna vonnis is bepaald in het incident.

1.3. Op 27 maart 2013 hebben [gedaagdeden 2 t/m 8]. een incidentele vordering ex art. 223 Rv ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening (opheffing beslag).

2. Het incident tot tussenkomst

2.1. In de hoofdzaak vordert Servatius van haar voormalige bestuurder en haar voormalige toezichthouders, [gedaagden]., een schadevergoeding van bijna 67 miljoen euro op basis van artt. 2:9 en 6:162 BW. Voordat Servatius tot dagvaarding van [gedaagden]. is overgegaan heeft zij in juli 2011 conservatoir beslag gelegd op de rechten van [gedaagden]. uit de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering die Servatius had gesloten met Achmea ten behoeve van haar bestuurder en toezichthouders. Het beslag rust op de verzekerde som van in totaal 2,5 miljoen euro, die niet alleen dekking biedt voor te betalen schadevergoeding, maar ook voor de kosten van juridische bijstand.

2.2. Achmea vordert in het incident dat zij wordt toegelaten als tussenkomende partij in het geding tussen Servatius en [gedaagden]., met veroordeling van Servatius in de kosten van het incident. Achmea wenst tussen te komen in de procedure om een provisionele vordering in te stellen ex art. 223 Rv tot opheffing van het beslag. Zij stelt een belang te hebben bij opheffing van het beslag omdat zij door het beslag de kosten van het verweer van [gedaagden]. niet ten laste kan brengen van de verzekerde som. Als zij de verweerkosten desondanks voor haar rekening blijft nemen, betaalt zij uiteindelijk mogelijk meer dan de verzekerde som. Stopzetten van de betaling van die kosten vergroot het risico dat [gedaagden]. geen deugdelijk verweer kunnen voeren en Achmea dekking moet verlenen voor een (onterechte) toewijzing van de vordering van Servatius. Om haar belang veilig te stellen wil Achmea een eigen opheffingsvordering instellen, naast de provisionele vordering die ook [gedaagdeden 2 t/m 8]. zullen instellen om het beslag opgeheven te krijgen. Uit een oogpunt van doelmatigheid en om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, wil Achmea haar vordering instellen in het geding tussen Servatius en [gedaagden]., en niet afzonderlijk bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen.

2.3. [gedaagdeden 2 t/m 8]. ondersteunen Achmea in het incident. In het incident voeren zij aan dat zij een provisionele vordering tot opheffing van het beslag zullen instellen (rb: wat inmiddels ook is gebeurd), maar dat een eigen vordering van Achmea nodig is omdat de belangen waarin Achmea door het beslag wordt getroffen van doorslaggevend belang kunnen zijn bij de vraag of het beslag moet worden opgeheven. Ook zij achten het doelmatig wanneer Achmea als tussenkomende partij bij dezelfde rechter en gelijktijdig met hen opheffing van het beslag vordert.

2.4. Gedaagden in de hoofdzaak sub 1 en 9 refereren zich voor wat betreft de vordering van Achmea aan het oordeel van de rechtbank.

2.5. Servatius voert verweer en meent dat tussenkomst niet is bedoeld voor de door Achmea gewenste wijze van deelname aan de procedure tussen Servatius en [gedaagden]., en dat tussenkomst deze procedure, die zwaar op Servatius drukt, onnodig complex, tijdrovend en (dus) kostbaar maakt. Zij wijst er op dat de vordering van Achmea er slechts toe strekt om een (voorlopig) oordeel te krijgen over het gelegde beslag. Dit is een kwestie die helemaal geen onderwerp vormt van de hoofdzaak tussen Servatius en [gedaagden].. Achmea zal ook geen verweer voeren in de hoofdzaak. Volgens Servatius heeft Achmea dan ook geen belang bij de uitkomst van de procedure zoals ingevolge art. 217 Rv is vereist voor tussenkomst. Ook ontbreekt volgens Servatius elk valide argument voor opheffing van het beslag, zodat Achmea ook geen materieel belang heeft bij tussenkomst. Achmea kon (en kan nog altijd) sneller en efficiënter in een afzonderlijk kort geding opheffing van het beslag vorderen, maar in werkelijkheid is het Achmea erom te doen om door middel van dit incident de inhoudelijke behandeling van de procedure tussen Servatius en [gedaagden]. op te houden, aldus Servatius.

