Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ0129

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
01/825538-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek voorarrest voor een poging tot diefstal met braak en een diefstal met braak. Daarnaast heeft de rechtbank gelast dat veroordeelde de vrijheidsstraf van 609 dagen, die in het kader van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet ondergaan.

De vordering tot herroeping is onverwijld gedaan; afwijzing niet-ontvankelijkheidsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/825538-11

V.I. zaaknummer: 99.000044.28

Datum uitspraak: 31 januari 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2012, 16 maart 2012 en 17 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 december 2011.

Aan verdachte/veroordeelde is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2011 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres] (café

[bedrijf 1]) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het pand te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of enig(e) goed(eren) onder

zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

hebbende verdachte een raam/ruit van dat pand geforceerd/verbroken en/of

vervolgens gepoogd een gokkast open te breken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 311 jo art 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2011 te Eindhoven met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit een pand gelegen aan de [adres] (café [bedrijf 2]) heeft weggenomen een kassa, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en / of de kassa onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak, verbreking en / of inklimming te weten door het

verbreken/forceren van een ruit in een deur van dat pand.

(artikel 311 Wetboek van Srafrecht)

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99.000044.28 is aangebracht bij vordering van 15 december 2011, ingekomen ter griffie op 20 december 2011.

Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 609 dagen van de gevangenisstraf van 5 jaar, opgelegd bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 december 2008 onder parketnummer 20-002489-08.

De veroordeelde is op 17 juni 2011 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht de beide ten laste gelegde feiten bewezen.

De verdediging bepleit vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, omdat volgens de objectieve leer het bewijs ontbreekt dat verdachte/veroordeelde het voornemen had om geld of goederen weg te nemen. Volgens de verdediging is geen sprake van een strafbare poging.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

De rechtbank is -in tegenstelling tot de verdediging- van oordeel dat, gelet op de aangifte, de verklaring van verdachte/veroordeelde ter terechtzitting en de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte/veroordeelde, de poging tot diefstal met braak is bewezen. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ter terechtzitting heeft verdachte/veroordeelde verklaard dat hij de ruit van het café heeft ingeslagen en vervolgens een gordijn opzij heeft geschoven en dat het de bedoeling was dat hij, als hij daarbij niet zou zijn gestoord, het café binnen zou zijn gegaan om iets weg te nemen. Bovendien heeft verdachte/veroordeelde zeer kort daarna in een ander café, eveneens na het verbreken van een ruit, een voltooide diefstal met braak gepleegd zoals onder 2 bewezen wordt verklaard. Uit laatstbedoelde inbraak leidt de rechtbank af dat verdachte/veroordeelde aldus ook kort daarvoor bij het eerste café de intentie had op zoek te gaan naar geld of goederen (om die eventueel te gelde te maken), hetgeen verdachte/veroordeelde feitelijk ook ter terechtzitting heeft toegegeven, doch enkel omdat verdachte/veroordeelde bij die eerste inbraak werd gestoord, is het slechts bij een poging gebleven. Dat verdachte/veroordeelde bij die eerste poging ook de gokkast zou hebben opengebroken acht de rechtbank niet bewezen en verdachte/veroordeelde zal op dat onderdeel worden vrijgesproken. Immers, verdachte/veroordeelde ontkent zulks in alle toonaarden en naast de aangifte biedt het dossier voor die gevolgtrekking geen overige aanknopingspunten.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte/veroordeelde

1.

op 16 oktober 2011 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een pand gelegen aan de [adres] (café

[bedrijf 1]) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot het pand te

verschaffen door middel van braak, hebbende verdachte een raam/ruit van dat pand verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 16 oktober 2011 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

uit een pand gelegen aan de [adres] (café [bedrijf 2]) heeft weggenomen een kassa, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en / of de kassa onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak, te weten door het verbreken van een ruit in een deur van dat pand.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte/veroordeelde zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte/veroordeelde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte/veroordeelde uitsluiten. Verdachte/veroordeelde is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de volgende straf gevorderd:

- een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld;

- teruggave geldbedrag aan de rechthebbende;

- onttrekking aan het verkeer van het papier en de glasscherf;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en oplegging

van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 609 dagen te herroepen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte/veroordeelde dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte/veroordeelde waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte/veroordeelde:

- de ernst van de door verdachte/veroordeelde gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte/veroordeelde werd eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld;

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank acht het niet meer aan de orde een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, gelet op het bij herhaling niet nakomen van algemene en bijzondere voorwaarden en het telkens opnieuw recidiveren van verdachte/veroordeelde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade verzocht, bestaande uit schade aan het raam (€ 100,00), schade aan de Bas Box (€ 1.400,00), schade aan de gokkast

(€ 660,00), schade aan gordijnen (€ 175,00) en schade aan reclamebestickering (€ 35,00).

Voor wat betreft de schade aan het raam en de gordijnen geldt het volgende. Weliswaar gaat het hier om schade die kennelijk is veroorzaakt door verdachte/veroordeelde, maar uit de vordering blijkt dat de verzekering van de benadeelde reeds een vergoeding van € 660,00 heeft uitgekeerd, terwijl uit de stukken niet blijkt of deze schadeposten vallen onder de reeds vergoede schade (zie rubriek 5a op het voegingsformulier). Een nader onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren omdat alsdan de afhandeling van de strafzaak opnieuw met geruime tijd zou worden vertraagd. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de schade aan de basbox, de gokkast en de reclamebestickering. Ten aanzien van deze schade geldt dat - bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van de vordering op deze punten - niet is komen vast te staan dat verdachte/veroordeelde deze schade heeft veroorzaakt.

De rechtbank zal, nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en/of met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan.

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in haar vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat de vordering niet onverwijld is gedaan zoals is bepaald in artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman verwijst in dat verband naar een uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Breda op 30 november 2011 contra veroordeelde. De termijn tussen het plegen van de feiten 16 oktober 2011 en het indienen van de vordering op 15 december 2011 is te lang, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de veroordeelde zich als verdachte in de thans aanhangige strafzaak in beginsel heeft beroepen op zijn zwijgrecht, zodat eerst de uitkomsten van het DNA-onderzoek door het NFI zijn afgewacht voordat een beslissing kon worden genomen over de vordering tot herroeping.

De rechtbank wijst het verweer af en acht het openbaar ministerie ontvankelijk.

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde na zijn aanhouding in de strafzaak bekend onder het hiervoor vermelde parketnummer 01/825538-11 bij de politie zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht, waardoor nader onderzoek (DNA-onderzoek door het NFI) noodzakelijk was. Daardoor heeft het enige tijd geduurd voordat er naar het oordeel van de officier van justitie voldoende bewijs tegen veroordeelde voorhanden was. Kort na de ontvangst van de resultaten van het NFI heeft de officier van justitie de vordering tot herroeping gedaan. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de indiening van de vordering tot herroeping door de officier van justitie onverwijld heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak van de rechtbank Breda waarnaar de raadsman heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel: die uitspraak betreft immers een beslissing op een vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, hetgeen een andersoortige zaak is doordat de veroordeelde in dat geval - anders dan in de onderhavige zaak - nog gedetineerd was en de voorwaardelijke invrijheidstelling nog geen aanvang had genomen.

Anders dan bepleit door de verdediging acht de rechtbank zich thans voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen aangaande de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank acht een nader onderzoek in dat verband dan ook niet noodzakelijk, zoals ter terechtzitting van 17 januari 2013 al is beslist.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, zoals hiervoor aangegeven, dient de voorwaardelijke invrijheidstelling te worden herroepen en moet veroordeelde alsnog de resterende dagen van de opgelegde gevangenisstraf ondergaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 45, 57, 310 en 311 van het

Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte/veroordeelde meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

T.a.v. feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart verdachte/veroordeelde hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, welk bevel op

19 maart 2012 werd geschorst.

T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte/veroordeelde tot op heden

begroot op nihil.

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten: 1 rode schroevendraaier.

Teruggave aan de rechthebbende van een bedrag van 13,67 euro, 20 stuks papier (met bloed), en 1 glasscherf.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i-zaaknummer 99.000044.28.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 609 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. P.A. Buijs en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 31 januari 2013.