Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ7159

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
01/839510-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van moord en verboden wapenbezit. Verdachte heeft zoals beschreven in zijn dagboekaantekeningen een willekeurig slachtoffer gevolgd en in de bosjes bij een parkeerplaats meermalen gestoken en uiteindelijk verwurgd. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Opgelegd een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek voorarrest, TBS met dwangverpleging en vergoeding van een deel van de schade van de nabestaanden van het slachtoffer. Geen advies omtrent aanvang behandeling in kader van TBS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839510-12

Datum uitspraak: 17 april 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

thans gedetineerd te Maastricht PPC, 6222 NA Maastricht, Willem Alexanderweg 21.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2012, 4 januari 2013 en 3 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 oktober 2012.

Na wijziging van de tenlastelegging op 4 januari 2013 is aan verdachte thans ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2012 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] een of meermalen met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam en/of het hoofd gestoken en/of

gesneden en/of samendrukkend en/of omsnoerend geweld toegepast op de hals

van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2012 te Eindhoven, één of meer vuurwapens

en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad te weten

- een alarmpistool merk Valtro (model A.P. 92 Army, kaliber 9) en/of

- een alarmpistool merk Reck (model Python, kaliber 9) en/of

- 38 patronen, kaliber 9 millimeter en/of

- 19 kogelpatronen, kaliber 7x65 millimeter en/of

- 5 hagelpatronen, kaliber 12 en/of

- 120 kogelpatronen, kaliber .22 long rifle en/of

- 5 patroonmagazijnen, kaliber 7,65 millimeter

(met deze wapens wordt bedoeld de aangetroffen wapens en/of munitie welke niet

op het verlof ex artikel 28 Wet wapens en munitie staan vermeld)

(artikel 26 Wet wapens en munitie)

3.

hij op of omstreeks 12 augustus 2012 te Eindhoven een of meer wapens van

categorie I, onder I, te weten 4 vlindermessen voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 13 Wet wapens en munitie)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Inleiding.

Op 11 augustus 2012 is [slachtoffer 1] in een bosperceel achter de parkeerplaats Vaarle gelegen aan de A270 in de gemeente Nuenen op gewelddadige wijze gedood.

In het NFI-rapport van arts en patholoog (naam arts en patholoog) d.d. 12 november 20122 wordt beschreven dat [slachtoffer 1] bij leven, naast uitwendig inwerkend botsend geweld ook diverse steek- en snijverwondingen opgelopen heeft. In het genoemde NFI-rapport wordt geconcludeerd dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals. Naar het oordeel van deze deskundige zou [slachtoffer 1] ook zonder de reeds bij leven bestaande ziekelijke hartafwijkingen zijn overleden aan het op de hals uitgeoefende geweld. De letsels op de hals die ontstonden als gevolg van het daarop uitgeoefende geweld zouden zonder meer hebben geleid tot verstikking. Er was niet alleen sprake van breuken van het strottenhoofd, maar ook van bloedingen in alle weke delen van de hals.3

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een partiële vrijspraak ten aanzien van hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste wordt gelegd, te weten het "tezamen en in vereniging met een ander of anderen" plegen van de moord/doodslag op [slachtoffer 1].

De officier van justitie acht de moord op [slachtoffer 1] bewezen. Verdachte heeft hiertoe een motief, de tijd en de gelegenheid gehad. Verdachte is enige maanden bezig geweest met een plan om een man om te brengen en heeft ook toen al de consequenties kunnen overdenken. Tijdens de uitvoering zijn er ook nog verschillende momenten geweest waarop hij over de gevolgen van zijn daden kan hebben nagedacht.

Van een plotselinge gemoedsopwelling is in het geheel geen sprake geweest.

De officier van justitie acht voorts feit 2 (kort gezegd: het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie) en feit 3 (kort gezegd: het voorhanden hebben van (vlinder)messen) bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe bepleit een partiële vrijspraak ten aanzien van hetgeen haar cliënt onder feit 1 ten laste wordt gelegd, te weten het "tezamen en in vereniging met een ander of anderen" plegen van de moord/doodslag op [slachtoffer 1].