2.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling van het incident tot tussenkomst

3.1. Achmea vraagt de rechtbank toestemming om als derde te mogen tussenkomen in het geding tussen Servatius en [gedaagden]..

3.2. Ingevolge art. 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen daarin te mogen tussenkomen. Tussenkomst kan worden toegestaan aan de derde die wil voorkomen dat hij een recht verliest of wordt benadeeld door de uitkomst van de procedure waarin hij wil tussenkomen, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2003 (LJN: AF2833). Degene die wil tussenkomen moet dus een feitelijk belang hebben bij de uitkomst (het dictum) van de procedure waarin hij wil tussenkomen.

3.3. Het geding waarin Achmea wil tussenkomen betreft kort gezegd de vraag naar de aansprakelijkheid van [gedaagden]. voor schade die is geleden door Servatius. De uitkomst van dit geding heeft mogelijk gevolgen voor Achmea (zij moet immers tot uitkering overgaan indien de rechtbank [gedaagden]. aansprakelijk acht voor de schade van Servatius), maar dit is niet de reden dat Achmea wil tussenkomen. Achmea stelt uitdrukkelijk dat zij zich niet inhoudelijk met deze procedure wil bemoeien. Zij wil uitsluitend in deze procedure tussenkomen om een provisionele vordering in te stellen strekkend tot opheffing van het beslag dat door Servatius is gelegd op de rechten van [gedaagden]. uit de verzekeringsovereenkomst met Achmea. Met Servatius is de rechtbank van oordeel dat art. 217 Rv hiervoor in beginsel geen ruimte biedt. Achmea kan niet tussenkomen in een geding tussen Servatius en [gedaagden]. indien zij geen belang heeft bij de beslissingen die op de vorderingen in dat geding zullen worden genomen, maar zij uitsluitend zelf een (incidentele) vordering wil instellen als voormeld.

3.4. Inmiddels echter hebben [gedaagdeden 2 t/m 8]. een provisionele vordering ingesteld tot opheffing van het beslag ex art. 223 Rv, zoals aangekondigd door Achmea in haar incidentele conclusie tot tussenkomst en bij pleidooi. Met de indiening van deze provisionele vordering is opheffing van het beslag onderwerp geworden van het geding tussen Servatius en [gedaagden]. waarin Achmea wil tussenkomen.

3.5. De rechtbank volgt Achmea en [gedaagdeden 2 t/m 8]. in hun stelling dat Achmea nadeel kan ondervinden van het beslag en er belang bij heeft een eigen vordering tot opheffing daarvan in te stellen om zodoende de aan haar eigen positie ontleende argumenten voor opheffing van het beslag naar voren te kunnen brengen. De rechtbank is van oordeel dat Achmea dan ook in zoverre thans een belang heeft bij de uitkomst van het geding als bedoeld in artikel 217 Rv.

3.6. Servatius meent dat desondanks tussenkomst niet moet worden toegestaan omdat Achmea geen materieel belang heeft bij tussenkomst (Achmea noemt geen valide argument voor opheffing van het beslag), omdat Achmea geen processueel belang heeft bij tussenkomst (zij kon en kan nog altijd sneller en efficiënter opheffing van het beslag vorderen in kort geding), en omdat tussenkomst de procedure onnodig complex, tijdrovend en (dus) kostbaar maakt.

3.7. De rechtbank overweegt dat de vraag of er gronden zijn om over te gaan tot opheffing van het beslag, hier niet aan de orde is. Achmea zal een door haar in te stellen vordering tot opheffing deugdelijk moeten onderbouwen. De rechtbank ziet geen reden om op voorhand te oordelen dat een door Achmea in te stellen opheffingsvordering kansloos zal zijn en dat Achmea daarom geen (materieel) belang heeft bij tussenkomst.

