Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6592

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
801532
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:5229, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenzaak. Zuivere premieovereenkomst. Aansprakelijkheid voor nakoming van de pensioenovereenkomst bij de werkgever of bij de pensioenuitvoerder? Wie draagt het risico van wijzigende omstandigheden, zoals een toename van de leeftijdsverwachting en de invoering van toeslagen in verband met de solvabiliteit van de pensioenuitvoerder (dekkingsgraad) en de kosten voor het uitbetalen van pensioenrechten?

Door verwijzing naar de pensioenregeling in de bedrijfsCAO is deze pensioenregeling als arbeidsvoorwaarde geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten met de werknemers. Een tekortschieten van de pensioenuitvoerder tegenover de deelnemers levert in dat geval ook een tekortschieten van de werkgever in de nakoming van de arbeidsovereenkomst op. Indien dit tekortschieten kan worden verweten aan de pensioenuitvoerder, heeft de werkgever de mogelijkheid deze in vrijwaring op te roepen.

Het pensioenreglement biedt de pensioenuitvoerder de mogelijkheid bij de inkoop van pensioenrechten uit daartoe belegd kapitaal de waarderingsgrondslagen voor de inkoop van pensioenaanspraken of pensioenrechten vast te stellen. Het aanpassen van de waarderingsgrondslagen in verband met een gewijzigde levensverwachting van de deelnemers en het toepassen van toeslagen die verband houden met gewijzigde regelgeving of voorschriften van de toezichthouder levert geen tekortschieten op in de nakoming van de pensioenovereenkomst.

In geval van een zuivere premieovereenkomst in de zin van artikel 10, aanhef en sub c Pensioenwet komt het risico van gewijzigde omstandigheden die maken dat voor het gespaarde kapitaal minder rechten kunnen worden ingekocht voor rekening van de werknemer, zowel het risico van wijzigingen van de levensverwachtingen als ook het risico dat door wijziging in de regelgeving en/of economische omstandigheden bij de inkoop van pensioenaanspraken of pensioenrechten opslagen verschuldigd worden. De omstandigheid dat de werkgever bij het aangaan van de pensioenovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor deze risico's levert in dit geval geen schending van een informatieplicht op.

Het behoort in beginsel niet tot de eisen van goed werkgeverschap om werknemers die een pensioenregeling in de vorm van een zuivere premieovereenkomst zijn aangegaan te vrijwaren tegen risico's als hiervoor genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0311
PJ 2013/142

Uitspraak

Kantonrechter te 's-Hertogenbosch*

Zaaknummer : 801532/141

Rolnummer : 84/12

Uitspraak : 11 april 2013

In de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vereniging

van middenkader en hoger personeel van MSD,

gevestigd te Oss,

en 128 andere natuurlijke personen,

eisers,

gemachtigde: mr. G.R. Derksen,

Postbus 109, 7500 AC Enschede,

t e g e n :

1. de besloten vennootschap Merck Sharp &Dohme B.V.,

gevestigd te Haarlem,

2. de besloten vennootschap Organon Biosciences Nederland B.V.,

gevestigd te Oss,

3. de besloten vennootschap Intervet International B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

4. de naamloze vennootschap N.V. Organon,

gevestigd te Oss,

5. de besloten vennootschap MSD Oss B.V.,

gevestigd te Oss,

gedaagden,

gemachtigden: mrs. W. van Heest en M. van Eck,

Postbus 75510, 1070 AM Amsterdam.

1. De procedure.

Eisers hebben bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagden zijn in rechte verschenen en hebben een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens werden de conclusie van repliek en conclusie van dupliek gewisseld en hebben eisers nog een akte genomen. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevonden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder in beginsel worden aangeduid als "VMHP c.s." (eisers gezamenlijk, inclusief de vereniging) en "Organon c.s." (voor gedaagden gezamenlijk).

2. Het geschil.

1.1 VMHP c.s. vorderen een verklaring voor recht luidende dat Organon c.s. op basis van de verplichtingen voortvloeiend uit de pensioenovereenkomst ten opzichte van VMHP c.s. verplicht zijn om hen te compenseren voor de gevolgen van de wijziging van de omzettingsfactoren die door SPPF worden toegepast bij de inkoop van pensioenrechten en/of pensioenaanspraken (welke wijziging heeft plaatsgevonden per 1 september 2010), een en ander door SPPF in staat te stellen het spaarsaldo van de deelnemers om te zetten in pensioenrechten en/of pensioenaanspraken op basis van de omzettingsfactoren zoals die werden gehanteerd tot 1 september 2010.

Voorts vorderen VMHP c.s. - behalve de vereniging, eiseres sub 1 - de veroordeling van Organon c.s. tot nakoming van de pensioenovereenkomst op basis van de omzettingsfactoren zoals die door SPPF werden gehanteerd tot 1 september 2010, welke verplichting inhoudt dat SPPF door Organon c.s. in staat wordt gesteld om het spaarsaldo van de deelnemers om te zetten in pensioenrechten en/of pensioenaanspraken op basis van de omzettingsfactoren zoals die werden gehanteerd tot 1 september 2010 en betaling door Organon c.s. van een schadevergoeding aan eisers die na 1 september 2010 hun saldo voortkomend uit de beschikbare premieregeling hebben omgezet en/of zullen omzetten in pensioenaanspraken (gewezen deelnemers) en/of pensioenrechten (gepensioneerden), tot het moment dat tussen partijen met betrekking tot het hiervoor gevorderde een gerechtelijke uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, alles met veroordeling van Organon c.s. (inclusief de vereniging) in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten als berekend in het petitum van de dagvaarding en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.2 VMHP c.s. leggen daaraan het navolgende ten grondslag.

Eisers sub 2 tot en met 129 zijn allen werknemers of oud-werknemers van één van de vennootschappen die als gedaagden in dit geding zijn betrokken. Eiseres sub 1 heeft ondermeer als doelstelling in haar statuten opgenomen "het behartigen van de sociale en economische belangen van het middenkader en hoger personeel in dienst van Organon c.s., en in het bijzonder van haar leden en, in voorkomende gevallen, hun nagelaten betrekkingen".

1.3 De verhoudingen tussen VMHP c.s. en Organon c.s. worden bepaald door de inhoud van hun individuele arbeidsovereenkomsten en, daarnaast, de CAO Organon BioSciences Nederland, verder te noemen "de CAO". In de CAO is opgenomen dat in het bedrijf van de werkgever een pensioenregeling bestaat in de vorm van een combinatie van een collectieve beschikbare middelloonregeling met een individuele beschikbare premieregeling (artikel 14.1 van de meest recente versie van de CAO). Op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 1 sub 2 van de CAO neemt iedere werknemer deel aan de pensioenregeling, tenzij de pensioenregeling zelf anders bepaalt.

