Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0913

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-02-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
Awb 11 / 4195
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen gebruik had mogen maken van zijn op artikel 55 Wwb gebaseerde bevoegdheid om eiseres de verplichting tot het volgen van het IGC-traject op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/4195

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2013

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. A.C.M. van Gool,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.A. Leijtens.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) verlaagd met 50%, voor de periode van één maand.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 november 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 november 2012, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Eiseres heeft vier kinderen. De oudste is geboren op 31 augustus 2000 en de jongste op 13 mei 2009.

3. De vier kinderen van eiseres zijn in het verleden onder toezicht gesteld geweest. Een in 2009 opgelegde ondertoezichtstelling (OTS) is in januari 2010 beëindigd. Voorts heeft er een OTS gelopen van 28 oktober 2011 tot 22 maart 2012.

4. Op 20 december 2010 heeft eiseres een overeenkomst ondertekend die inhoudt dat zij gaat deelnemen aan het traject Vroegtijdige Interventie in Gezinnen (VIG-traject). Het VIG-traject is een samenwerking tussen eiseres en de VIG-coach om de voor eiseres noodzakelijke hulp-, zorg- en dienstverlening te accepteren. De VIG-coach werkt onder andere samen met de gemeente, woningcorporatie, Bureau Jeugdzorg, Sociale Verzekeringsbank en Juvans. De naam van dit traject is in de loop van de procedure gewijzigd in Intensieve Gezins Coaching (IGC).

5. Het IGC-traject is een aanpak van meervoudige probleemgezinnen die een Wwb-uitkering hebben en kinderen onder de leeftijd van zestien waarbij pedagogische problemen/crimineel gedrag wordt vertoond. Het doel van de interventie is het tot stand brengen van orde en rust in het gezinssysteem van de cliënt door eerst de regie over te nemen en vervolgens de cliënt vaardigheden te leren. Er wordt daarbij gewerkt met een dwang en drang variant (niet vrijblijvende hulpverlening). De aanpak is multifunctioneel en is gericht op alle probleemgebieden die zich binnen het gezin voordoen, waaronder:

- criminaliteit en veiligheid

- scholing

- woonsituatie

- opvoeding en ondersteuning

- gezondheid en hygiëne

- administratie en schulden.

6. In verweerders rapportage van 18 augustus 2011 is vermeld dat tijdens een casusoverleg op 28 juni 2011 het volgende aan eiseres is voorgelegd:

- IGC-coach Paulien Joore, werkt samen met een medewerker van stichting MEE;

- In het belang van de voortgang van het IGC-traject wordt informatie gedeeld met de betrokken instanties;

- het niet meewerken aan het IGC-traject, samen met MEE, zal tot gevolg hebben dat Bureau Jeugdzorg de situatie van eiseres voorlegt aan de Raad van de Kinderbescherming.

7. Eiseres heeft tijdens dit overleg aangegeven aan bovenstaande niet te willen meewerken. Verweerder heeft hierop een brief aan eiseres verzonden met het verzoek om voor 4 juli 2011 aan te geven dat zij alsnog wil deelnemen. Eiseres heeft hierop opnieuw aangegeven dat zijn niet wil meewerken met MEE. Vervolgens is aan eiseres het voorstel gedaan om gezinsbegeleiding door Cello in plaats van MEE in te schakelen. Op 25 juli 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en een medewerker van Cello. Tegen deze medewerker en tegen haar casemanager heeft eiseres gezegd dat zij geen hulp van Cello of MEE wil accepteren.

Standpunten van partijen

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt aan het IGC-traject naar werk. Om die reden heeft verweerder aan eiseres een maatregel opgelegd van 50% korting op de bijstandsuitkering van eiseres gedurende één maand.

