Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ2665

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
859783
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:4744
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4484, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Hennepknipperij. Het inrichten van een deel van een huurwoning als hennepknipperij levert op zich geen grond op om de huurovereenkomst te ontbinden. Het beleid om bij het inrichten van hennepkwekerijen tot ontbinding van huurovereenkomsten over te gaan berust op de omstandigheid dat door het aanleggen van de kweekinstallatie vernielingen plaatsvinden in de woning. Bovendien neemt daardoor de kans op brand en/of waterschade aanmerkelijk toe, met alle gevolgen van dien voor de buren en de verzekerbaarheid van het woningbezit. Deze omstandigheden, schade en een verhoogd risico, doen zich in geval van een hennepknipperij niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 859783/7

Rolnummer : 12-9805

Uitspraak : 21 februari 2013

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Woonveste,

gevestigd en kantoorhoudende te Drunen, gemeente Heusden,

eiseres,

gemachtigde: mw. mr. M.L.W. Weerts,

advocaat te ’s-Hertogenbosch,

t e g e n :

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [adres],

gedaagden,

gemachtigde: mr. G.C.L. van de Corput,

advocaat te Breda.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘Woonveste’ en ‘[gedaagden]’.

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding van 24 oktober 2012, met producties;

b. de conclusie van antwoord;

c. de akte aanvullende producties van Woonveste;

d. de tweede akte aanvullende producties van Woonveste;

e. de aantekeningen van de griffier van de op 21 januari 2013 gehouden comparitie van

partijen.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Sedert 1 april 1992 verhuurt de rechtsvoorgangster van Woonveste aan [gedaagde sub 1] en thans van rechtswege mede aan zijn echtgenote [gedaagde sub 2], de woning aan de [adres en woonplaats]. De woning wordt gehuurd voor een huurprijs van thans € 472,97 kale huur per maand, te vermeerderen met € 1,00 glasverzekering.

Op 18 september 2012 is door de politie Brabant Noord een inval gedaan in de betreffende woning.

3. Het geschil

3.1. Woonveste voert aan dat bij de door de politie in de woning gedane inval een (professionele) hennepknipperij is aangetroffen. De kelder van de woning zou zijn ingericht als hennepknipperij en daarnaast zijn materialen aangetroffen voor een (professionele) hennepknipperij in de kelder van de woning van [gedaagden]. [gedaagden], aldus Woonveste, handelen in strijd met de bepalingen uit de Opiumwet.

Het is voor [gedaagden] als huurders niet toegestaan een hennepknipperij in het gehuurde te exploiteren of te doen exploiteren, temeer daar een hennepknipperij als onderdeel van een hennepkweekproces, overlast kan veroorzaken en een nadelige invloed heeft op de uitstraling en leefbaarheid van de woonomgeving.

3.2 Naar de mening van Woonveste was de hennepknipperij van dien omvang (vele scharen met hennepresten, vele bakken met hennepresten, € 20.000,-- aan contant geld, twee vuurwapens en ruim twee kilo hennep), dat in het geval van [gedaagden] gesproken kan worden van een bestemmingswijziging, althans van een ontbindingsrechtvaardigende toerekenbare tekortkoming. Met betrekking tot de gestelde bestemmingswijziging is van belang dat het gehuurde uitsluitend als woning mag dienen en dat door het houden van een (professionele) hennepknipperij de bestemming van de woning deels is gewijzigd.

Er is aldus sprake van een toerekenbare tekortkoming van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst aan de kant van [gedaagden] welke een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt.

Woonveste vordert deze ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

3.3 [gedaagden] hebben de vordering betwist. Primair ontkennen [gedaagden] dat er in de woning een (professionele) hennepknipperij is aangetroffen. De kelder van de woning is door hen gebruikt waarvoor deze bedoeld was, namelijk voor het opslaan van goederen.

Subsidiair, indien de aanwezigheid van een hennepknipperij in de kelder van het gehuurde rechtens zou komen vast te staan, zijn [gedaagden] van mening dat een dergelijke hennepknipperij niet met zich meebrengt dat dit zou leiden tot enige vorm van overlast, verloedering en/of tot een nadelig effect op de leefbaarheid en veiligheid in de woonomgeving, op grond waarvan een ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd zou zijn.

[gedaagden] ontkennen dat er sprake is van een bestemmingswijziging van het gehuurde.

Meer subsidiair verzoeken [gedaagden] een terme de grâce vast te stellen tot het moment waarop [gedaagden] andere passende woonruimte hebben gevonden.

