Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BY8963

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
01/825486-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/825486-12

Parketnummer vordering: 20.000611-11

Datum uitspraak: 23 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te: Amsterdam PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 december 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 september 2012 te Vught, gemeente 's-Hertogenbosch,

in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden werkzaam op een

forensisch psychiatrische afdeling van "[naam]") heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend

de woorden toegevoegd :"Moet ik jou of iemand iets aan doen om hier weg te

kunnen" en/of (meermalen) "Jullie gaan er allemaal aan", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht) ;

2.

hij op of omstreeks 1 april 2012 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd

:"Ik ga een mes pakken" en/of (nadat verdachte een mes had gepakt) "Ik

vermoord je, ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

(091055-12)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 20/000611-11 is aangebracht bij vordering ingekomen ter griffie op 12 december 2012. Deze vordering heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 20 januari 2012. Abusievelijk is in de vordering vermeld dat het een vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch betreft. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke verschrijving, nu uit het dossier duidelijk blijkt dat de vordering betrekking heeft op een arrest van het gerechtshof. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent.

De heer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd: 'Moet ik iemand of jou iets aandoen om hier weg te komen?'. De vraag is of je dit als een bedreiging moet uitleggen.

De context van de zin geeft meer aan: ik wil weg hier en wat moet ik daarvoor doen?

De heer [slachtoffer 2] verklaart niet over de woorden waarvan mevrouw [slachtoffer 1] zegt dat verdachte deze heeft gebruikt. De verklaring van aangever [betrokkene] is een verklaring van horen zeggen. [betrokkene] was zelf niet bij het incident.

De raadsman heeft vrijspraak ten aanzien van feit 1 bepleit.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.1 2

Ten aanzien van feit 1.

[slachtoffer 2], werkzaam op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te Vught, heeft verklaard dat hij op 16 september 2012 samen met zijn collega verdachte begeleidde tijdens het recreëren. Verdachte gedroeg zich afgesloten. Hij hoorde verdachte uit het niets zeggen: 'Moet ik iemand of jou iets aandoen om hier weg te kunnen?'. Hij zei: 'Ik heb het in de gevangenis beter als dat ik het hier heb'. [slachtoffer 2] zag dat verdachte daarbij een dreigende blik had. [slachtoffer 2] heeft de uitstraling en de woorden als dreigend tegenover hem en zijn collega ervaren. Verdachte is een grote man en het enige wat hij kan, is fysiek geweld.3

[slachtoffer 1], op 16 september 2012 eveneens werkzaam op de FPA te Vught, heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] assisteerde bij het begeleiden van verdachte.

Verdachte begon zijn ongenoegen te uiten over zijn verblijf in de FPA. Verdachte had een dreigende houding en zei: 'Jullie spelen de baas over mij (...). Pas maar op. Jullie zullen dit gevecht gaan verliezen.' [slachtoffer 1] voelde zich erg bedreigd.4

Op 20 september 2012 heeft de teamleider van de gesloten opname-afdeling Zilverlinde te Vught, [betrokkene], aangifte gedaan van bedreiging van medewerkers door verdachte. Zowel de medewerkster als de heer [slachtoffer 2] hadden hem te kennen gegeven dat zij zich op 16 september 2012 zeer bedreigd voelden door verdachte.

De medewerkster had ook nog aangegeven dat de heer [verdachte] een psychiatrisch patiënt is die wel beseft dat hij met bedreigingen mensen angst aanjaagt.5

Bij de politie heeft verdachte op 26 september 2012 te 14.27 uur verklaard dat hij mondelinge uitingen heeft gedaan tegen iemand die misbruik maakte van de situatie.6

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op die dag tegen medewerkers van de kliniek heeft gezegd: 'Moet ik jou of iemand iets aan doen om hier weg te kunnen?'.7

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank - kort gezegd - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling door tegen hen te zeggen 'Moet ik jou of iemand iets aan doen om hier weg te kunnen?', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Verdachte en zijn raadsman hebben aangegeven dat de door verdachte gebruikte woorden niet bedreigend zijn bedoeld.