9. Eiseres heeft in beroep – samengevat – betoogd dat verweerder haar om een aantal redenen niet mocht dwingen tot deelname aan het IGC-traject. Volgens eiseres ontbeert het IGC-traject een wettelijke grondslag. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet uitgelegd waarom is gekozen voor dit ingrijpende traject van gezinscoaching met dwang en drang en er niet kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen. Van belang hierbij is dat de OTS voor de kinderen van eiseres was beëindigd en het juist weer beter ging in de thuissituatie. Het IGC-traject maakt op ontoelaatbare wijze inbreuk op het privéleven en gezinsleven van eiseres en haar kinderen en is daardoor in strijd met artikel 8 EVRM, aldus eiseres. Nu verweerder eiseres niet mocht dwingen tot deelname aan het IGC-traject, kan het haar ook niet worden tegengeworpen dat zij na aanvankelijke medewerking aan het traject uiteindelijk verdere medewerking heeft geweigerd. Dit kan dus evenmin een reden vormen om eiseres te korten op haar uitkering.

Oordeel van de rechtbank

10. Ingevolge artikel 55 van de Wwb kan het college, naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, Wwb verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

11. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 55 Wwb (Kamerstuk 2002-2003, 28870, nr. 3, Tweede Kamer) is het volgende opgenomen:

Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, naast de verplichtingen die op grond van hoofdstuk 2 aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, vanaf de dag van melding aan de belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of strekken tot vermindering of de beëindiging van de bijstand.

Het opleggen van deze nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer in de persoon gelegen problemen aan arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of verslavingsproblemen. Een actieve, zo nodig bemiddelende opstelling van burgemeester en wethouders om dergelijke factoren, door inschakeling van professionele hulp, weg te nemen is alsdan zeer gewenst. Burgemeester en wethouders kunnen, indien zij dit noodzakelijk achten voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van belanghebbende, aan de bijstand de verplichting verbinden dat belanghebbende een medische behandeling ondergaat dan wel enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening die naar zijn aard met een medische behandeling kan worden vergeleken. De zorgvuldigheid vergt dat burgemeester en wethouders, alvorens een dergelijke verplichting op te leggen, het deskundig advies inwinnen van een arts.

12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het IGC-traject een wettelijke grondslag ontbeert. Het IGC-traject kan worden aangemerkt als een verplichting die verband houdt met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekt tot zijn vermindering of beëindiging, als bedoeld in artikel 55 van de Wwb. De rechtbank volgt hierbij de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 7 februari 2011 (LJN: BP4880) en de rechtbank Amsterdam van 29 april 2010 (LJN: BM5316).

13. De vraag of verweerder in het onderhavige geval op goede gronden gebruik heeft gemaakt van de in artikel 55 Wwb opgenomen bevoegdheid door eiseres het IGC-traject op te leggen beantwoordt de rechtbank ontkennend. Redengevend daarvoor is het volgende.

14. Op basis van de hierboven weergegeven passage uit de MvT, gelezen in samenhang met de tekst van artikel 55 Wwb, is de rechtbank van oordeel dat voor uitoefening van de bevoegdheid van artikel 55 Wwb voldaan moet zijn aan twee voorwaarden. Ten eerste moet er sprake zijn van in de persoon gelegen problemen die aan arbeidsinschakeling in de weg staan. Ten tweede moet er een verband zijn met arbeidsinschakeling.

15. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende basis om te concluderen dat aan deze twee voorwaarden is voldaan.

16. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat er gekozen is voor het IGC-traject omdat het gezin van eiseres een zogenaamd ‘multi-probleemgezin’ is en vrijwillige hulpverlening geen oplossing meer bood. Eiseres kon hierdoor, aldus verweerder, niet geactiveerd worden richting arbeid. Er was sprake van meldingen van overlast in de buurt en intimidatie van buurtbewoners door het gezin, aldus verweerder ter zitting.

17. De rechtbank stelt vast dat zich onder de gedingstukken geen politiemutaties bevinden van de door verweerder genoemde overlast in de buurt en/of intimidatie van buurtbewoners. Ook overigens zijn er geen gedingstukken in het dossier die een onderbouwing vormen voor de informatie die verweerder ter zitting heeft verschaft. De mondelinge informatie van verweerder ter zitting vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende basis om aan te nemen dat daadwerkelijk sprake is van in de persoon van eiseres gelegen problemen die aan arbeidsinschakeling in de weg staan.

18. Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ten tijde van het opleggen van het IGC-traject in december 2010, de OTS van de kinderen van eiseres al enige tijd, namelijk sinds januari 2010, was beëindigd. Dit duidt erop dat er in de gezinssituatie van eiseres in elk geval enige verbetering was opgetreden. Dat er daarna van oktober 2011 tot 22 maart 2012 een nieuwe OTS is geweest doet daar niet aan af, nu die OTS dateert van na verweerders kortingsbesluit en dus geen betrekking heeft op de periode waarin het IGC-traject tot stand kwam. Bovendien is die nieuwe OTS blijkens het verhandelde ter zitting naar aanleiding van de weigering van eiseres om verder mee te werken aan het IGC-traject aangevraagd en uitgesproken. Nu niet in geschil is dat ook die OTS weer is beëindigd kan ook daarin geen grond worden gevonden om aan te nemen dat de gezinssituatie van eiseres structureel van dien aard was dat inzet van minder ingrijpende middelen dan het IGC-traject niet zou volstaan om de kennelijk in het gezin bestaande problemen weg te nemen.

19. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit de gedingstukken en verweerders toelichting hierbij ter zitting onvoldoende duidelijk is geworden op welke wijze het gekozen IGC-traject nu precies verband hield met arbeidsinschakeling van eiseres. Verweerder heeft ter zitting niet concreet kunnen verduidelijken of, en zo ja, op welke wijze arbeidsinschakeling onderdeel vormde van dan wel (mede) doel was van het traject.

20. Het IGC-traject maakt een zeer vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiseres en haar gezin door de frequentie van de contacten met de gezinscoach en het aanzienlijke aantal onderwerpen waarover de gezinscoach zich bemoeienis toeëigent. Naar het oordeel van de rechtbank dienen bij het opleggen van een dergelijke vergaande verplichting - mede in het licht van artikel 8 van het EVRM - strenge eisen te worden gesteld aan het onderzoek en de motivering ten aanzien van de doelmatigheid en proportionaliteit. Hetgeen over die beide aspecten is gezegd in het bestreden besluit voldoet gezien het hiervoor onder 18 en 19 overwogene niet aan deze eisen.

21. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder geen gebruik had mogen maken van zijn op artikel 55 Wwb gebaseerde bevoegdheid om eiseres de verplichting tot het volgen van het IGC-traject op te leggen. Hieruit vloeit logischerwijze voort dat verweerder, toen eiseres weigerde om verder mee te werken aan het traject, niet had mogen overgaan tot het opleggen van de maatregel van 50% korting op de bijstandsuitkering van eiseres.

22. Het beroep van eiseres is dan ook gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 55 van de Wwb.

23. Om het geschil finaal te beslechten ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, sub c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Dusdoende zal de rechtbank het bezwaar van eiseres gegrond verklaren en het besluit in primo herroepen zodat de kortingsmaatregel van de baan is. De rechtbank beslist hierbij tevens dat verweerder aan eiseres het over de maand augustus 2011 gekorte bedrag zal dienen te betalen, inclusief wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2011.

24. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar, begroot op € 944,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting). De rechtbank ziet voorts aanleiding voor veroordeling van verweerder in de proceskosten in beroep, begroot op € 956,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting; het genoemde bedrag bevat tevens reiskosten ten bedrage van € 12,00). De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- herroept het primaire besluit van 18 augustus 2011;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het gekorte bedrag aan bijstandsuitkering over de maand augustus 2011 betaalt, inclusief wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het bezwaar tot een bedrag van € 944,00;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het beroep tot een bedrag van € 956,00;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel als voorzitter en mr. H.J.M. Baldinger en mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2013.

?

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: