Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0130

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
01/845169-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 296 dagen met aftrek voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde toezicht van de reclassering voor een bedreiging en een zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845169-12

Datum uitspraak: 31 januari 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans verblijvende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 augustus 2012, 22 november 2012 en 17 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 augustus 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2012 te Uden

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd:"Ik heb een 9mm bij me, ik schiet jou

door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl

verdachte op het moment van het toevoegen van die woorden met zijn hand naar

de achterzijde van zijn broek reikte;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 20 mei 2012 te Uden

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel (te weten een klaplong en/of een gebroken kaak), heeft toegebracht,

door deze opzettelijk (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist(en) tegen

zijn kaak en/of borst te slaan;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 mei 2012 te Uden

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist(en) tegen de

kaak en/of de borst en/of de zij van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 mei 2012 te Uden,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]),

(meermalen) (met kracht) met gebalde vuist(en) tegen de kaak en/of de borst

en/of de zij heeft geslagen,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten een klaplong en/of

een gebroken kaak), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden.

(artikel 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 20 mei 2012 te Uden [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik heb een 9mm bij me, ik schiet jou door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl verdachte op het moment van het toevoegen van die woorden met zijn hand naar de achterzijde van zijn broek reikte;

2.

op 20 mei 2012 te Uden aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en een gebroken kaak, heeft toegebracht,

door deze opzettelijk met kracht met gebalde vuist(en) tegen zijn kaak en borst te slaan.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Verdachte ontkent dat hij aangever [slachtoffer 1] heeft mishandeld. Verdachte erkent dat sprake was van een confrontatie met aangever, waarbij hij mogelijk verbaal heeft gedreigd, zij het niet met de tenlastegelegde bewoordingen, en dat aangever heeft teruggeduwd maar hij ontkent hem te hebben geslagen. Volgens de verdediging hebben "[getuige 1]" en [getuige 2] aangever geslagen.

Zijdens de verdediging is ter terechtzitting van 17 januari 2013 aangevoerd dat aangever inconsistent, innerlijk tegenstrijdig en daarnaast bezijden de waarheid heeft verklaard. Ook de verklaringen van de getuigen à charge zijn volgens de verdediging inconsistent en onderling tegenstrijdig en daardoor onbetrouwbaar en niet geloofwaardig.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De politie is ter plaatse gekomen naar aanleiding van een telefonische melding van een vechtpartij met ongeveer 10 betrokken personen, waarbij een zekere "[alias]" zou hebben gedreigd met een vuurwapen. "[alias]" is de bijnaam van verdachte, zo verklaart ook verdachte ter terechtzitting.

Aangever [slachtoffer 1] heeft, nadat de politie ter plaatse was gekomen, direct aan de politie verteld dat hij was mishandeld door [alias], die op dat moment niet ter plaatse aanwezig was. In zijn aangifte, binnen een uur nadien op het politiebureau, verklaart aangever dat [alias] hem verbaal bedreigde met vuurwapengebruik en hem meermalen hard met gebalde vuist sloeg, tegen de kaak en de borst. Hij verklaart ook dat [alias] om de auto heen liep en hem opnieuw sloeg, toen hij vanaf de andere kant om die auto liep. De rechtbank acht deze verklaring, die kort na het gebeurde is afgelegd, betrouwbaar en geloofwaardig. In dit geval heeft aangever direct na het gebeurde en nog in de hectiek daarvan, een verklaring afgelegd. Aangever was gewond en is nadat hij aangifte had gedaan, diezelfde avond naar het ziekenhuis gebracht. Dat aangever in zijn latere verklaring over het gebeurde in een andere volgorde verklaart, doet niets af aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn verklaringen, gelet op de omstandigheden (de hectiek van hetgeen zich kort voorafgaand aan de aangifte had voorgedaan en het ernstige letsel wat hij daarbij had opgelopen) waaronder hij aangifte heeft gedaan. De rechtbank vermag ook niet in te zien dat aangever (onder die omstandigheden en reeds in een dermate vroeg stadium na het gebeurde) een verzonnen verhaal ten overstaan van de politie vertelt waarin verdachte wordt aangewezen als de agressor en veroorzaker van al het letsel dat hem is toegebracht, terwijl een of meer anderen, de werkelijke dader(s) aan wie de verdediging het toegepaste geweld toeschrijft, volledig zou(den) worden ontzien. Dit zou met zich brengen dat door toedoen van aangever de werkelijke dader(s) onbestraft zou(den) kunnen blijven en nog steeds vrij zou(den) rondlopen, terwijl verdachte thans terecht staat en reeds de nodige maanden in voorarrest heeft doorgebracht. Dat aangever enig belang erbij heeft dan wel een motief om verdachte (onschuldig) te belasten en daarmee een of meer anderen te ontzien en/of te ontlasten, is de rechtbank geenszins gebleken. Voor die conclusie biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt en ook verdachte heeft voor die conclusie geen redengevende verklaring gegeven, anders dan dat aangever hem niet zou mogen. Daarin ziet de rechtbank evenwel geen enkele rechtvaardiging voor de conclusies van de verdediging ter zake de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van aangevers verklaringen.