De rechtbank is van oordeel dat deze woorden, zoals hiervoor genoemd, van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan, dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd (zware mishandeling) ook gepleegd zou worden.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het meermalen gebruiken van de woorden: 'Jullie gaan er allemaal aan'. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte deze woorden heeft geuit. Haar collega [slachtoffer 2] verklaart echter niet over het gebruik door verdachte van deze woorden. Aangever [slachtoffer 4] was niet bij het incident zelf en heeft de informatie dat verdachte deze woorden zou hebben gebruikt alleen van horen zeggen van [slachtoffer 1].

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] op dit onderdeel onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2[slachtoffer 3], cliënt op de [naam afdeling] in Eindhoven, heeft verklaard dat verdachte op 1 april 2012 in de huiskamer van de afdeling ruzie met hem zocht. Ze stonden tegenover elkaar en verdachte zei: 'Jij bent sterker dan mij'. Hij rende weg en zei: 'Ik ga een mes pakken'. Hierop is verdachte naar de keuken gerend. [slachtoffer 3] is hierop naar zijn slaapkamer gerend en heeft de deur op slot gedaan. Verdachte is naar zijn deur gekomen. Terwijl hij meerdere malen tegen zijn deur schopte, riep hij: "Ik vermoord je. Ik steek je neer". [slachtoffer 3] voelde zich erg bedreigd en was bang dat verdachte hem echt iets ging aandoen.8

[getuige 1], verpleegkundige op voornoemde afdeling, heeft verklaard dat verdachte tekeer ging tegen [slachtoffer 3]. Zij hoorde verdachte zeggen tegen [slachtoffer 3]: 'Ik steek een mes tussen je ribben, ik steek je kapot'. Hierop is verdachte naar de keuken gelopen en heeft een mes gepakt. Met dit mes is hij richting de kamer van [slachtoffer 3] gegaan. Verdachte sloeg met het mes tegen de deur van [slachtoffer 3]. Zij hoorde hem zeggen: 'Kom van je kamer af dan maak ik je kapot'.9

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een mes heeft gepakt en daarmee naar de kamer van [slachtoffer 3] is gelopen. Hij heeft tegen de deur geschopt en geroepen dat hij naar buiten moest komen. Als [slachtoffer 3] naar buiten was gekomen, had hij hem zeker neergestoken. [slachtoffer 3] kwam echter niet naar buiten.10

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij die bewuste dag een mes heeft gepakt en achter [slachtoffer 3] aan is gerend.11

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] op 1 april 2012 te Eindhoven heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door tegen die [slachtoffer 3] te roepen 'Ik ga een mes pakken' en nadat hij ook daadwerkelijk een mes had gepakt nog te zeggen: 'Ik vermoord je, ik steek je neer'.

De omstandigheid dat de door de deskundigen geconstateerde stoornissen een allesbepalende of vrijwel allesbepalende rol hebben gespeeld, waarop de rechtbank hierna nader zal ingaan in het kader van de strafbaarheid van de verdachte, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van die door hem geuite woorden en de eventuele gevolgen daarvan heeft ontbroken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 16 september 2012 te Vught, gemeente 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden werkzaam op een forensisch psychiatrische afdeling van "[naam afdeling]l, heeft bedreigd met met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Moet ik jou of iemand iets aan doen om hier weg te kunnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op 1 april 2012 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:"Ik ga een mes pakken" en nadat verdachte een mes had gepakt "Ik vermoord je, ik steek je neer".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De psychiater, dr. P.J.A. van Panhuis, heeft in zijn rapport d.d. 19 december 2012 onder meer het navolgende gerapporteerd omtrent verdachte.