De regeling is neergelegd in de statuten, de pensioenreglementen en het huishoudelijk reglement van de Stichting Schering-Plough Pensioenfonds, hiervoor al aangeduid en verder aan te duiden als "SPPF"). Zij is de rechtsopvolgster van de Stichting Pensioenfonds AkzoNobel (verder aan te duiden als "APF"). De pensioenregeling zoals die thans bij Organon c.s. geldt, bestaat sinds 1 januari 2001, toen deze bij APF van kracht werd.

1.4 Ingevolge artikel 1 van de Pensioenwet (Pw.) is de pensioenovereenkomst "hetgeen tussen werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen". SPPF is een ondernemingspensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. SPPF voert de pensioenregeling zoals omschreven in de CAO uit. Tussen Organon c.s. en SPPF bestaat daartoe een uitvoeringsovereenkomst. SPPF heeft op 17 december 2008 een pensioenreglement vastgesteld (Pensioenreglement 2009, productie 4 bij dagvaarding). In 2011 is een nieuwe Pensioenreglement vastgesteld (productie 22 bij antwoord). VMHP c.s. nemen het standpunt in dat dat reglement in strijd is met hun pensioenovereenkomst met Organon c.s..

1.5 De pensioenregeling op voet van artikel 14.1 CAO heeft een gemengd karakter in die zin dat deze voor een deel bestaat uit een collectieve middelloonregeling (kapitaalovereenkomst als bedoeld in artikel 10, aanhef en sub c Pw.) en voor een deel uit een individueel beschikbare premieregeling (premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10, aanhef en sub c Pw.). Tot een bepaalde inkomensgrens bestaat het pensioen uit een middelloonpensioenregeling. Bedraagt het inkomen van een werknemer meer dan het opbouwgrensbedrag, dan valt hij met het deel dat die grens overschrijdt onder de premieregeling.

1.6 In november 2000 zijn de werknemers van Organon c.s. ingelicht over de pensioenregeling, waarvan de "Beschikbare premieregeling" (verder aan te halen als "de BP-regeling") onderdeel uitmaakt. In de pensioenkrant die Akzo Nobel onder haar werknemers heeft verspreid staat ten aanzien van de BP-regeling het navolgende vermeld:

"In de middelloonregeling wordt pensioen opgebouwd over maximaal 100.000 gulden per jaar. Ligt het vast jaarsalaris (gerekend in voltijd) daarboven, dan wordt de pensioenpremie ter beschikking gesteld van de werknemer. De werkgever doet niet, zoals in de 'gewone' pensioenregeling, een pensioentoezegging, maar een premietoezegging. Dit betekent dat de uiteindelijke pensioenuitkering niet van tevoren vaststaat. De pensioenhoogte is namelijk afhankelijk van de beleggingsresultaten over de gespaarde premies. Zo'n regeling heet een beschikbare premieregeling."

1.7 VMHP c.s. nemen in dit geding het standpunt in dat uit de Pensioenwet en het daarop berustende Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (verder af te korten als BuP) voortvloeit dat Organon c.s. gehouden waren om VMHP c.s. op de hoogte te stellen van alle risico's die aan een BP-regeling waren verbonden en dat zij VMHP c.s. op geen ander risico hebben gewezen dan het beleggingsrisico bij belegging van de te betalen premies. VMHP c.s. wisten dat zij bij deelname aan de BP-regeling een beleggingsrisico liepen. Zij konden de omvang van dat risico enigszins beïnvloeden door een keuze voor beleggingsfondsen met een meer of minder sterk risicoprofiel. Maar van het bestaan van andere risico's dan het beleggingsrisico hebben Organon c.s. de deelnemers aan de pensioenregeling niet op de hoogte gesteld. Ook de jaarlijks gezonden uniforme pensioenoverzichten geven een indicatie ten aanzien van het met de BP-regeling te behalen resultaat, zonder dat wordt gewezen op andere risico's dan een beleggingsrisico.

De brochure van SPPF uit 2009 over de BP-regeling (productie 8 bij dagvaarding) vermeldt ook geen andere risico's dan een beleggingsrisico. Het vermeldt zelfs dat de deelnemer aan de regeling geen kosten in rekening gebracht zullen worden:

"Er zijn geen administratie- of beheerkosten verbonden aan het beleggen van het BP-kapitaal in de portefeuilles. Ook worden geen kosten in rekening gebracht voor een switch tussen de beleggingsportefeuilles, alsmede voor het kopen van een pensioenuitkering."

1.8 VMHP c.s. zijn van mening dat de omstandigheid dat zij op geen ander risico zijn gewezen dan het beleggingsrisico tot gevolg moet hebben dat in hun pensioenovereenkomst het beleggingsrisico limitatief, dus met uitsluiting van andere risico's die voor hun rekening kunnen worden gebracht, is overeengekomen, althans dat bij hen het vertrouwen is gewekt dat dat het geval is. Zij trekken hieruit de conclusie dat zij voor wat betreft de BP-regeling tot medio 2010 geen ander risico liepen dan het beleggingsrisico en dat, indien zich nu andere risico's blijken voor te doen, de gevolgen van het verwezenlijken van die risico's voor rekening van Organon c.s. moeten komen, omdat zij bij gebreke aan bekendheid met die risico's geen maatregelen hebben kunnen treffen om de gevolgen van verwezenlijking van die risico's voor hun pensioen te ondervangen. De informatieplicht waar zij zich op beroepen is juist met het doel om hen hiertegen te beschermen in het leven geroepen.

1.9 Per 1 september 2010 heeft het bestuur van SPPF een aantal maatregelen doorgevoerd die tot gevolg hebben dat de deelnemers aan de BP-regeling bij pensionering voor het door belegging van hun premies opgebouwde kapitaal een aanzienlijk lagere pensioen kunnen inkopen, soms tientallen procenten minder dan zonder het toepassen van de aangekondigde maatregelen. VMHP c.s. zijn hierover ingelicht in een brief van 21 juli 2010 (productie 9 bij dagvaarding). De aangekondigde maatregelen betreffen meer in het bijzonder:

* een aanpassing van de tarieven voor inkoop op basis van de nu bekende [ktr: hogere] levensverwachting;

* toepassing van een solvabiliteitsopslag;

* toepassing van een excasso opslag (opslag ter dekking van de kosten van uitbetaling van het pensioen) van 1,25%.

1.10 VMHP c.s. stellen dat door toepassing van deze maatregelen hun pensioenovereenkomst met Organon c.s. wordt geschonden. Bij het aangaan van deze overeenkomst, met name de BP-regeling daarin, is niet overeengekomen dat deze maatregelen voor rekening van VMHP c.s. zouden komen en zij zijn niet op de hoogte gesteld van het bestaan van het risico dat dit zou kunnen gaan gebeuren. Nu deze maatregelen toch door SPPF worden doorgevoerd, ligt het op de weg van Organon c.s. om de negatieve gevolgen daarvan voor VMHP c.s. te ondervangen. De verplichting daartoe vloeit voort uit de pensioenovereenkomst, althans uit de eisen van goed werkgeverschap.