De raadsvrouwe heeft voorts aangevoerd dat er bij verdachte geen sprake is geweest van voorbedachten rade op de levensberoving van [slachtoffer 1]. Ook wat dat bestanddeel betreft zou vrijspraak dienen te volgen.

Naar de mening van de raadsvrouwe is sprake geweest van een noodweer(exces)situatie, waarbij de handelingen van verdachte werden ingegeven door een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding van zijn persoon, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

De raadsvrouwe heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu verdachte deze feiten gaaf en onvoorwaardelijk heeft bekend.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1:

Inleiding.

Om te komen tot een bewezenverklaring van"moord" dient het navolgende bewezen te worden:

a. dat verdachte de steekwonden en het samendrukkend en/of omsnoerend geweld heeft toegepast,

b. dat verdachte daarbij het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en

c. dat de handelingen werden gepleegd met voorbedachten rade.

Ad a. wie is de dader

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank, gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting, het bestanddeel "tezamen en in vereniging met een ander of anderen" niet wettig en overtuigend bewezen zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht evenwel bewezen dat verdachte de persoon is die de vastgestelde verwondingen aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht en op hem het samendrukkend en omsnoerend geweld heeft uitgeoefend.

De rechtbank komt tot die conclusie op basis van de verklaringen van verdachte over de gewelddadige handelingen die hij op de avond van 11 augustus 2012 jegens [slachtoffer 1] heeft verricht en de bevindingen van de patholoog-anatoom omtrent de letsels aan het lichaam van het slachtoffer die verdachtes verklaringen bevestigen.

Verdachte heeft ter terechtzitting4 verklaard dat hij op de avond van 11 augustus 2012 rond 22.00 uur vanaf zijn woning te Eindhoven, gewapend met twee messen, naar de parkeerplaats "Vaarle" te Nuenen is gereden. Daar heeft hij een man (het latere slachtoffer [slachtoffer 1]) gevolgd. Verdachte heeft [slachtoffer 1] aangesproken met de vraag "Weet jij wel in hemelsnaam wat jij andere mensen aandoet?5". [slachtoffer 1] was hiervan niet gediend en is, nadat verdachte een greep deed naar zijn (rechter achter6)broekzak waarin zich een mes bevond, met verdachte in een worsteling geraakt. Verdachte verklaart hierover niet alleen dat hij door [slachtoffer 1] in zijn kruis is getrapt, dat hij hierdoor op de grond is gevallen en door [slachtoffer 1] met zijn eigen mes7 is gestoken, maar ook dat hij [slachtoffer 1] met datzelfde mes heeft (terug)gestoken8. Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer 1] bewust laten struikelen, om zo de situatie onder controle te kunnen brengen, waarna hij heeft getracht om het gezicht van [slachtoffer 1] af te blokken. Verdachte verklaart dat hij, terwijl hij dat deed, door [slachtoffer 1] in zijn vinger is gebeten. Hoewel verdachte bij de politie steeds heeft verklaard dat hij geen herinnering heeft aan de gebeurtenissen vanaf de beet in zijn vinger tot het moment dat hij thuis in zijn bad wakker werd9, heeft verdachte ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij tijdens het afblokken met zijn rechterknie op de borstkas van [slachtoffer 1] heeft gezeten, zijn ellebogen om diens nek heeft gehouden en twee handen om zijn keel heeft gehouden.

De bevindingen van de patholoog-anatoom van het NFI bevestigen de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken. Ook de verklaring van verdachte dat hij zijn twee handen om de keel van [slachtoffer 1] heeft gehouden, wordt bevestigd door de bevindingen in het NFI-rapport omtrent het samendrukkend en/of omsnoerend geweld dat op de hals van [slachtoffer 1] werd uitgeoefend en door welk geweld [slachtoffer 1] uiteindelijk is komen te overlijden.

Gezien het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die de dodelijke verwondingen aan het slachtoffer heeft toegebracht.

Ad b. opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

In het aangehaalde NFI-rapport van arts en patholoog (naam arts en patholoog) wordt beschreven dat [slachtoffer 1] bij leven, naast uitwendig inwerkend botsend geweld op - onder meer - het gezicht, de rug, de beide benen en rechterbovenarm ook diverse steek- en snijverwondingen opgelopen heeft. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft deze deskundige aanvullend opgemerkt dat de steekverwondingen hebben geleid tot bloedverlies, hetgeen aan het overlijden een geringe bijdrage kan hebben geleverd10.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] weg sloeg en/of trapte11, met een mes heeft gestoken, met zijn rechterknie op de borstkas van [slachtoffer 1] heeft gezeten, zijn ellebogen om diens nek en twee handen om zijn keel heeft gehouden12.

Aard en omvang van de toegebrachte letsels zijn, naar het oordeel van de rechtbank, zodanig dat verdachte met het verrichten van al deze handelingen, gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, het opzet moet hebben gehad op het toebrengen van dodelijk letsel.

Ad c. wel of niet gehandeld met voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "met voorbedachten rade" moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank zal de relevante feiten en omstandigheden vaststellen, om zo te kunnen beoordelen of aan dit vereiste is voldaan.

In de woning van verdachte zijn dagboeken gevonden en in beslag genomen13. In deze dagboeken wordt door verdachte14 onder andere geschreven:

* "daarna gaan we naar de Flikker ontmoetingsplaats vaarle gelegen aan de A-270. En daar gaan op jacht en op zoek naar homo's. (-) Ze zullen betalen voor wat die vuile hoerige, smerige Pedofielen flikkers ons in onze jonge jaren hebben aangedaan"15.

* "morgenavond ga ik terug naar de plek waar ik mijn 1e moord wil plegen, voor de 6e keer ga ik nu terug. De éérste paar keer ging ik om de omgeving te verkennen, het was 's avonds laat en het was donker, die smerige ploerten merkten niet eens dat ik daar was, ik had ze toen kunnen vermoorden makkelijk zelf. (-) Maar de drang om te doden is groot, ik zou dolgraag iemand willen vermoorden alleen al de gedachten om met mijn mooi mes".16

* "ik wil iemand vermoorden, ik moet een moord plegen alleen dan zal ik rust vinden (-). Er is niks makkelijker dan met een vuurwapen smerige kutzakken neer te maaien het is vlug gebeurd daardoor kun je er maar zo kort van genieten. Met een mes gaat het langzamer je hebt meer fysiek contact met je slachtoffer".17

Uit de internethistorie van de computer van verdachte blijkt dat verdachte meerdere websites heeft bezocht waarop informatie beschikbaar is omtrent onderwerpen die te maken hebben met verwurging, (massa)moorden en homo-ontmoetingsplaatsen18, waaronder de parkeerplaats Vaarle te Nuenen.19

Verdachte heeft verklaard dat hij de voorverkenningen die hij in zijn dagboek beschrijft ook daadwerkelijk verricht heeft20. Hij was al vijf of zes keer eerder, steeds via dezelfde route, in het weekend en in het donker21, tot op 1 kilometer van de parkeerplaats gereden en ging dan in de bossen bij de parkeerplaats rondlopen. De laatste keer dat hij dat deed was zeven weken voor 11 augustus 2012.22 De aanwezige mensen konden hem niet zien omdat hij zachtjes rondsloop en zich voor hen verschool23. Van de parkeerplaats en de nabij gelegen (paden in de) bosjes werden door verdachte24 foto's gemaakt die op zijn computer zijn aangetroffen25. De foto's zijn door verdachte gemaakt om te weten waar er ergens paadjes lagen zodat hij heel rustig kon lopen zonder ergens vast te lopen26.

In de avond van 11 augustus 2012 rijdt verdachte weer richting de parkeerplaats Vaarle te Nuenen en parkeert zijn auto op 1 kilometer afstand daarvan. Hij is dan geheel in het zwart gekleed en heeft een petje op.27

Hij heeft, anders dan bij zijn eerdere voorverkenningen, van thuis twee messen meegenomen om zoals verdachte heeft verklaard de ander af te bluffen en trekt bij de parkeerplaats aangekomen zijn eveneens meegebrachte handschoenen aan28 voor het geval het tot een handgemeen mocht komen, aldus verdachte. Ook controleert hij bij de parkeerplaats of de wapens nog in zijn broek zitten.29

Hierna spreekt verdachte het uiteindelijke slachtoffer aan waarna de hiervoor omschreven worsteling ontstaat, waarbij het slachtoffer uiteindelijk het leven laat.