'Onderzochte is lijdende aan een gedesorganiseerde schizofrenie, een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet nader omschreven en cannabisgebruik (in remissie door detentie.

Ten tijde van het ten laste gelegde was dit onverkort ook het geval. Dit beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzen en/of zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Met name de psychotische stoornis, de wanen en de betekenisverdraaiingen door de psychose en de incoherentie van het denken waren van belang bij betrokkenes belevingen in de interacties die vooraf gingen aan het ten laste gelegde (...). Ook de problemen in de communicatie vanuit de pervasieve component van de stoornis zullen hier een rol gespeeld hebben, zij het vergeleken bij de massieve invloed van de psychose, een wat geringere. Bij beide feiten speelde de pathologie een allesbepalende of vrijwel allesbepalende rol. Men kan stellen dat het eerste ten laste gelegde feit vrijwel geheel vanuit de pathologie te verklaren is en het tweede feit geheel. Geadviseerd wordt het eerste ten laste gelegde vrijwel niet en het tweede geheel niet toe te rekenen. '

De klinisch psycholoog, drs. I.M. van Woudenberg, heeft in haar rapport d.d. 20 december 2012 onder meer het navolgende gerapporteerd omtrent verdachte.

'Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis en wel schizofrenie, gedesorganiseerd type. In het verleden is ook een stoornis in het autisme spectrum (ASS) gediagnosticeerd. De gegevens van de pleegouders sluiten daarbij aan, zodat een dergelijke stoornis ook thans gediagnosticeerd moet worden, maar de schizofrenie is zo overheersend dat de kenmerken van de ASS problematiek naar de achtergrond gedrongen zijn.

Deze stoornis was ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene werd ten tijde van de ten laste gelegde feiten geheel beheerst door de schizofrenie. Dat wil zeggen dat hij bij het ten laste gelegde sub 1 zich bedreigd en aangevallen voelde door [slachtoffer 3]., zonder dat doorvoor een reële aanleiding was. Op grond van deze paranoïde waan en daarmee samenhangende angst heeft betrokkene zich genoodzaakt gevoeld een mes te pakken en zich te verdedigen. Betrokkene kon op dat moment op geleide van zijn angst en paranoïdie niet anders handelen dan hij gedaan heeft en ziet het zelf als zelfverdediging. Daarom wordt geadviseerd hem hiervoor ontoerekeningsvatbaar te achten. Bij het ten laste gelegde sub 2 ziet betrokkene zijn behoefte gefrustreeerd om nog een sigaret te mogen roken. Betrokkene verwerkt dit verbod van de begeleiders ook weer psychotisch en voelt zich op dat moment door hen overheerst. Dat betekent in zijn paranoïde vertekende waarneming en interpretatie van hetgeen hij meemaakt, dat hij zichzelf vernietigd voelt, waartegen hij zich wel moet verweren. Ook hier handelt hij vanuit de existentiële angst 'tenietgedaan te worden' en verweert hij zich middels de bedreigingen aan het adres van degenen die hem in zijn beleving bedreigt om zo te ontkomen aan de vermeende 'dreiging. '

Op grond van voornoemde inhoud van de rapportage van de psychiater en de psycholoog gaat de rechtbank ervan uit dat de deskundigen in hun respectievelijke rapportages hebben beoogd te betogen dat verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar is.

De rechtbank volgt de psychiater en de psycholoog in hun conclusies en is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard en zal verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 ontslaan van alle rechtsvervolging.

Oplegging van de maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

- een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, een periode van vier jaar niet te boven gaande (gemaximeerd);

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging:

- verlenging van de proeftijd met één jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verwijtbaarheid uiterst gering is. Zijn cliënt ziet een terbeschikkingstelling absoluut niet zitten. De feiten zijn ook gering van aard. Cliënt zou het liever in eigen hand hebben, extern wonen met begeleiding in het kader van de medicatie.

