Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0842

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
861723
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geringe vordering in het kader van de EGPV-Vo. Eiser vordert schadevergoeding van een luchtvaartmaatschappij in Spanje, omdat zij zijn fiets weigerden bij het inchecken, terwijl eiser daarvoor wel een vliegticket had gekocht bij die luchtvaartmaatschappij. Kantonrechter te Eindhoven is onbevoegd. Het betreft weliswaar een consumentenzaak, maar artikel 15 EEX-Vo sluit luchtvaartzaken uit. Artikel 5 EEX-Vo geeft een alternatieve bevoegheidsregel. Onder verwijzing naar het Rehder-arrest, is de kantonrechter te Haarlem, als aankomstplaats van de vlucht, bevoegd kennis te nemen van het geschil. Daarbij wordt overwogen dat de EGPV-Vo geen doorzendplicht kent, maar dat, gelet op de eisen van artikel 6 EVRM en naar analogie van Rv, termen aanwezig zijn om deze zaak door te verwijzen naar de rechtbank Haarlem, sector kanton.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser, hierna [eiser],

procederend in persoon,

t e g e n

Vueling Airlines S.A.,

gevestigd te El Prat de Llobregat, Barcelona 08820, Spanje,

verweerder, hierna Vueling Airlines,

niet verschenen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

Het standaard vorderingsformulier A, met producties, van bijlage I van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: EPGV-Vo), ingekomen ter griffie op 13 november 2012.

De aangetekende brief van 7 december 2012 aan Vueling Airlines waarbij zij in de gelegenheid is gesteld binnen 30 dagen na dagtekening van die brief verweer te voeren tegen de vordering. Bij het schrijven heeft de griffier gevoegd antwoordformulier C met een kopie van vorderingsformulier A met producties en bijlage II van de Betekeningsverordening 1393/2007, waarbij Vueling Airlines de mogelijk is geboden de stukken te weigeren omdat ze in een taal zijn gesteld die zij niet begrijpt.

Vordering

[eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eiser] had een ticket gekocht voor een retourvlucht van Santiago SCQ, via Barcelona, naar Amsterdam op 10 augustus 2012. In het ticket was het vervoer van zijn fiets inbegrepen. Op de luchthaven bleek dat de - deels gedemonteerde - fiets niet door de veiligheidsscan kon. Het luchthavenpersoneel weigerde de fiets in te nemen en verzocht [eiser] zelf naar een oplossing te zoeken. Uiteindelijk heeft [eiser] besloten de fiets met wegtransport naar Nederland te laten vervoeren. Zelf heeft hij een andere vlucht moeten boeken. Naar de mening van [eiser] heeft hij schade geleden doordat Vueling Airlines haar afspraak om de fiets van [eiser] te vervoeren niet is nagekomen. De schade ten bedrage van € 993,62 dient Vueling Airlines te vergoeden aan [eiser].

Verweer

Er is geen verweer gevoerd door Vueling Airlines.

De beoordeling

1. De Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Vo) is - zakelijk weergegeven - in grensoverschrijdende gevallen van toepassing in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 2.000,00, en zowel verzoeker als verweerder in een lidstaat wonen waarvoor de verordening geldt (artikel 2 lid 3 EPGV-Vo), een en ander behoudens de in artikel 2 lid 2 van de EPGV-Vo genoemde uitzonderingen.

2. De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de EPGV-Vo valt, nu [eiser] in Nederland woont en Vueling Airlines in Spanje gevestigd is, waarbij beide landen lidstaten zijn waarvoor de EPGV-Vo geldt.

3. Voorts dient de kantonrechter aan de hand van de verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken EG/44/2001(hierna EEX-Vo) te bepalen of hij als Nederlandse rechter bevoegd is, nu een aparte bevoegdheidsregeling in de EPGV-Vo ontbreekt.

4. [eiser] geeft in zijn verzoekschrift aan dat de kantonrechter te Eindhoven bevoegd is van het geschil kennis te nemen, op grond van de woonplaats van de consument. [eiser] is consument en woonachtig te [plaats], aldus [eiser].