1.11 Dat SPPF mogelijk door verzwaarde financiële eisen van de toezichthouder de bestaande BP-regeling niet meer zouden kunnen nakomen gaat VMHP c.s. niet aan. Zij hebben geen contractuele relatie met de uitvoeringsinstantie maar met Organon c.s.. Wanneer SPPF door omstandigheden moet komen tot een aanpassing van de grondslagen voor de inkoop van pensioen, dienen Organon c.s. SPPF in staat te stellen om de pensioenovereenkomst deugdelijk uit te voeren, want de correcte nakoming van die overeenkomst is een verantwoordelijkheid van Organon c.s.. VMHP c.s. stoelen hun vordering op het bepaalde in artikel 3:296 BW, subsidiair op het bepaalde in artikel 7:611 BW.

1.12 Die personen onder de eisers die na 1 september 2010 hun belegde premies hebben omgezet in een pensioenaanspraak (gewezen deelnemers) en/of pensioenrechten (gepensioneerden) hebben schade geleden, doordat hun aanspraak c.q. hun pensioen is vastgesteld op basis van een verlaagde grondslag. De schade is gelijk aan het (negatieve) verschil in pensioenhoogte als gevolg van de aanpassing van de omzettingsfactoren c.q. de verzwaring van de grondslagen door SPPF per 1 september 2010.

1.13 Organon c.s. zijn bij brief van 15 juli 2011 gesommeerd om te bevestigen dat zij de pensioenovereenkomst met VMHP c.s. zouden nakomen zonder toepassing van de opslagen en het langlevenrisico, althans om de schade te vergoeden die VMHP c.s. lijden door toepassing daarvan. Bij brief van 13 september 2011 hebben Organon c.s. de aanspraken van VMHP c.s. van de hand gewezen.

1.14 Organon c.s. hebben een viertal verweren gevoerd, te weten:

1. eiseres sub 1 is geen belanghebbende bij de vordering;

2. VMHP c.s. dienen niet Organon c.s., maar SPPF als gedaagde in dit geding te betrekken;

3. voor wat betreft het langlevenrisico moet de vordering worden afgewezen, omdat sprake is van een herijking van premies als bedoeld in artikel 14, lid 2 sub 2 van de CAO;

4. de vordering moet voorts voor wat betreft de solvabiliteitsopslag en de excasso opslag worden afgewezen, omdat deze op basis van wettelijke verplichtingen binnen het kader van de uitvoering van de pensioenovereenkomsten alleen ten laste van de spaarsaldi kunnen komen.

VMHP c.s. betwisten de deugdelijkheid van deze verweren. Gelet op de doelstelling in haar statuten heeft eiseres sub 1 op grond van het bepaalde in artikel 3:305a, lid 2 BW de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen.

Als grondslag van de vordering dient de nakoming van een pensioenovereenkomst. Die bestaat tussen VMHP c.s. en Organon c.s.. VMHP c.s. hebben geen contractuele relatie met SPPF. Organon c.s. zijn dus de wederpartijen tot wie VMHP c.s. hun vordering moeten richten.

Artikel 14.2.2 van de CAO ziet slechts op de inleg van premies ten behoeve van de BP-regeling. Wat moet worden verstaan onder "waarderingsgrondslagen", waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, is onduidelijk. De discussie in dit geschil gaat niet over de herijking van de premie, maar over de toepasbaarheid van opslagen bij de inkoop van pensioenrechten uit opgebouwd kapitaal. Bovendien kon een herijking niet eerder plaatsvinden dan per 1 januari 2013, dus niet al per 1 september 2010. Verder betwisten VMHP c.s. dat het inherent is aan het langlevenrisico dat dit voor rekening van VMHP c.s. moet komen.

Het beroep op wettelijke verplichtingen regardeert VMHP c.s. niet, omdat dat een uitvoeringskwestie betreft die mogelijk speelt tussen SPPF en Organon c.s.. VMHP c.s. staan daar buiten. Voorts verwijzen VMHP c.s. ter weerlegging van dit verweer naar de artikelen 17a en 128 PW.

2.1 In reactie op de dagvaarding hebben Organon c.s. - voor zover relevant - het navolgende aangevoerd. Juist is dat VMHP c.s. deelnemen in een zogenaamde BP-regeling, zoals door hen gesteld. Eveneens is juist dat de pensioenuitvoerder, SPPF, vanaf 1 september 2010 aangepaste inkooptarieven hanteert bij de inkoop van pensioenaanspraken of -rechten met het via de BP-regeling opgebouwde kapitaal. Deze aanpassingen betreffen:

a) een verzwaarde overlevingstafel;

b) een solvabiliteitsopslag;

c) een excasso opslag.

2.2 De vorderingen van VMHP c.s. komen er volgens Organon c.s. op neer dat zij van Organon c.s. verlangen dat zij vanaf 2009 tot in de verre toekomst alle op basis van veranderde waarderingsgrondslagen noodzakelijke aanpassingen van de inkooptarieven door de pensioenuitvoerder zullen compenseren. Dat is in strijd met de tussen partijen gesloten pensioenovereenkomst. De werkgever is tot niet meer verplicht dan tot afdracht van de met haar werknemers en hun vakverenigingen afgesproken premies. De inkooptarieven voor pensioenaanspraken en -rechten worden vastgesteld door de pensioenuitvoerder en daar staat de werkgever buiten. Organon c.s. hebben ook aan al hun informatieverplichtingen voldaan.

2.3 Het geldend pensioenrecht brengt een driehoeksverhouding tot stand, waarvan de basis is gelegen in de pensioenovereenkomst tussen werknemer en werkgever. Op grond van die overeenkomst is de werkgever verplicht een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst aan te gaan met een pensioenuitvoerder. Op grond van die uitvoeringsovereenkomst brengt de werkgever de pensioenaanspraken onder bij de pensioenuitvoerder en ontstaat een zelfstandige relatie tussen de werknemer en de pensioenuitvoerder. Die relatie met de pensioenuitvoerder is een contractuele. Zij wordt beheerst door het geldende pensioenreglement, waarin de aanspraken worden vastgelegd die voortvloeien uit de pensioenovereenkomst tussen werknemer en werkgever.

2.4 Ingevolge artikel 3.7 van het Pensioenreglement 2009 (overigens ongewijzigd overgenomen in het Pensioenreglement 2011) stelt de pensioenuitvoerder de inkooptarieven vast op basis van door het bestuur van de pensioenuitvoerder vast te stellenwaarderingsgrondslagen. De inkooptarieven vormen aldus een onlosmakelijk onderdeel van het pensioenreglement en spelen dus exclusief in de relatie tussen pensioenuitvoerder en werknemer. De werkgever staat daar buiten.

2.5 Op grond van het voorgaande voert Organon c.s. meer in het bijzonder de navolgende algemene verweren.

* Primair voeren Organon c.s. een ontvankelijkheidsverweer tegen een aantal specifiek genoemde, individuele, eisers (nrs. 10, 13, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 84, 103, 116 en 121), alsmede voor wat betreft gedaagde sub 1.

* Subsidiair zijn zij van mening dat VMHP c.s. hun vorderingen niet moeten richten tegen hen, maar dat zij hun pijlen moeten richten op de pensioenuitvoerder, SPPF.

* Meer subsidiair voeren Organon c.s. aan dat de rechtsverhouding tussen VMHP c.s. en Organon c.s. geen basis biedt voor toewijzing van het gevorderde, noch inhoudelijk, noch vanwege een schending van daaruit voortvloeiende informatieverplichtingen.

2.6 Ten aanzien van gedaagde sub 1 geldt dat VMHP c.s. niet bij haar in dienst zijn of zijn geweest en dat zij een eigen CAO hanteert, waarvan een eigen pensioenregeling deel uitmaakt. Die wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds MSD. Bij de nakoming van de BP-regeling die hier in geding is speelt gedaagde sub 1 geen enkele rol.

2.7 Ten aanzien van de eisers sub 10, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 116 en 121 geldt dat zij niet hebben deelgenomen en ook ten tijde van de dagvaarding niet deelnamen aan de BP-regeling. De eisers sub 13, 84 en 103 hebben hun belegde premies al vóór 1 september 2010 omgezet in een aanspraak of recht op ouderdomspensioen, [eiser nr. 13] per 1 januari 2010, [eiser nr. 84] per

1 februari 2010 en [eiser nr. 103] per 1 januari 2009. Zij worden daarom niet getroffen door de wijziging van de waarderingsgrondslagen. Om die reden hebben zij geen belang bij het gevorderde.

2.8 Het zijn niet Organon c.s., die de inkooptarieven voor de pensioenaanspraken of -rechten vaststellen. Dat gebeurt door de pensioenuitvoerder, SPPF. Tussen VMHP c.s. en SPPF bestaat een verbintenisrechtelijke relatie waarvan de inhoud wordt bepaald door het pensioenreglement. Wanneer VMHP c.s. van mening zijn dat wordt gehandeld in strijd met dat reglement, dienen zij SPPF daar op aan te spreken.

2.9 Uit de aard van de BP-regeling, een zuivere beschikbare premieregeling, vloeit voort dat niet alleen de beleggingsrisico's, maar ook de risico's met betrekking tot de vaststelling van de inkooptarieven voor rekening komen van de deelnemers. Uit de pensioenovereenkomst tussen VMHP c.s. en Organon c.s. vloeien voor Organon c.s. geen andere verplichtingen voort dan de verplichting tot afdracht van de overeengekomen premies aan de pensioenuitvoerder.

2.10 Een aanpassing van de inkooptarieven voor pensioenaanspraken en -rechten levert geen wijziging op van de bestaande pensioentoezeggingen, de pensioenovereenkomst of het pensioenreglement. In de vanaf 2001 geldende pensioenreglementen (prod. 10 bij antwoord, prod. 5 bij antwoord, prod. 4 bij dagvaarding, prod. 22 bij antwoord) is telkens als artikel 3.7 de navolgende bepaling opgenomen:

"Het BP-spaarsaldo wordt uiterlijk op de standaard pensioeningangsdatum, tenzij 7.3 met betrekking tot vervroeging van de standaard pensioeningangsdatum van toepassing is - op basis van door het bestuur vastgestelde geslachtsonafhankelijke waarderingsgrondslagen en overige waarderingsgrondslagen van het fonds aangewend voor verhoging van het levenslange ouderdomspensioen en - indien is deelgenomen aan AN pensioenreglement 2003 en voor zover omzetting nog niet heeft plaatsgevonden - een deel tijdelijk ouderdomspensioen."

Op grond van het pensioenreglement is het bestuur van SPPF bevoegd de waarderingsgrondslagen voor de inkoop van aanspraken en rechten aan te passen. Artikel 108 Pw. staat er aan in de weg dat Organon c.s. hier enige invloed op kunnen uitoefenen. De solvabiliteitstoeslag, de excasso-opslag en het langlevenrisico vallen onder de in deze bepaling bedoelde waarderingsgrondslagen.

2.11 In het onderhavige geval vindt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bij het pensioenfonds een omzetting plaats van het kapitaal dat door belegging is gevormd naar een annuïteit, een periodieke pensioenuitkering. Bij die omzetting hanteert het pensioenfonds een aantal inkoopfactoren, waarbij zij zich laat leiden door eigen ervaring, wet- en regelgeving en de eisen die de toezichthouder (De Nederlandse Bank) stelt. Bij de vaststelling van het inkooptarief spelen een aantal factoren een rol, waaronder de verwachting ten aanzien van de duur van het uit te betalen pensioen, de rente waarmee de te verwachten uitkeringen worden verdisconteerd, de met het uitbetalen samenhangende kosten en - voor commerciële pensioenaanbieders - een winstmarge.

2.12 Voor de pensioenfondsen geldt dat de inkoop van aanspraken en rechten kostendekkend moet zijn. Dit volgt ook uit het bepaalde in artikel 128 Pw.. Die bepaling geldt niet alleen voor de vaststelling van de omvang van de premie, maar ook voor de inkooptarieven, omdat het inkooptarief bij een BP-regeling bij de omzetting van het kapitaal in een pensioenuitkering de functie vervult van premie. Artikel 17a Pw. is hier niet van toepassing, omdat dat ziet op de kosten van beheer van de BP-regeling in de opbouwfase, niet op kosten bij het inkopen van pensioenaanspraken of -rechten.

2.13 Organon c.s. wijzen er nog op dat SPPF in 2003, 2008 en in 2009 al eerder de inkooptarieven heeft aangepast. In 2003 en 2008 was dat in verband met de toepassing van een nieuwe, verzwaarde, overlevingstafel. In 2003 vond hiervoor geen compensatie plaats. In 2008 heeft het bestuur van APF besloten om de stijging van de inkooptarieven eenmalig te compenseren uit eigen middelen. De wijziging in 2009 was minimaal en hield verband met een gewijzigde man-vrouwver-houding onder de deelnemers aan het SPPF ten opzichte van de deelnemers aan het APF. De nu aan de orde zijnde wijziging van de inkooptarieven berust op de invoering van een nieuwe overlevings-tabel. Tegen een dergelijke aanpassing hebben VMHP c.s. in het verleden nooit bezwaar gemaakt.

2.14 Het verwijt dat Organon c.s. informatieplichten zou hebben geschonden die voortvloeien uit de Pw. of het daarop berustende BuP gaat niet op, omdat deze regelgeving bij het aangaan van de pensioenregeling nog niet van kracht was. De BP-regeling dateert van 1 januari 2001. De regelgeving met betrekking tot de startbriefinformatie is pas in werking getreden met ingang van 1 januari 2008. Op grond van het toepasselijk overgangsrecht is die regelgeving niet van toepassing op pensioenovereenkomsten die vóór 1 januari 2008 tot stand zijn gekomen. Tot die datum was artikel 17, lid 1 Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) van toepassing. Behalve eisers nrs. 24 en 51 zijn alle eisers vóór 1 januari 2008 in dienst getreden.