4. De beoordeling

4.1 Nog los van de vraag of er in de kelder van de woning van [gedaagden] daadwerkelijk een hennepknipperij is aangetroffen - [gedaagden] ontkennen zulks en de aangetroffen zak met plantedelen bevatte tuinkruiden – ligt ter beoordeling voor of de eventuele aanwezigheid van een hennepknipperij in de woning dient te leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

Door Woonveste is aangevoerd dat een hennepknipperij als onderdeel van een hennepkweek-proces, overlast kan veroorzaken en een nadelige invloed heeft op de uitstraling en leefbaarheid van de woonomgeving. Waaruit deze overlast dan zou kunnen bestaan is door Woonveste niet nader omschreven. Voor de stelling dat een hennepknipperij onderdeel uitmaakt van een hennepkweekproces en dat dit tot indirecte schade en verloedering van de wijk kan leiden, verwijst Woonveste ondermeer naar een uitspraak van de kantonrechter Arnhem van 11 oktober 2010.

Dat een hennepknipperij onderdeel uitmaakt van het totale hennepkweekproces is een vaststelling die door de kantonrechter wordt gedeeld. Om vervolgens echter vast te stellen dat dit, onafhankelijk van de grootte van de knipperij en de overige omstandigheden van het geval, automatisch leidt tot de vaststelling dat dit kan leiden tot indirecte schade en verloedering van de wijk, gaat de kantonrechter te ver.

4.2 Buiten discussie staat dat het beleid van woningcorporaties met betrekking tot de inrichting van hennepkwekerijen in woningen helder is. Dat beleid wordt door de rechtspraak ten volle onderschreven, tot in hoogste instantie aan toe. Aan dat beleid ligt ten grondslag dat door de inrichting van een hennepkwekerij doorgaans bouwkundige schade wordt aangericht aan een woning en dat daarbij voorzieningen worden getroffen en installaties worden aangelegd die leiden tot een verhoogd risico op waterschade en brand in de woning, met alle gevolgen van dien voor belendende percelen en voor de verzekerbaarheid van het woningbezit. Die omstandigheid doet zich in het geval van een hennepknipperij echter niet voor.

4.3 Uitgaande van het door de politie opgemaakte proces verbaal zijn de spullen, die aanleiding gaven tot de verdenking dat er sprake is van een hennepknipperij, aangetroffen in ruimte, gelegen tussen de garage en de woning van [gedaagden], waartoe enkel toegang kon worden verkregen door een luik in de grond. Het betrof een kleine kelderruimte van 5,27 bij 4,34 meter. In de ruimte stonden een tweetal tafels, opgestapelde tuinstoelen en diverse goederen.

De inhoud van het aangetroffen zakje, waarvan aanvankelijk werd gedacht dat dit hennep(resten) betrof, blijkt na een test geen hennep te zijn geweest. Verder is gesteld noch gebleken dat er vanuit deze ruimte stankoverlast is veroorzaakt voor de directe omgeving. Ook is niet gesteld dat er bijvoorbeeld sprake is geweest van af- en aan rijdende auto’s. Het moge zo zijn dat indirecte schade en verloedering van de wijk niet daadwerkelijk dient te zijn verwezenlijkt, maar in het onderhavige geval zijn geen concrete feiten gesteld die een oordeel kunnen rechtvaardigen dat zich een overlastsituatie heeft voorgedaan of in de toekomst verwacht zou kunnen worden.

4.4 Verder is zijdens Woonveste nog aangevoerd dat [gedaagden] in strijd met de huurbepalingen een bestemmingswijziging hebben doorgevoerd, door de woning niet, althans niet alleen te gebruiken als woonbestemming. In rechte is echter niet meer gebleken dan dat de betreffende kelder, die naar mag worden aangenomen bestemd kan worden voor opslag van goederen, in feite voor niets anders dan dat is gebruikt. Dat er daarnaast mogelijk nog andere activiteiten in die kelder hebben plaatsgevonden, laat zulks onverlet. Van een relevante bestemmingswijziging van de woning is in dat geval naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Deze werd en wordt nog steeds hoofdzakelijk gebruikt als woonruimte voor [gedaagden].

4.5 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de gestelde toerekenbare tekortkoming van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst van de zijde van [gedaagden] in rechte niet is komen vast te staan en, voor zover deze al in rechte zou komen vast te staan, geenszins de gevorderde ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen met een verwijzing van Woonveste als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen af;

Veroordeelt Woonveste in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagden], tot aan deze uitspraak begroot op € 300,-- als tegemoetkoming in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast);

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen te ’s-Hertogenbosch door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en aldaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 859783 blad 4

vonnis