Verdachte faseert de worsteling tussen hem en zijn slachtoffer.

Hij verklaart dat het [slachtoffer 1] was die hem, vermoedelijk na het zien van een mes bij verdachte, in zijn kruis trapt, waardoor verdachte op de grond valt.

Verdachte komt weer overeind waarna meerdere malen over en weer wordt gestoken.

Voorts verklaart verdachte dat hij [slachtoffer 1] op enig moment bewust onderuit haalt om zo controle te krijgen over de ontstane situatie, gaat vervolgens bovenop hem zitten en omklemt zijn nek en hals.

Uit het wonddateringsonderzoek is gebleken dat er enige tijd tussen het (toebrengen van) de steekverwondingen en de verwurging heeft gezeten. Het immunobeeld van de verwonding aan de duim van verdachte wijst erop dat deze verwonding circa 10 tot 30 minuten vóór het overlijden is ontstaan.30 Het dodelijke letsel aan de hals is één tot enkele minuten voor het overlijden toegebracht.31

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade, zodat zijn handelen moet worden gekwalificeerd als "moord". Verdachte heeft blijkens zijn verklaringen en de dagboekfragmenten geruime tijd voor de avond van 11 augustus 2012 voorbereidende handelingen verricht. Op de betreffende avond heeft hij - anders dan bij de eerdere bezoeken aan de betreffende parkeerplaats - twee messen en handschoenen meegenomen. Vervolgens heeft hij de confrontatie gezocht met het latere slachtoffer door deze aan te spreken op beschuldigende toon. Verdachte heeft verklaard dat hij rustig was toen hij het slachtoffer benaderde. Vervolgens hebben de geweldshandelingen plaatsgevonden die uiteindelijk tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid. De rechtbank constateert dat de feitelijke gebeurtenissen in belangrijke mate overeenstemmen met het door de verdachte in zijn dagboek beschreven scenario zoals hiervoor kort aangehaald. Niet is gebleken dat verdachtes wilsbesluit en uitvoering in een plotselinge hevige drift opkwam en plaatsvond, terwijl evenmin sprake was van een slechts korte tijdspanne tussen het wilsbesluit en de uitvoering ervan noch dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of enig andere contra-indicatie die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staat. Er zijn - behoudens verdachtes verklaring - geen aanwijzingen dat verdachte nimmer serieus van plan is geweest om zijn moordfantasieën daadwerkelijk tot uitvoering te brengen. Zou dat het geval zijn geweest dan had verdachte tijdens het gehele incident meermalen de tijd en de gelegenheid te baat kunnen nemen om zich aan de (verdere) confrontatie met zijn slachtoffer te onttrekken, bijvoorbeeld op het moment waarop hij [slachtoffer 1] liet struikelen. Verdachte heeft evenwel niet duidelijk kunnen maken waarom hij dat niet heeft gedaan.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal bevindingen doorzoeking woning verdachte32;

- het proces-verbaal bevindingen regionaal Bureau Wapens en Munitie van de regiopolitie

Brabant Zuid-Oost33;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 april 2013.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

omstreeks 12 augustus 2012 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, samendrukkend en/of omsnoerend geweld toegepast op de hals van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

omstreeks 12 augustus 2012 te Eindhoven, vuurwapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad te weten

- een alarmpistool merk Valtro (model A.P. 92 Army, kaliber 9) en

- een alarmpistool merk Reck (model Python, kaliber 9) en

- 38 patronen, kaliber 9 millimeter en

- 19 kogelpatronen, kaliber 7x65 millimeter en

- 5 hagelpatronen, kaliber 12 en

- 120 kogelpatronen, kaliber .22 long rifle en

- 5 patroonmagazijnen, kaliber 7,65 millimeter

3.

omstreeks 12 augustus 2012 te Eindhoven wapens van categorie I, onder I, te weten 4 vlindermessen voorhanden heeft gehad

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het beroep op noodweer(exces) met betrekking tot feit 1

De raadsvrouwe heeft gesteld dat er met betrekking tot feit 1 sprake is geweest van noodweer(exces).