2.15 Onder het regime van de PSW bestond voor de werkgever met betrekking tot een pensioenvoorziening geen verdergaande informatieplicht dan die uit artikel 7:655 BW. De pensioenuitvoerder kon volstaan met toezending van (de relevante delen van) haar statuten en reglementen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe pensioenregeling zijn de werknemers herhaaldelijk en uitvoerig geïnformeerd. Na goedkeuring van de Statuten 2001 en het Pensioenreglement 2003 zijn deze documenten in maart 2003 in boekvorm aan de werknemers verstrekt. Tot die tijd was het concept-Pensioenreglement 2001 (productie 10 bij antwoord) beschikbaar op de internetsite van het pensioenfonds. Medewerkers die nadien in dienst zijn getreden hebben een brochure ontvangen betreffende de BP-regeling en daarnaast ook de statuten en reglementen van het pensioenfonds. Daarmee is jegens hen aan alle wettelijke informatieplichten voldaan.

2.16 Organon c.s. voeren nog aan dat de pensioenregeling tot stand is gekomen in overleg met de vakverenigingen, waaronder eiseres sub 1. Uit een e-mailbericht d.d. 9 augustus 2000 (productie 13 bij antwoord) blijkt dat de vakverenigingen bij de onderhandelingen over de pensioenregeling hebben onderkend dat een inkooprisico bestond, in elk geval voor wat betreft de aanpassing van de sterftetabel. Ook uit een faxbericht van januari 2000 (productie 14 bij antwoord, pagina 4) volgt dat de vertegenwoordigers van de werknemers hebben onderkend dat aan de BP-regeling risico's waren verbonden. Door in te stemmen met de uiteindelijke regeling hebben zij die aanvaard.

Met betrekking tot eisers nr. 24 en 51 geldt dat zij op dezelfde wijze zijn geïnformeerd als de werknemers die vóór 1 januari 2088 in dienst zijn getreden.

2.17 VMHP c.s. kunnen geen aanspraken ontlenen aan de brochure uit 2009 die als productie 8 bij dagvaarding in het geding is gebracht (zie hiervoor onder 1.7). Voor zover VMHP c.s. betogen dat geen excasso toeslag mag worden doorberekend, zien zij voorbij aan het feit dat de in de brochure bedoelde kosten zien op de kosten voor het beheren van de beleggingsportefeuille en het switchen tussen de verschillende beleggingsportefeuilles of het kopen van pensioenaanspraken. De excasso toeslag dient ter dekking van kosten die gemaakt moeten worden na aankoop van de pensioenrechten, bij het uitkeren van de pensioenbetalingen. De excasso toeslag betreft dus geen vergoeding voor de kosten voor het kopen van de pensioenuitkering.

3.1 Bij repliek is namens VMHP c.s. erkend dat juist is hetgeen Organon c.s. hebben aangevoerd met betrekking tot eisers nrs. 10, 13, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 84, 103, 116 en 121. Namens VMHP c.s. is erkend dat zij om de door Organon c.s. aangevoerde redenen geen belang hebben bij toewijzing van het gevorderde.

3.2 VMHP c.s. betwisten de relevantie van het feit dat de Pensioenwet pas met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden. Ook voordien had het, aldus VMHP c.s., op de weg van Organon c.s. gelegen om haar werknemers deugdelijk in te lichten met betrekking tot de risico's die zij liepen bij het aangaan van de BP-regeling. Volgens VMHP c.s. blijkt uit niets dat VMHP c.s. of hun vertegenwoordigers vóór aanvang van de huidige pensioenregeling hebben ingestemd met de omstandigheid dat het langlevenrisico, de solvabiliteitsopslag of de excasso opslag voor hun rekening zou komen.

Voor het overige hebben VMHP c.s. volhard in hun vorderingen, deze nader toegelicht en het door Organon c.s. gevoerde verweer weersproken. Zo ook in hun reactie op de bij dupliek overgelegde producties.

4. Organon c.s. merken bij dupliek op dat VMHP c.s. niet betwisten dat gedaagde sub 1 ten onrechte in rechte wordt betrokken en erkennen dat de eisers nrs. 10, 13, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 84, 103, 116 en 121 geen belang hebben bij het gevorderde. Voor het overige handhaven Organon c.s. hun verweer. Ook zij hebben dat nader toegelicht en onderbouwd.

5. Voor zover hier of later in dit vonnis niet aangehaald, dient de inhoud van de gewisselde processtukken als hier ingelast te worden beschouwd.

3. De beoordeling.

6. 1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

VMHP c.s. zijn werknemers of gewezen werknemers van gedaagden sub 2, 3, 4 en/of 5. Op grond van hun arbeidsovereenkomst en de daarop toepasselijke CAO bestaat tussen hen en gedaagden sub 2, 3, 4 en 5 een pensioenovereenkomst. In de CAO is opgenomen dat in het bedrijf van de werkgever een pensioenregeling bestaat in de vorm van een combinatie van een collectieve beschikbare middelloonregeling met een individuele beschikbare premieregeling (artikel 14.1 van de meest recente versie van de CAO). Op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 1 sub 2 van de CAO neemt iedere werknemer deel aan de pensioenregeling, tenzij de pensioenregeling zelf anders bepaalt. De regeling is neergelegd in de statuten, de pensioenreglementen en het huishoudelijk reglement van SPPF. Zij is de rechtsopvolgster van de Stichting Pensioenfonds AkzoNobel, APF. De pensioenregeling zoals die thans bij Organon c.s. geldt vindt zijn oorsprong in de pensioenregeling die vanaf

1 januari 2001 van kracht was bij APF.

6.2 Het geschil betreft de uitvoering van de BP-regeling. Eisers nr. 10, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 116 en 121 zijn geen deelnemers aan deze regeling. Eisers nr. 13, 84 en 103 hebben vóór 1 sep-tember 2010 de door hen belegde premies al gebruikt voor de aankoop van pensioenaanspraken of pensioenrechten, zodat zij niet worden getroffen door de wijzigingen die per 1 september 2010 hebben plaatsgevonden met betrekking tot de inkoop van pensioenaanspraken of -rechten.

6.3 In de praktijk heeft de pensioenovereenkomst voor VMHP c.s. een gemengd karakter. Deels, tot aan het grensbedrag, betreft het een uitkeringsovereenkomst, deels, voor zover het loon het grensbedrag overtreft, een premieovereenkomst, en wel een zuivere premieovereenkomst. VMHP c.s. betalen een premie aan de pensioenuitvoerder, SPPF, die deze premie voor VMHP c.s. belegt. VMHP c.s. hebben daarbij een (beperkte) invloed op het beleggingsrisico, doordat zij kunnen kiezen uit een aantal beleggingsfondsen met verschillende risicoprofielen. Bij beëindiging van de deelname aan het pensioenfonds, dan wel bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd worden van het door belegging opgebouwde kapitaal respectievelijk pensioenaanspraken dan wel pensioenrechten ingekocht.