Daarbij komt het volgende.

De aangifte van [slachtoffer 1] is op hoofdlijnen - met name wat betreft de aanleiding tot de confrontatie, de harde vuistslagen tegen de borst en het gezicht van aangever, het om de auto heen lopen door verdachte en aangever en de verbale bedreiging met vuurwapengebruik - van meet af aan bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en "[getuige 1]" [g[getuige 1]. De rechtbank acht deze verklaringen, afgelegd ten overstaan van de politie en later bij de rechter-commissaris, geloofwaardig en betrouwbaar. Daaraan doet niet af dat de verklaringen op sommige onderdelen onderling verschillen, zoals met betrekking tot de volgorde van de geweldshandelingen. De lezing van aangever wordt eveneens bevestigd door de melding aan de politie, die is gedaan tijdens de vechtpartij en waarin [alias] wordt genoemd als de agressor die dreigt met vuurwapengebruik en voorts door de eerste mededeling van aangever nadat de politie ter plaatse kwam.

Met betrekking tot de ontlastende verklaringen overweegt de rechtbank het volgende.

De getuigenverklaring van [getuige 6] bij de politie, die verklaart dat "[getuige 1]" aangever sloeg, wijkt significant af van de hiervoor genoemde verklaringen. Deze getuige heeft later bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zich moet hebben vergist en dat zij niet "[getuige 1]" bedoelde, maar [alias]. Wat hier ook van zij, de rechtbank laat deze verklaring in verband met deze tegenstrijdigheden buiten beschouwing.

De verklaring van [getuige 7] bij de rechter-commissaris, waarin hij [getuige 2] en "[getuige 1]" als daders van het geweld noemt, acht de rechtbank niet geloofwaardig en onbetrouwbaar. Deze getuige heeft bij de politie zeer summier verklaard dat verdachte zich alleen met een duw heeft verweerd, maar hij verklaart later bij de rechter-commissaris plotseling dat ook "[getuige 1]" aangever heeft geslagen. Daarbij is deze laatste verklaring in strijd met de bevindingen van de verbalisanten, waar getuige zegt dat hij de ME zag staan toen hij zich omdraaide; volgens verbalisanten was deze getuige niet op straat, maar kwam hij uit zijn woning nadat zij waren gearriveerd.

De verklaring van [getuige 2] als getuige ter zitting, inhoudende dat hij zelf aangever een klap of een duw heeft gegeven, maar dat hij dat niet precies weet, en dat hij achteraf heeft gehoord dat "[getuige 1]" aangever flink heeft gepakt, acht de rechtbank evenmin geloofwaardig en betrouwbaar. Zijn verklaring is te onduidelijk en wisselend en hij verklaart ook niet hoe het forse letsel aan aangever zou zijn toegebracht, anders dan dat hij dit aan "[getuige 1]" toedicht; bovendien heeft deze getuige bij de politie verklaard uitsluitend te hebben gezien dat onder meer verdachte aan het bekvechten was.