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake is van noodweer(exces), omdat het verdachte is geweest die, gewapend met messen, de confrontatie heeft opgezocht.

De rechtbank oordeelt dat uit haar overwegingen omtrent de voorbedachten rade reeds volgt dat van een situatie van noodweer(exces) geen sprake kan zijn geweest. Het handelen van verdachte die bewuste avond was planmatig en doelgericht en werd ook overeenkomstig het vooraf door verdachte beschreven scenario uitgevoerd.

Het beroep op noodweer danwel noodweerexces wordt mitsdien verworpen.

Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast dient verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging te worden opgelegd. De officier van justitie is van oordeel dat de behandeling eerst aan kan vangen nadat de op te leggen langdurige vrijheidstraf is ten uitvoer gelegd. Eventueel noodzakelijke eerdere behandeling van verdachte kan plaatsvinden binnen het kader van de bijzondere zorgafdelingen (PPC) van het gevangeniswezen. Zo de daar geboden zorg niet toereikend mocht blijken valt alsdan overplaatsing naar een TBS-kliniek op voet van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht te overwegen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft bepleit dat dient te worden uitgegaan van een verdergaande mate van ontoerekeningsvatbaarheid dan waar de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van zijn uitgegaan, nu de gedragsdeskundigen aangeven dat niet valt uit te sluiten dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, hoewel een dergelijk oordeel op grond van de beschikbare informatie niet kan worden onderbouwd. De verdediging meent, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 3 maart 201134, dat twijfel omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid in het voordeel van verdachte dient te worden uitgelegd en er toe moet leiden dat uitgegaan wordt van een sterk verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Verder meent de verdediging dat de door de gedragsdeskundigen benoemde behandelurgentie er toe moet leiden dat de op te leggen gevangenisstraf in de tijd wordt beperkt opdat de nodig geachte behandeling zo spoedig mogelijk een aanvang kan nemen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de navolgende, ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden.

Verdachte heeft het leven beëindigd van [slachtoffer 1] en daarmee inbreuk gemaakt op zijn meest fundamentele recht, het recht op leven. Verdachte heeft dit welbewust gedaan, met voorbedachte raad. Hij maakte daarmee niet alleen een einde aan het leven van zijn slachtoffer, maar ook aan het leven van een echtgenoot, vader, collega, vriend of kennis. Hierdoor heeft hij onvoorstelbaar en onherstelbaar leed toegebracht aan al die personen die [slachtoffer 1] nu zullen moeten missen. De ter terechtzitting voorgelezen verklaringen van de nabestaanden getuigen daarvan. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste strafbare feiten die het Nederlandse strafrecht kent, hetgeen tot uitdrukking komt in de op dit feit gestelde straf, te weten een levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar.

De rechtbank hecht betekenis aan de omstandigheid dat er geen concrete aanleiding was waarom [slachtoffer 1] degene was die het die avond heeft moeten ontgelden. De rechtbank is op grond van het verhandelde ter terechtzitting tot het inzicht gekomen dat [slachtoffer 1] die avond eenvoudigweg op de verkeerde plek was toen verdachte zijn - door jeugdtrauma's en angststoornissen gevoede - agressie tegen hem richtte, hetgeen het zinloze karakter van verdachtes daad benadrukt.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte er welbewust voor heeft gekozen om niet over alle gebeurtenissen op die avond te verklaren. Op grond van de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 5 maart 2013 en de daarop ter zitting door de gedragsdeskundigen (psychiater mw. (naam psychiater) en psycholoog mw. (naam psycholoog) gegeven toelichting valt immers niet uit te sluiten dat de geheugenproblemen verband houden met een trauma of gezien kunnen worden als een afweerreactie en behoeft van malingering geen sprake te zijn.