6.4 Per 1 september 2010 heeft het bestuur van SPPF een aantal maatregelen doorgevoerd die tot gevolg hebben dat de deelnemers aan de BP-regeling voor het door belegging van hun premies opgebouwde kapitaal een aanzienlijk lagere pensioenaanspraak of aanzienlijk lager pensioenrecht kunnen inkopen. Het verschil kan oplopen tot tientallen procenten ten opzichte van de voordien geldende regeling. VMHP c.s. zijn hierover ingelicht in een brief van 21 juli 2010 (productie 9 bij dagvaarding). De aangekondigde maatregelen betreffen meer in het bijzonder:

* een aanpassing van de tarieven voor inkoop op basis van de (hogere) levensverwachting;

* toepassing van een solvabiliteitsopslag;

* toepassing van een excasso opslag (opslag ter dekking van de kosten van uitbetaling van het pensioen) van 1,25%.

6.5 Uit hetgeen VMHP c.s. onder nummer 32 in de dagvaarding hebben aangevoerd (en Organon c.s. onder 5.57 bij antwoord hebben bevestigd) volgt dat de pensioenregeling tot stand is gekomen in een overleg tussen Organon c.s. en vertegenwoordigers van haar werknemers, waaronder ook eiseres sub 1.

De ontvankelijkheidsverweren.

7. Voor zover Organon c.s. de ontvankelijkheid van eiseres sub 1 hebben betwist, verwerpt de kantonrechter het verweer. Gelet op haar statutaire doelstelling, het bepaalde in artikel 3:305a BW en het onderwerp van dit geding kan zij geacht worden een belang te hebben bij hetgeen ter beoor-deling aan de kantonrechter is voorgelegd.

8. Nu namens VMHP c.s. is erkend dat de eisers nrs. 10, 13, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 84, 103, 116 en 121 geen belang (meer) hebben bij het gevorderde zullen deze eisers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Waar in het vervolg van dit vonnis wordt gesproken over "VMHP c.s.", bedoelt de kantonrechter enkel nog die werknemers die deelnemen aan de BP-regeling, derhalve niet de niet-ontvankelijk te verklaren eisers.

De betrokkenheid van gedaagde sub 1.

9. Het namens gedaagde sub 1 gevoerde verweer, hiervoor verwoord in r.o. 2.6, is door VMHP c.s. op geen enkele wijze weersproken. Daarom staat vast dat geen der eisers in dienst is of is geweest van gedaagde sub 1, terwijl gedaagde sub 1 ook op geen enkele wijze betrokken is bij de pensioenovereenkomsten waar VMHP c.s. hun vorderingen op baseren. Voor wat betreft gedaagde sub 1 zal het gevorderde dan ook worden afgewezen, omdat na gevoerd verweer niet is gebleken dat voor wat betreft de besloten vennootschap Merck Sharp & Dohme B.V. enige grond voor toewijzing van het gevorderde bestaat.

De beoordeling inhoudelijk: kunnen Organon c.s. in rechte betrokken worden?

10. De vordering van VMHP c.s. berust op de grondslag dat Organon c.s. tekortschieten in de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit een tussen VMHP c.s. en Organon c.s. bestaande pensioenovereenkomst, doordat Organon c.s. VMHP c.s. niet op de hoogte zouden hebben gesteld van alle risico's die zijn verbonden aan de BP-regeling. Het standpunt van VMHP c.s. komt er op neer dat bij verwezenlijking van de risico's waar Organon c.s. niet voor heeft gewaarschuwd de ge-volgen daarvan voor rekening moeten komen van Organon c.s.. Voor een beslissing in deze vraag is dus van belang om vast te stellen welke (informatie)verplichtingen voor Organon c.s. voortvloei-en uit de bestaande pensioenovereenkomst en de daarop toepasselijke regelgeving.

De rechtsverhouding tussen VMHP c.s. en SPPF en daaruit voortvloeiende rechten en/of verplich-tingen voor VMHP c.s. of SPPF zijn in beginsel in dit geding niet direct aan de orde, omdat VMHP c.s. SPPF niet in dit geding hebben betrokken.

11. In artikel 14.1 CAO is bepaald dat in het bedrijf van Organon c.s. een pensioenregeling bestaat. Op grond van de CAO is de pensioenregeling een combinatie van een collectieve beschik-bare middelloonregeling met een individuele beschikbare premieregeling en (artikel 14.1.1) is deze regeling neergelegd in de Statuten, de pensioenreglementen en het huishoudelijk reglement van de Stichting Schering-Plough Pensioenfonds. Tussen VMHP c.s. en Organon c.s. bestaat in dat geval een pensioenovereenkomst, waarvan de inhoud wordt bepaald door de statuten, pensioenreglement-en en het huishoudelijk reglement van SPPF. De inhoud van deze stukken is door verwijzing in artikel 14.1.1 geïncorporeerd in de arbeidsvoorwaarden die krachtens CAO gelden tussen Organon c.s. en VMHP c.s.. De inhoud van de statuten, pensioenreglementen en het huishoudelijk reglement van SPPF vormt aldus een verzameling van bepalingen ten aanzien van pensioen die tussen VMHP c.s. en Organon c.s. krachtens CAO zijn overeengekomen.

12. Daarmee is gegeven dat VMHP c.s. Organon c.s. in beginsel kunnen aanspreken op nako-ming van het pensioenreglement als onderdeel van de tussen hen geldende arbeidsvoorwaarden. Het algemeen gevoerde verweer dat VMHP c.s. niet Organon c.s. maar SPPF in dit geding hadden moeten betrekken wordt daarom verworpen. Een tekortschieten van SPPF in de uitvoering van het pensioenreglement kan aan Organon c.s. worden tegengeworpen als een tekortschieten in de pensioenovereenkomst. Indien Organon c.s. van mening zijn dat gronden bestaan om SPPF aansprakelijk te houden voor claims die VMHP c.s. op hen maken wegens een tekortschieten van SPPF bij de uitvoering van het pensioenreglement, dan kunnen Organon c.s. overwegen om SPPF dienaangaande in vrijwaring op te roepen. Van die mogelijkheid hebben zij in dit geding overigens geen gebruik gemaakt.

De beoordeling inhoudelijk: schending van een informatieplicht.

13. Kern van het tussen partijen gerezen geschil is de vraag of Organon c.s. de gevolgen dienen te compenseren van het wijzigen van de inkoopvoorwaarden die SPPF hanteert bij het omzetten van het door belegging van de betaalde premies opgebouwde kapitaal in een pensioenaanspraak of -recht. VMHP c.s. beantwoorden die vraag positief, stellende dat de aansprakelijkheid voortvloeit uit de omstandigheid dat het risico's betreft waarover Organon c.s. hun geen informatie heeft verstrekt. De kantonrechter kan VMHP c.s. daar echter niet in volgen en overweegt daartoe het navolgende.