Tot slot wijst ook verdachte "[getuige 1]" [getuige 1] aan als de agressor en veroorzaker van het letsel van aangever. Ook de verklaring van verdachte waarbij hij met name "[getuige 1]" belast, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte kon na zijn aanhouding niet vertellen wat er was gebeurd, hij had gedronken en hij was aangeschoten. Ter terechtzitting wijst verdachte dan "[getuige 1]" aan.

Indien die lezing juist zou zijn, valt echter niet in te zien waarom deze "[getuige 1]" [getuige 1] tot in enkele details dezelfde lezing van het voorval geeft als aangever en de getuigen [getuige 5] en [getuige 3]: ook [getuige 1] verklaart over de opvallend harde stompen met twee vuisten op het lichaam van aangever door verdachte en het om de auto heenlopen door aangever en verdachte. Wanneer [getuige 1] zelf de dader zou zijn, acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat hij eensluidend verklaart met aangever en genoemde getuigen.

De rechtbank acht derhalve, mede op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 1] de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De getuigen hebben het volgende waargenomen: [getuige 3] zag dat verdachte vlak voor aangever stond en hem met twee vuisten tegelijk vol op zijn borstkas sloeg; hij zag dat dit echt hard ging, vol met twee vuisten vooruit. Ook zag hij dat verdachte vol in het gezicht van aangever sloeg; dit was een ontzettend harde klap, waardoor aangever helemaal stond te wankelen. [getuige 4] zag dat verdachte aangever met twee vuisten tegen de borstkas stompte en dat dat heel hard ging, omdat aangever hierdoor naar achteren vloog. Ook zag hij verdachte met zijn vuist in aangevers gezicht slaan, waarop aangever naar achteren bewoog en naar zijn kaak greep. [getuige 5] zag vanaf het balkon dat verdachte aangever een keer met twee vuisten op zijn borst sloeg. Getuige [getuige 1] sprak van het inhakken door verdachte op aangever en dat verdachte echt hard sloeg. Ook heeft deze getuige verdachte met twee handen slaande bewegingen zien maken. Verdachte heeft door zodanig hard (en deels tegelijk) met gebalde vuisten te slaan op de kaak, de borst en in de zij van het slachtoffer zoals door de hiervoor weergegeven getuigen is waargenomen en verklaard bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, welk letsel ook daadwerkelijk is gevolgd: [slachtoffer 1] heeft een gebroken kaak opgelopen, waaraan hij is geopereerd in het ziekenhuis te Oss op 25 mei 2012, waarbij een titaniumplaatje werd geplaatst teneinde de breuk te spalken (medische informatie van de kaakchirurg [naam arts]). Bovendien heeft [slachtoffer 1] een klaplong opgelopen, waarvoor een operatie nodig was en was sprake van een opname van 4 dagen in het ziekenhuis te Veghel.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert ter zake van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder 2 meer subidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling (het slaan op de borst), zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbende (een klaplong) tot de volgende straf:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

Bijzondere voorwaarden:

- meldingsgebod bij verslavingsreclassering, ook indien zulks inhoudt een intake en/of ambulante behandeling bij FPA Dichterbij of een soortgelijke FPA-kliniek;

- een gebiedsverbod voor de [adres].

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienent te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder weegt de rechtbank het volgende mee. Verdachte is zonder reden overgegaan tot bedreiging en fors disproportioneel geweld tegen aangever en heeft de lichamelijke integriteit van deze laatste ernstig geschonden. Aangever heeft zeer ernstig letsel opgelopen en zal nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Daar komt bij dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld: verdachte is reeds een groot aantal malen veroordeeld voor diverse soorten delicten, waaronder meerdere keren voor geweldsdelicten.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank anders dan de officier van justitie komt tot bewezenverklaring van het primair onder feit 2 ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

T.a.v. feit 2 primair:

zware mishandeling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 296 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich uiterlijk op de tweede dag na dit vonnis (telefonisch) meldt bij de reclassering, Reclassering Nederland, regio Rotterdam-Dordrecht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, welk bevel op

17 januari 2013 werd geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. P.A. Buijs en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 31 januari 2013.