De rechtbank slaat verder acht op de bevindingen van deze gedragsdeskundigen met betrekking tot de vraag naar de toerekenbaarheid. De deskundigen hebben op basis van hun onderzoek geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, bestaande uit een angststoornis, veroorzaakt door opeenvolgende traumatische ervaringen op jonge leeftijd. Secundair hieraan is sprake van een ernstige depressieve stoornis met een chronisch karakter. Daarnaast spreken de gedragsdeskundigen het vermoeden uit dat deze stoornissen hebben geïnterfereerd met de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte, waardoor niet valt uit te sluiten dat tevens sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Een definitieve diagnose op dit punt valt thans echter niet te geven, aldus de deskundigen. Als gevolg van de gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling, het beschreven psychiatrisch toestandsbeeld en de stressoren waarmee verdachte de laatste tijd te kampen had was sprake van een zeer kwetsbaar evenwicht, waarin een agressieve impulsdoorbraak gemakkelijk kon plaatsvinden. Aangezien de stoornissen ook bestonden toen verdachte [slachtoffer 1] om het leven bracht en van invloed waren op verdachtes gedragskeuzes en gedragingen adviseren de gedragsdeskundigen om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, in de rapportage van het Pieter Baan Centrum onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen kan worden dat aan verdachte de feiten in het geheel niet, althans in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. De deskundigen hebben ter terechtzitting in dit verband gewezen op het feit dat verdachte aangeeft dat hij ten aanzien van een deel van de gebeurtenissen op die bewuste avond niet kan verklaren omdat hij zich daarvan niets herinnert. Dat betekent dat de gedragsdeskundigen dat deel van de gebeurtenissen en verdachtes rol daarbij ook niet hebben kunnen betrekken bij de beoordeling van de mate waarin die gebeurtenissen aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De geraadpleegde en ter terechtzitting gehoorde gedragsdeskundigen hebben ten aanzien van het herhalingsrisico voor ernstige geweldsdelicten overwogen dat dit risico door hen hoog wordt ingeschat. Zij hebben daarbij gelet op de aard en ernst van de bij verdachte geschetste pathologie en het feit dat het bij verdachte beschreven toestandsbeeld nog onverminderd aanwezig is. In verband daarmee adviseren zij om verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege op te leggen. Er is sprake van een ernstig klinisch beeld dat dringend om behandeling vraagt. De forse, chronisch aanwezige angst- en depressieve klachten vragen om een intensieve behandeling met zowel medicatie als psychotherapie. Deze behandeling dient naar het oordeel van deskundigen liefst zo vroeg mogelijk aan te vangen, gezien de ernst van het toestandsbeeld en de forse chronische lijdensdruk bij verdachte. Indien de klachten onbehandeld blijven bestaat de kans op toename van de klachten en is het risico op suïcide niet denkbeeldig.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over en houdt hiermee rekening bij de strafoplegging. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Met de gedragsdeskundigen is de rechtbank voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. De rechtbank ziet geen termen om gebruik te maken van haar bevoegdheid om op voet van artikel 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in haar vonnis een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Niet uit te sluiten valt namelijk dat de thans door het PBC gestelde diagnose en de op die diagnose toegespitste medicatie zodanige invloed heeft op het toestandsbeeld van verdachte dat daarmee de behandelurgentie op de achtergrond treedt. Zo de (geestelijke) gezondheidstoestand van verdachte desondanks daartoe aanleiding geeft, voorziet artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht in de mogelijkheid om reeds tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf verdachte te doen plaatsen in een justitiële inrichting voor de verpleging van terbeschikkinggestelden.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de nabestaanden van [slachtoffer 1] toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, mede gelet op de daarop verstrekte toelichting. De officier van justitie vordert daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij acht de verdediging de kosten die gemoeid zijn geweest met het opmaken van een testament en de kosten van aanschaf van herdenkingssierraden in een te ver verwijderd verband staan tot het strafbare feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt en derhalve moeten worden afgewezen. Ten aanzien van de overige schadeposten heeft de verdediging zich gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten materiële schadevergoeding (posten 1, 2, 3, 4 en 7) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de overige onderdelen (posten 5 "testament" en 6 "aandenken") afwijzen, aangezien in zoverre geen sprake is van kosten ex artikel 6:108 lid 2 BW.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Het beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De in beslag genomen kleding kan aan de verdachte worden teruggegeven zodra de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk is geworden.

Nu verdachte geen afstand heeft gedaan van de bij hem aangetroffen legale vuurwapens vordert de officier van justitie de onttrekking ervan aan het verkeer, gelet op de gebleken gevaarlijkheid van verdachte en de daarmee samenhangende gevaarzetting voor de samenleving.