14. De BP-regeling is, zoals Organon c.s. terecht opmerken, een zuivere premieovereenkomst. Er worden immers niet onmiddellijk na betaling van de premie rechten op periodieke uitkeringen ingekocht, noch wordt de premie onmiddellijk aangewend voor een te verzekeren kapitaal. SPPF belegt de premies tot het moment waarop de deelnemer zijn deelneming aan het pensioenfonds beëindigt of, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, aanspraak gaat maken op een pensioenrecht. Op die momenten wordt het uit de belegde premies verkregen kapitaal omgezet in een pensioenaanspraak of pensioenrecht.

15. Simpel gezegd komt de regeling dus hier op neer dat tussen werkgever en werknemer een afspraak bestaat op grond waarvan de werknemer gedurende zijn dienstverband door belegging kapitaal opbouwt waarmee hij op een gegeven moment een product inkoopt. De hoeveelheid die de werknemer van dat product kan inkopen wordt niet bepaald door één factor (het resultaat van de beleggingen), maar door twee factoren. Naast de omvang van het door belegging opgebouwde, beschikbare, kapitaal wordt de hoeveelheid van het in te kopen product ook bepaald door de prijs van dat product ten tijde van de aankoop. Bij het aangaan van de BP-regeling zijn partijen geen vaste inkoopprijs voor de te verkrijgen rechten overeengekomen. Het standpunt van VMHP c.s. komt er nu op neer dat het risico van (grote) prijsstijgingen van het in te kopen product, waardoor uiteindelijk minder van dat product kan worden ingekocht dan voorzien bij het aangaan van de overeenkomst met de werkgever, voor rekening dient te komen van de werkgever, omdat deze expliciet voor dat risico had moeten waarschuwen.

16. Organon c.s. hebben de in de dagvaarding gegeven onderbouwing van de vordering, voor zover daarin wordt verwezen naar de regelgeving in de Pensioenwet en het BuP afdoende weerlegd door erop te wijzen dat deze regelgeving voor het gros van de eisers ten tijde van het aangaan van hun pensioenovereenkomst nog niet van toepassing was. Het door Organon c.s. op dit punt gevoer-de verweer is door VMHP c.s. bij repliek niet weersproken. Aangenomen moet daarom worden dat, behoudens ten aanzien van eisers sub 24 en 51, voor de vaststelling van hetgeen de wettelijke regelgeving bepaalde ten aanzien van informatieplichten niet de Pensioenwet en het BuP leidend zijn, maar de wetgeving zoals die tot 1 januari 2008 gold. Organon c.s. hebben uitvoerig betoogd dat en waarom zij aan die informatieplichten hebben voldaan.

17. VMHP c.s. mogen dan vervolgens 24 pagina's benutten voor een betoog ter onderbouwing van hun gelijk, maar wanneer zij daarin niet concreet stellen op grond van welke norm een verder-gaande informatieplicht zou gelden dan de verplichtingen die Organon c.s. zijn nagekomen, kan het gevoerde betoog niet leiden tot de conclusie dat Organon c.s. een in het kader van de pensioenover-eenkomst bestaande informatieverplichting hebben verzaakt of geschonden.

18. Daarbij merkt de kantonrechter nog het navolgende op. Uit zijn aard is de pensioenregeling een regeling die in overleg tussen werkgevers en vertegenwoordigers van de werknemers tot stand komt. In het onderhavige geval is dat ook zo geweest en niet weersproken is dat eiseres sub 1, althans een andere vertegenwoordiger van het middelbaar en hoger personeel van Organon c.s. en in elk geval vertegenwoordigers van de vakbonden, bij het overleg over de pensioenregeling betrokken zijn geweest. Van deze vertegenwoordigers mag worden verwacht dat zij de specifieke kennis in huis hebben om de consequenties van het aangaan van een bepaalde regeling te doorzien, dan wel dat zij zich laten bijstaan door ter zake deskundigen die die consequenties kunnen door-zien. De door Organon c.s. in het geding gebrachte producties 13 en 14 bij antwoord geven ook voldoende aan dat de vertegenwoordigers van de werknemers van Organon c.s. bij de gevoerde onderhandelingen over de pensioenregeling zoals die toen tot stand is gebracht (en nu nog steeds luidt) hebben onderkend dat de BP-regeling meer risico's met zich meebracht dan enkel een beleggingsrisico met betrekking tot de in te leggen premies, en in elk geval ook het langlevenrisico. De aard van de regeling brengt met zich mee dat bij de uitleg van de regeling die kennis aan VMHP c.s. kan worden toegerekend.

De beoordeling inhoudelijk: tekortschieten in de uitvoering van het pensioenreglement.

19. Verwezen zij hier naar artikel 3.7 van het Pensioenreglement, aangehaald in r.o. 2.10.

Op grond van deze bepaling stelt het bestuur van SPPF de waarderingsgrondslagen vast waartegen het opgebouwd kapitaal wordt aangewend voor de verhoging van het ouderdomspensioen. De op de BP-regeling berustende pensioenaanspraken of -rechten worden ingekocht met het daartoe door belegging van premies opgebouwde BP-spaarsaldo, vermeerderd met de in artikel 3.5 van het pen-sioenreglement genoemde posten. Dat kapitaal verschiet bij inkoop van pensioenaanspraken of -rechten van spaarkapitaal in premie voor die aanspraken of rechten. Uitgangspunt bij de inkoop van pensioenaanspraken of -rechten is dat die premie kostendekkend moet zijn (art. 128 Pw.).

20. Artikel 128 Pw. legt daarbij in de eerste plaats een verband tussen de omvang van de premie en de aangroei van pensioenverplichtingen. De premie moet actuarieel benodigd zijn om de aangroei van de pensioenverplichtingen te dekken. Bij de actuariële vaststelling van de benodigde premie speelt de (gemiddelde) levensverwachting van de deelnemer een belangrijke rol. Tot de waarderingsgrondslagen van artikel 3.7 van het pensioenreglement behoort naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in elk geval het langlevenrisico (de "overlevingstafel"). Een wijziging van de levensverwachtingen zal zijn gevolgen hebben voor de omvang van het door het pensioenfonds uit te keren pensioen en daarmee voor de omvang van het in te kopen recht. Wanneer deelnemers aan een pensioenfonds gemiddeld langer leven en wanneer een pensioenfonds niet mag interen op zijn vermogen, zal de deelnemer bij gelijkblijvende inleg minder pensioen kunnen genieten. Het risico van een wijziging in de levensverwachting kan SPPF op grond van artikel 3.7 doorberekenen in de waarderingsgrondslag bij inkoop. Dat levert geen schending van het pensioenreglement op en daarom ook geen tekortschieten van Organon c.s. in de nakoming van de pensioenovereenkomst met VMHP c.s..