3.8. Het is juist, zoals Servatius stelt, dat Achmea gedurende lange tijd de mogelijkheid heeft gehad - en nog altijd heeft - om in kort geding om opheffing van het beslag te vragen en dat dit in het algemeen de meest geëigende manier is om een beslissing over het beslag te verkrijgen. Achmea had dit ook gezamenlijk kunnen doen met [gedaagdeden 2 t/m 8]., waarbij zij ieder hun eigen belang bij opheffing naar voren hadden kunnen brengen. Achmea heeft dit echter niet gedaan en inmiddels hebben [gedaagdeden 2 t/m 8]. een provisionele vordering tot opheffing van het beslag ingediend. Indien tussenkomst van Achmea zal worden toegestaan, zal de vertraging die hierdoor wordt veroorzaakt beperkt blijven omdat de rechtbank toch op de provisionele vordering van [gedaagden]. zal moeten beslissen. Indien de rechtbank Achmea niet toelaat in de procedure, dan zal zij naar verwachting opheffing van het beslag vorderen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen. Voor Servatius, die heeft aangegeven zich te zullen verzetten tegen opheffing van het beslag, zal dit extra kosten met zich brengen, en het voeren van twee afzonderlijke procedures over opheffing van een zelfde beslag bergt het risico in zich van tegenstrijdige uitspraken. Gegeven de huidige stand van de procedure verdient het daarom uit oogpunt van doelmatigheid en proceseconomie thans de voorkeur dat de vordering van Achmea tot opheffing van het beslag ook (en binnen afzienbare termijn) aan deze rechtbank wordt voorgelegd, waarna Servatius verweer kan voeren tegen beide vorderingen en de rechtbank vervolgens tegelijk op beide vorderingen kan beslissen.

3.9. Aan Servatius kan worden toegegeven dat de thans ontstane situatie, waarin Achmea belang heeft bij tussenkomst, min of meer door Achmea zelf is gecreëerd. Achmea stelt dat zij niet eerder opheffing heeft gevorderd omdat zij er lange tijd vanuit is gegaan - naar zij nu vermoedt ten onrechte - dat de kosten van het verweer van [gedaagden]. ten laste van de verzekerde som konden worden gebracht, ondanks het daarop gelegde beslag. Dat Achmea, mogelijk als gevolg van rechtsdwaling, zelf een belang bij tussenkomst heeft gecreëerd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat haar het recht op tussenkomst moet worden ontzegd. Dat Achmea nu tussenkomst vordert heeft het voor Servatius ongelukkige gevolg dat de procedure opnieuw in enige mate wordt vertraagd, maar de rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat het Achmea nu juist erom te doen zou zijn deze vertraging te veroorzaken, zoals Servatius stelt.

3.10. De rechtbank zal gelet op al het vorenstaande beslissen dat aan Achmea tussenkomst zal worden toegestaan in het geding tussen Servatius en [gedaagden]. voor zover betrekking hebbend op de opheffing van het beslag.

3.11. Hoewel Servatius in dit incident tot tussenkomst verweer heeft gevoerd en in het ongelijk wordt gesteld, zal de rechtbank haar niet veroordelen in de kosten van het incident. Dit omdat pas na het pleidooi in het incident de provisionele vordering van [gedaagdeden 2 t/m 8]. is ingediend en alleen daardoor Achmea kan worden toegelaten in het geding. De rechtbank zal de kosten daarom compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.12. Achmea mag tussenkomen, doch slechts voor zover dit geding ziet op de vraag of opheffing van het beslag dient plaats te vinden. Het betreft dus een tussenkomst in het incident ex art. 223 Rv. Achmea zal (in dit incident ex art. 223 Rv) worden toegelaten een conclusie van eis in de tussenkomst te nemen waarin zij haar eigen provisionele vordering kan instellen. Servatius zal vervolgens mogen antwoorden in het incident ex art. 223 Rv.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident tot tussenkomst

4.1. staat Achmea toe in het geding tussen te komen voor zover het betreft de provisionele vordering tot opheffing van het beslag,

4.2. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident ex art. 223 Rv (opheffing beslag)

4.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 mei 2013 voor het nemen van de conclusie van eis in de tussenkomst door Achmea,

4.4. bepaalt dat de zaak vervolgens zal worden geplaatst op de rol van twee weken later voor het nemen van een conclusie van antwoord in het incident door Servatius,

in de hoofdzaak

4.5. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2013.