Primair heeft de raadsman verzocht de maatregel tot terbeschikkingstelling niet op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling deze te maximeren tot een termijn van vier jaar.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen. Het verlengen van de proeftijd acht de raadsman in deze zaak even zinloos als het ten uitvoer leggen van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het opleggen van deze maatregel in deze zaak passend en geboden is.

De psychiater, dr. P.J.A. van Panhuis, heeft in zijn rapport d.d. 19 december 2012 omtrent het recidivegevaar en een eventuele behandeling onder meer het navolgende gerapporteerd omtrent verdachte.

'Klinische risicotaxatie.

Aan het begin van dit rapport is al uiteengezet dat er bij betrokkene een lange lijst staat van

gepleegde delicten, maar dat de component van geweld daarin eigenlijk heel beperkt is. Daarbij komt dat het nu ook om niet veel meer dan dreigdelicten gaat, waarvan eenmaal alleen verbaal, een fenomeen dat bij schizofrene patiënten vaker wordt gezien en niet bepaald voorspellend is voor ernstig geweld. Dit zou wel het geval zijn als er van omschreven paranoïde gedachte zou zijn over een medepatiënt of verpleegkundige die het op de patiënt gemunt zou hebben en bijvoorbeeld 'het boze oog' zou bezitten of door de CIA zou zijn ingehuurd. Dit is dan het geval bij een paranoïde schizofrenie. Betrokkenes wanen zijn echter dermate verbrokkeld en zijn hele denken is dit ook (niet voor niets wordt er gedesorganiseerde schizofrenie gediagnosticeerd) dat niet van een dergelijk risico gesproken mag worden.

Wel is te verwachten dat er bij betrokkene telkens weer schermutselingen, dreigend gedrag en kansen op impulsief schelden blijven bestaan, wat gezien zijn grote postuur erg beangstigend kan zijn voor degenen die hem moeten verzorgen en verplegen. Dit is ook gebleken. Betrokkene kan in de psychiatrie nauwelijks tot niet met een 'gewoon' behandel- en verpleegplan op een afdeling terecht. Als zodanig bezien is er een groot risico op herhaling van feiten zoals nu ten laste worden gelegd. Daarbij is zeker het drugsgebruik, ook van cannabis, een risico.

Gestructureerde risicotaxatie

Een gestructureerde risicotaxatie middels de HCR-20 levert een zeer hoge score op.

Op bet gebied van de historische items is er eerder geweld, relationele instabiliteit, problemen met banen, problemen met het gebruik van drugs, een psychiatrisch ziektebeeld, problemen met vroege aanpassing en eerder falen van toezicht.

Klinisch is er een verregaand gebrek aan inzicht, is er een negatieve houding en zijn er actieve symptomen van de psychiatrische ziekte. Er is een probleem met impulsiviteit en betrokkene reageert niet op behandeling.

Betrokkenes plannen zijn niet heel realistisch, zij het dat ergens in de verte er besef lijkt te

bestaan dat detentie [en misschien ook wel de TBS, rapporteur] nog maar beter is dan de

psychiatrie. Eigenlijk is het hele leven voor betrokkene een blootstelling aan destabiliserende factoren en één grote bron van stress, omdat hij door zijn psychiatrische ziekte niet in staat is tot adequaat omgaan met de realiteit. Er is wel enige persoonlijke steun van de pleegouders, maar in het perspectief van de verregaande mate van ziekte heeft dit weinig betekenis. Eerdere pogingen met interventie iets te veranderen hebben alle gefaald.

Wel is van belang op te merken dat de meeste van deze factoren die positief scoren, bepaald

worden juist door de ernst van de psychiatrische ziekte. Dat neemt niet weg dat de statistiek hier de matiging in het klinische beschrijven en opstellen van bet risico tegenspreekt.