5. In artikel 15 lid 3 van de EEX-Vo is expliciet opgenomen dat artikel 15 van de EEX-Vo, inhoudende dat ten aanzien vorderingen ingesteld door consumenten tevens kan worden geprocedeerd bij het gerecht van de woonplaats van de consument, niet op vervoersovereenkomsten van toepassing is. Dat artikel bepaalt - kort gezegd - dat in dit geval niet het gerecht van de woonplaats van [eiser], zijnde [plaats], bevoegd is kennis te nemen van het geschil.

6. Gelet op het voorgaande is de hoofdregel zoals opgenomen in artikel 2 van de EEX-Vo van toepassing. Dat artikel bepaalt dat de woonplaats van gedaagde, Vueling Airlines te Barcelona, in beginsel bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

7. In artikel 5 EEX-Vo zijn voorts enkele alternatieve bevoegdheidsgronden opgenomen die bepalen dat, in dit geval, Vueling Airlines, ook voor een ander gerecht in een andere lidstaat kan worden opgeroepen. Artikel 5 lid 1 sub b en tweede gedachtestreep EEX-Vo bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat óók kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of hadden moeten worden.

Het Hof van Justitie heeft onder andere overwogen (HvJ EU 9 juli 2009, C-204/08, in r.o. 40 en 41):

"De diensten die ter uitvoering van de verbintenissen uit een overeenkomst voor het vervoer van personen door de lucht worden verstrekt, betreffen namelijk het inchecken en instappen van de passagiers alsmede hun onthaal aan boord van het vliegtuig op de in de betrokken vervoerovereenkomst overeengekomen plaats van vertrek, het vertrek van het toestel op het voorziene tijdstip, het vervoer van de passagiers en hun bagage van de plaats van vertrek naar de plaats van aankomst, de zorg voor de passagiers tijdens de vlucht, en, ten slotte, het uitstappen van de passagiers in veilige omstandigheden op de plaats en het tijdstip van landing die in die overeenkomst zijn overeengekomen. In dit opzicht hebben ook de plaatsen waar het toestel eventueel een tussenlanding maakt geen toereikende band met de voornaamste uit deze overeenkomst voortvloeiende diensten

De enige plaatsen die een rechtstreekse band hebben met de genoemde diensten, die worden verstrekt ter uitvoering van de met het voorwerp van de overeenkomst verband houdende verbintenissen, zijn de plaats van vertrek en die van aankomst van het vliegtuig (..)".

8. De uitspraak van het Hof van Justitie is weliswaar een beantwoording van prejudiciële vragen in de context van een procedure ingevolge Verordening 261/2004 strekkende tot compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, maar betreft wél de uitleg van artikel 5 lid 1 sub b tweede gedachtestreep EEX-Vo. Het voorgaande leidt ertoe dat in het geval van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat op grond van een overeenkomst die is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij, die de vlucht uitvoert, de bepaling zo moet worden uitgelegd, dat het gerecht in het rechtsgebied waarvan de plaats van vertrek (Santiago) of de plaats van aankomst (Amsterdam Schiphol) van het vliegtuig zich bevindt, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen, bevoegd is van vorderingen als de onderhavige kennis te nemen.

9. De kantonrechter te Eindhoven acht zich gelet op het voorgaande onbevoegd ten aanzien van de door [eiser] ingestelde vordering. Nu de onderhavige zaak een vlucht naar Amsterdam Schiphol betreft, is op grond van artikel 5 lid 1 EEX-Vo de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Haarlem bevoegd.

10. Hoewel EGPV-Vo niet met zoveel woorden voorziet in een doorzendplicht bij relatieve onbevoegdheid, acht de kantonrechter, gelet op de eisen van artikel 6 EVRM en naar analogie van de bepalingen in het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering, termen aanwezig om deze zaak in de stand waarin zij zich bevindt door te verwijzen naar de rechtbank Haarlem, sector kanton.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven onbevoegd van het geschil kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Haarlem.

Gewezen door mr. P.P.M. Rousseau, kantonrechter, en op 31 januari 2013 uitgesproken op de openbare terechtzitting.