21. Voor wat betreft de excasso opslag en de solvabiliteitsopslag is door VMHP c.s. niet betwist dat de noodzaak tot het berekenen daarvan voortvloeit uit de economische omstandigheden dan wel uit de toepasselijke wet- en regelgeving. Redenen waarom SPPF in dat geval (en deson-danks) deze opslagen niet zou mogen betrekken bij de vaststelling van de inkoopprijs van pen-sioenaanspraken of -rechten zijn door VMHP c.s. niet aangevoerd. Aangenomen moet dan worden dat SPPF daartoe op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van het pensioenreglement kon overgaan. Ook ten aanzien van het toepassen van deze opslagen geldt dan dat dit geen tekortschieten oplevert van SPPF in de nakoming van het pensioenreglement en, daarmee, evenmin een tekortschieten van Organon c.s. in de nakoming van de pensioenovereenkomst met VMHP c.s..

Overigens zijn deze opslagen naar het oordeel van de kantonrechter geen kosten zoals bedoeld in de brochure uit 2009 (prod. 8 bij dagvaarding), aangehaald in r.o. 1.7. De daar bedoelde kosten zijn de administratie- en provisiekosten die samenhangen met het veranderen van de beleggingsporte-feuille en de aankoop van pensioenrechten, niet de kostprijs van de pensioenrechten zelf.

22. VMHP c.s. hebben bij repliek nog aangevoerd dat het pensioenreglement (en daarmee de pensioenovereenkomst) niet duidelijk omschrijft wat moet worden verstaan onder de "waarderings-grondslagen", genoemd in artikel 3.7 van het pensioenreglement en dat deze bepaling daarom zou moeten worden uitgelegd door te bezien welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Ten aanzien van hetgeen VMHP c.s. redelijkerwijs mogen verwachten is de kantonrechter van oordeel dat als algemeen bekend mag worden verondersteld dat in beginsel een koper die de wens te kennen geeft om op termijn een product te kopen zonder daarbij een vaste prijs te bedingen zelf het risico draagt van prijswijzigingen van dat product tussen het moment waarop hij de wens tot aankoop te kennen geeft en het moment waarop de koop daadwerkelijk tot stand komt. Los van de vraag of hier toepassing van het Haviltex-criterium aan de orde is, gelet op de aard van de regeling, geldt bovendien op dit punt hetgeen hiervoor in r.o. 18 al is overwogen. Organon c.s. hebben afdoende aangetoond dat de vertegenwoordigers van de werknemers die bij de onderhandelingen over de pensioenregeling betrokken waren zich bij de totstandkoming van die regeling bewust waren van het feit dat de BP-regeling niet alleen een beleggingsrisico kende, maar ook andere risico's. Bij instemming met de pensioenregeling hebben de vertegenwoordigers van VMHP c.s. die risico's aanvaard.

De beoordeling inhoudelijk: schending van de eisen van goed werkgeverschap.

23. Ten slotte hebben VMHP c.s. nog aangevoerd dat de eisen van goed werkgeverschap met zich meebrengen dat Organon c.s. de negatieve gevolgen voor VMHP c.s. van de wijziging van de waarderingsgrondslagen door SPPF compenseren. Ook dit standpunt kan de kantonrechter niet delen. Hiervoor is al overwogen dat bij de inkoop op termijn prijswijzigingen in beginsel voor risico van de koper komen. Indien dat risico in geval van de inkoop van pensioenaanspraken moet worden uitgesloten, moeten partijen kiezen voor een ander type pensioenovereenkomst, waarbij op de pensioengerechtigde leeftijd of bij het beëindigen van de deelneming een tevoren vastgestelde, gegarandeerde, aanspraak of recht ontstaat (uitkeringsovereenkomst), dan wel de betaalde premie niet wordt belegd, maar onmiddellijk wordt omgezet in een pensioenaanspraak. Wanneer werkne-mers (vertegenwoordigd door ter zake kundige belangenbehartigers) en werkgevers in vrije onder-handelingen tot overeenstemming komen over een regeling waarbij op dat moment kenbare risico's bij de werknemers blijven liggen, bestaat geen grond voor een oordeel dat de eisen van goed werkgeverschap met zich meebrengen dat bij verwezenlijking van die risico's de gevolgen daarvan voor rekening van de werkgever moeten komen.

24. Zou op dit punt anders worden geoordeeld dan hiervoor, dan zou elke (macro-)econo-mische ontwikkeling die leidt tot negatieve effecten voor een via een zuivere premieovereenkomst getroffen ouderdomspensioenvoorziening leiden tot het ontstaan van (enorme) vergoedingsver-plichtingen voor werkgevers. Verder redenerend op de door VMHP c.s. aangevoerde grondslag zouden dan ook de gevolgen van het verhogen van de AOW-grens voor rekening van de werkge-vers moeten komen, in elk geval voor wat betreft de eisers die hierdoor getroffen worden. Organon c.s. hebben hen immers ook van dat risico niet op de hoogte gesteld. Het belang van de rechtszeker-heid brengt met zich mee dat een dergelijke consequentie, die zou zijn verbonden aan een erken-ning van hetgeen VMHP c.s. aanvoeren ten aanzien van de eisen van goed werkgeverschap, niet zonder meer kan worden aanvaard. Daarbij - het zij hier herhaald - geldt dat het werknemers (of hun vertegenwoordigers) vrij staat zich tegen de gevolgen van dergelijke economische ontwikke-lingen in te dekken door een andere vorm van pensioenovereenkomst te bedingen.

Slotsom.

25. Het voorgaande voert de kantonrechter dan tot de conclusie dat een deel van de eisers niet kan worden ontvangen in hun vorderingen. De vorderingen zijn, voor zover gericht tegen gedaagde sub 1, niet toewijsbaar, omdat tussen eisers en gedaagde sub 1 geen pensioenovereenkomst of arbeidsrechtelijke relatie bestaat. Voor wat betreft de overige gedaagden bestaan evenmin gronden om het gevorderde toe te wijzen, ook niet voor wat betreft gedaagden sub 24 en 51, omdat Organon c.s. na gevoerd verweer zijdens VMHP c.s. ook niet specifiek voor deze eisers hebben gesteld waarom welke informatieplichten zouden zijn geschonden.

26. Beslist wordt daarom als na te melden, waarbij VMHP c.s. als de in het ongelijk gestelde partijen zullen worden verwezen in de kosten van dit geding. Gelet op de vermoedelijke omvang van het geldelijk belang bij deze zaak en gelet op de complexiteit van de problematiek zal de kantonrechter daarbij de hoogste trap van het liquidatietarief toepassen (twee punten ad € 1.200,=).

4. De beslissing.

De kantonrechter:

Verklaart eisers sub 10, 13, 15, 18, 19, 48, 54, 62, 67, 84, 103, 116 en 121 niet-ontvankelijk;

Wijst voor wat betreft de overige eisers de vorderingen af;

Veroordeelt eisers in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op € 2.400,= als tegemoetkoming in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast).

Aldus gewezen te 's-Hertogenbosch door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en aldaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: RC/Coll.:

* De kantonrechter maakt sedert 1 januari 2002 onderdeel uit van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

801532 CV EXPL 84/12 blad 14

vonnis