Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0233

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
Awb 12 / 633
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reikwijdte artikel 4, derde lid, Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria

Aangezien eiser niet voor een overtreding maar voor een misdrijf is veroordeeld, heeft verweerder artikel 4, vierde lid, van het Brt niet aan de afwijzing ten grondslag kunnen leggen. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook erkend, maar uiteengezet dat de afwijzingsgrond artikel 4, derde lid, van het Brt moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ook deze grond niet ten grondslag leggen aan de afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een toevoeging. De rechtbank leidt uit het systeem van het Brt en de Nota van Toelichting bij het Besluit van 21 september 2000, houdende wijziging van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria, het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Stb. 2000, 387) af dat artikel 4, derde lid, van het Brt niet op – kort gezegd – strafzaken ziet, maar op andere zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/633

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Gijsen),

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. R.B. van Dijken).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2011, verzonden op 9 december 2011, heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een toevoeging op grond van artikel 12, tweede lid, onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en artikel 4 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt) afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen mr. J.H.A. Nieste, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

De toevoeging is aangevraagd voor het instellen van beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem in een strafzaak tegen eiser. Het Gerechtshof Arnhem heeft eiser ter zake van mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

2. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gebaseerd op artikel 4, vierde lid, van het Brt.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de afwijzingsgrond, neergelegd in artikel 4, vierde lid, van het Brt toepassing mist, nu de strafzaak tegen eiser geen overtreding maar een misdrijf betreft. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

4. Artikel 4, derde lid, van het Brt bepaalt dat indien de rechtsbijstand betrekking heeft op een beroep in cassatie de toevoeging wordt geweigerd indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 1.000,–.

Artikel 4, vierde lid, van het Brt bepaalt dat indien de rechtsbijstand betrekking heeft op een beroep in cassatie in een strafzaak uitsluitend betreffende een of meer overtredingen jegens de verdachte de toevoeging wordt geweigerd, indien met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd of geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijke maximum – van € 250,–.

5. Aangezien eiser niet voor een overtreding maar voor een misdrijf is veroordeeld, heeft verweerder artikel 4, vierde lid, van het Brt niet aan de afwijzing ten grondslag kunnen leggen. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook erkend, maar uiteengezet dat de afwijzingsgrond artikel 4, derde lid, van het Brt moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ook deze grond niet ten grondslag leggen aan de afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een toevoeging. De rechtbank leidt uit het systeem van het Brt en de Nota van Toelichting bij het Besluit van 21 september 2000, houdende wijziging van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria, het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Stb. 2000, 387) af dat artikel 4, derde lid, van het Brt niet op – kort gezegd – strafzaken ziet, maar op andere zaken. De rechtbank wijst meer in het bijzonder op de volgende passage uit die nota van toelichting (p. 4 en 5):

“In het vierde lid van artikel 4 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria is bepaald dat een toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand in cassatie bij strafzaken betreffende een overtreding niet wordt verleend indien het financieel belang lager is dan 500 gulden. In het verleden was dit bedrag achthonderd gulden. Deze wijziging vloeit voort uit de voorstellen in het rapport “De toegang tot de cassatierechter in strafzaken” van de Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad (de zogenaamde commissie Haak), die hebben geresulteerd in de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat) (Stb. 467).

(…)

Die wet kent namelijk een zogenaamde appelgrens, die inhoudt dat in een overtredingszaak waarin in hoger beroep een geldboete is opgelegd die niet hoger is dan 500 gulden, géén beroep in cassatie openstaat (artt. 58, derde lid, en 68, derde lid, Wet op de rechterlijke organisatie). Daaruit moet worden afgeleid dat zaken met een financieel belang bóven die grens in beginsel van voldoende belang moeten worden geacht om de toegang tot cassatie te rechtvaardigen. In lijn met dit stelsel wordt in artikel 4, vierde lid, bepaald dat pas een toevoeging wordt afgegeven bij een belang groter dan 500 gulden.

(…)

In misdrijfzaken werkt de belangentoets zo uit dat vrijwel steeds een toevoeging wordt afgegeven, mits aan de overige vereisten, zoals de inkomens- en vermogensnormen, voor de toevoeging wordt voldaan. Om die reden is het niet nodig een nadere invulling aan de belangentoets te geven.”

6. Overigens heeft verweerder in het Handboek Toevoegen in aantekening 21 bij artikel 12 van de Wrb uiteengezet dat bij beroep in cassatie in alle gevallen (civiele zaken, bestuurszaken en belastingzaken) een minimumbedrag van € 360,00 geldt en in aantekening 22 bij artikel 12 van de Wrb dat het vierde lid van artikel 4 bepaalt dat een toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand in cassatie bij strafzaken betreffende een overtreding niet wordt verleend indien het financieel belang (de bij vonnis opgelegde boetes) lager is dan € 250,00. Aldus maakt verweerder ook in het Handboek Toevoegen het hiervoor weergegeven onderscheid tussen enerzijds civiele zaken, bestuurszaken, belastingzaken en anderzijds strafzaken.

7. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank ziet in dit stadium geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, onder meer omdat zij onvoldoende informatie heeft over eisers financiële positie ten tijde van de aanvraag.

9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te het gebrek te herstellen. Verweerder dient daarvoor nader te bezien of een andere afwijzingsgrond dan genoemd in artikel 4, derde lid, van het Brt, aan verlening van een toevoeging in de weg staat. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

10. Als verweerder geen gebruik wil maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na de dag waarop deze tussenuitspraak is verzonden de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.