De in beslag genomen auto dient verbeurd te worden verklaard nu deze door verdachte gebruikt is voor de voorverkenningen en verdachte met dit voertuig naar de plaats van het delict is gereden.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen meent de verdediging dat de kleding en de auto dienen te worden teruggegeven aan verdachte. De auto staat in een te ver verwijderd verband tot de feiten om verbeurdverklaring te kunnen rechtvaardigen. Voorts meent de verdediging dat de legale vuurwapens aan verdachte kunnen worden teruggegeven. Verdachte is voornemens om deze wapens te verkopen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp (de auto) aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Ten aanzien van de kleding en legale wapens van verdachte kan en zal de rechtbank geen beslissing nemen nu een kennisgeving van inbeslagname ontbreekt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 91, 289;

Wet wapens en munitie art. 2, 54.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Moord

T.a.v. feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van € 7.122,85 subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 7.122,85 (zegge: zevenduizend honderdtweeëntwintig euro en vijfentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (posten 1, 2, 3, 4 en 7).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], van een bedrag van € 7.122,85 (zegge: zevenduizend honderdtweeëntwintig euro en vijfentachtig eurocent), te weten materiële schadevergoeding (posten 1, 2, 3, 4 en 7).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: een auto, merk Seat, type Leon 1.9 Tdi/A met kenteken (kenteken auto) aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.B.M. Bruens, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 17 april 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, afdeling Divisie Recherche, onderzoek 22TG120008 "Klimtoren", pv-nummer 20121128.1600.20216, afgesloten d.d. 28 november 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 1176.

2 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 november 2012, pagina 6.

3 Verklaring arts/patholoog bij de rechter-commissaris op 22 januari 2013

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 3 april 2013.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 3 april 2013 en proces-verbaal p. 894

6 Verklaring verdachte, proces-verbaal p. 897

7 Verklaring verdachte, proces-verbaal p. 849

8 Verklaring verdachte t.o.v. de rechter-commissaris d.d. 16 augustus 2012

9 Verklaring verdachte, proces-verbaal p. 899 en 901

10 zie noot 3

11 Verklaring verdachte, proces-verbaal p. 898

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting 3 april 2013

13 Proces-verbaal p. 251

14 Verklaring verdachte ter zitting 3 april 2013

15 Proces-verbaal p. 251-252

16 Proces-verbaal p. 1051

17 Proces-verbaal p. 1050

18 Proces-verbaal p. 109, 483, 490-493

19 Proces-verbaal p. 491

20 Proces-verbaal p. 828

21 Proces-verbaal p. 829 en 889

22 Proces-verbaal p. 829

23 Proces-verbaal p. 830 en 889-890

24 Proces-verbaal p. 890

25 Proces-verbaal p. 473-482

26 Proces-verbaal p. 891

27 Proces-verbaal p. 827 en 837-838

28 Verklaring verdachte ter zitting 3 april 2013

29 Verklaring verdachte ter zitting 3 april 2013

30 Rapportage NFI, p. 4 en bijlage 3 bij dit rapport, p. 2

31 Rapportage NFI, p. 4 en verklaring getuige arts/patholoog t.o.v. de rechter-commissaris d.d. 22 januari 2013, p. 1

32 Proces-verbaal p. 42, 47, 49

33 Proces-verbaal p. 596-598 en p. 599-602 (hierbij moet worden opgemerkt dat het door verbalisant [verbalisant] op 23 augustus 2012 omschreven alarmpistool van het merk Valtro, model A.P 92, Army, kaliber 9 millimeter knal (p. 599) het SIN-nummer AAEG6986NL heeft gekregen, doch dat de rechtbank op grond van de kennisgeving van in beslaggame (p. 49) het wapen onder SIN-nummer AACB7143NL en de op 14 augustus 2012 door verbalisant [verbalisant] gegeven beschrijving van "een centraalvuur alarmpistool, merk Valtro, model A.P. 92 Army, kaliber 9 millimeter knal" (p. 596), als één en hetzelfde wapen beschouwt.

34 LJN BP6664