Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6431

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
01/845290-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het plegen van ontuchtige handelingen met kleindochter. Vrijspraak ten aanzien van het plegen van ontucht met twee andere kleindochters.

Opgelegd een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en toezicht van de reclassering, een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en schadevergoeding aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845290-12

Datum uitspraak: 08 april 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 februari 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 4 juli 2012 te Elshout, gemeente Heusden en/of te Aalst, althans in

Nederland, met zijn, verdachtes kleindochter, [slachtoffer 1] (geboren [2002]) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

het wrijven over/bij en/of het betasten van de vagina en/of de schaamstreek

en/of het onderlichaam en/of het wrijven tussen de schaamlippen en/of het

betasten van de schaamlippen van die [slachtoffer 1],

terwijl die [slachtoffer 1] (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en/of opvoeding

en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

artikel 247 jo 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 4 juli 2012 te Elshout, gemeente Heusden en/of te Aalst, althans in

Nederland, met zijn, verdachtes kleindochter, [slachtoffer 2] (geboren [2005]) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

het wrijven over/bij en/of het betasten van de vagina en/of de schaamstreek

en/of het onderlichaam van die [slachtoffer 2],

terwijl die [slachtoffer 2] (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en/of opvoeding

en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

artikel 247 jo 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 6 juli 2012 te Elshout, gemeente Heusden en/of te Maarheeze,

althans in Nederland, met zijn, verdachtes kleindochter, [slachtoffer 3]

(geboren [2002]) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

(telkens) bestaande uit

het wrijven over/bij en/of het betasten van de vagina en/of de schaamstreek

en/of het onderlichaam van die [slachtoffer 3],

terwijl die [slachtoffer 3] (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en/of

opvoeding en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

artikel 247 jo 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van feit 2 en feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende wettige bewijsmiddelen bevinden voor een bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd. Verdachte heeft bekend dat hij ontucht heeft gepleegd met zijn kleindochter [slachtoffer 1]. Verdachte heeft echter ontkend ontucht te hebben gepleegd met zijn kleindochters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Buiten de verklaring van [slachtoffer 2] voor wat betreft feit 2 en [slachtoffer 3] voor wat betreft feit 3 bevinden zich geen andere ondersteunende verklaringen in het dossier, waarvan de inhoud niet rechtstreeks afkomstig is van de aangeefsters zelf.

De rechtbank ziet bovendien redenen om te twijfelen aan de verklaringen van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3], omdat niet uitgesloten kan worden dat hun verklaringen door verklaringen of emoties van familieleden zijn beïnvloed. Uit de verklaring van [persoon 1], de moeder van [slachtoffer 2], blijkt dat [slachtoffer 2] eerst op 7 augustus 2012 heeft verklaard dat haar opa over haar vagina heeft gewreven. Dat is enkele weken nadat er in de familie is gesproken over de door opa gepleegde ontucht. Het is op de dag dat haar zus [slachtoffer 1] in de studio is verhoord. Op die dag is aan [slachtoffer 2] verteld dat opa iets stouts heeft gedaan en door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] is haar verteld dat er mensen zijn die wel eens over muisjes wrijven. (pag. 127) [slachtoffer 3] verklaart eerst over de vermeende seksuele handelingen door opa nadat [slachtoffer 1] haar heeft gevraagd of opa het ook bij haar deed. Ook haar verklaring in het studioverhoor roept vraagtekens op over de betrouwbaarheid van haar verklaring dat opa haar ontuchtig heeft aangeraakt. [slachtoffer 3] geeft op concrete vragen naar feitelijke handelingen geen antwoord of ze zegt dat ze het niet weet,

De rechtbank acht op grond van het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 juli 2012 te Elshout, gemeente Heusden en te Aalst met zijn, verdachtes kleindochter, [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 2002) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt,

een ontuchtige handeling heeft gepleegd, telkens bestaande uit het wrijven over/bij en/of het betasten van de vagina en/of de schaamstreek en/of het onderlichaam en/of het wrijven tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1],

terwijl die [slachtoffer 1] telkens aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van hetgeen onder feit 1, 2 en 3 is tenlastgelegd.

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden: meldingsgebod, behandelverplichting en contactverbod met betrekking tot de kleinkinderen.

Deze bijzondere voorwaarden dienen direct uitvoerbaar te worden verklaard ex artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dienen voor wat betreft het materiële gedeelte te worden toegewezen en voor wat betreft het immateriële gedeelte refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee:

Verdachte heeft de bewezen verklaarde handelingen aan zijn slachtoffer opgelegd en geen enkel respect getoond voor de gevoelens van het slachtoffer en de gevolgen die dit misbruik voor de ontwikkeling en vorming van een (jong) kind kan hebben.

Door zijn handelen heeft hij ernstig misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op het slachtoffer had als volwassene en het vertrouwen dat het slachtoffer, dat aan zijn zorg was toevertrouwd, in hem als opa stelde. Verdachte heeft de belangen van het slachtoffer volledig veronachtzaamd en heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit, hetgeen in het algemeen als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich kan brengen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee:

Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door klinisch psycholoog F. van Nunen van 24 december 2012 blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feit in licht verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 2 en feit 3.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank ziet geen aanleiding om -zoals door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd- de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht ex artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Voorwaarde voor het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. De reclassering heeft in haar rapportage van 18 december 2012 geconcludeerd dat er sprake is van een laag recidiverisico.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod aan verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 1000,- en materiële schadevergoeding voor een bedrag van € 1124,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de post immateriële schadevergoeding, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dat onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 247, 248.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit wordt begaan tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

T.a.v. feit 1:

Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit

en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d,

tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich (uiterlijk) binnen drie dagen na onherroepelijk worden van

dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer 073-6408080.

Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de

reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6,

5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de

naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te

begeleiden.

T.a.v. feit 1:

Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2124,74 subsidiair 31 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 2124,71

(zegge: tweeduizendhonderdvierentwintig euro en eenenzeventig eurocent), bij

gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis. Het

bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1000,- immateriële schadevergoeding en

materiële schadevergoeding EUR 1124,71.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1],

van een bedrag van EUR 2124,71 (zegge: tweeduizendhonderdvierentwintig euro en

eenenzeventig eurocent), te weten EUR 1000,- immateriële schadevergoeding en

materiële schadevergoeding EUR 1124,71.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 3:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 13 september 2012 reeds geschorst. .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. M. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers, griffier,

en is uitgesproken op 8 april 2013.

Mr. Kooijmans-de Kort en mr. Smit zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.