Dat alles betekent dat er wel gronden zijn om te adviseren aan betrokkene een maatregel op te leggen. Er is in ieder geval voor een van de delicten sprake van harde argumenten om te

adviseren niet toe te rekenen, dus die maatregel kan een plaatsing door de rechter in een

psychiatrisch ziekenhuis zijn, maar het kan ook een TBS met verpleging zijn.

In het bovenstaande is duidelijk gemaakt, en dat heeft de praktijk ook door de lange jaren

bewezen, dat het voor betrokkene noodzakelijke gesloten kader de plaatsing in een

psychiatrisch iekenhuis met de interventiemogelijkheden van de GGZ-psychiatrie te boven gaat. In de GGZ is er bij betrokkene geen verandering of behandeling van het ziektebeeld te bewerkstelligen.

Het zou dus een weinig praktisch advies zijn, omdat betrokkene door de GGZ, zoals eerder is geschied, of snel buiten wordt gezet omdat hij afdelingsregels schendt, of een jaar in de isoleer verblijft. Dat is in feite tegen zijn belang.

Ten aanzien van het adviseren van een TBS met verpleging bestaat eigenlijk nog dezelfde

terughoudendheid als door ondergetekende twaalf jaar geleden werd geformuleerd. De afweging van de zwaarte van de feiten is aan de rechter, de afweging van de zwaarte van de stoornis en de betekenis van de stoornis voor het gedrag is in het bovenstaande door de psychiater gegeven. Die afweging leidt met alle kennis over bet beloop van de laatste twaalf jaar tot een advies TBS met verpleging op te leggen. Het verleden wijst bovendien uit dat het zeer de vraag is of het hem niet opleggen van deze zware maatregel wel in zijn belang is.

Als betrokkene een TBS met verpleging wel zou worden opgelegd, zijn er goede argumenten om betrokkene niet ase1ectief maar specifiek in de Mesdagkliniek te plaatsen, waar men zowel voor wat betreft ernstige psychotische ziektebeelden als voor wat betreft pervasieve

ontwikkelingsstoornissen een specifieke deskundigheid heeft opgebouwd. Men zou zich dan

kunnen voorstellen dat consultatie van het psychoseteam dat men daar samen met het

Academisch Ziekenhuis Groningen heeft, kan leiden tot een zorgvuldige afweging ten aanzien van aan betrokkene voor te stellen medicatie [Leponex, aangevuld met een

Stemmingsstabilisator] Er is een zekere grootheidscomponent in het beeld, zie de verbatim

citaten; rapporteur]. Behandeling, medicatie en bejegening, kunnen leiden tot verbetering van de ernstige psychotische toestand. Daarmee zou de weg vrijgemaakt kunnen worden voor een gesofisticeerd cognitief behavioristisch traject met verschillende modules voor omgaan met

psychotische ziekte, met medicatie, met verslaving, mogelijk met perspectief op resocialisatie.

Al met al is de conclusie dat - met het voorbehoud van de weging van de ernst van de feiten door de rechter - door de psychiater in ieder geval het advies van een TBS met verpleging met argumenten kan worden onderbouwd.

Beantwoording der gestelde vragen.

(...)

De wanen, betekenisverschuivingen, incoherentie van het denken vanuit psychose en de

problemen met communiceren vanuit de pervasieve ontwikkelingsstoornis, alsmede de

verslavingsgevoeligheid spelen een rol bij de kans op recidive.

Van belang is dat er geen resultaat is geboekt door welke interventie vanuit de algemene

psychiatrie dan ook.

De verschillende op pathologie berustende functiestoornissen hebben elkaar versterkt.

Alleen van een gesloten, langdurig volgehouden, hoog specialistisch- en klinisch

psychiatrische behandeling is te stellen dat er een kans bestaat op verbetering van de

pathologie, en daarmee een vermindering van de kans op recidive. Omdat gebleken is in

een traject van twaalf jaar dat de algemene psychiatrie in het geval van betrokkene op

geen enkele wijze een interventie heeft kunnen bieden in deze richting, blijft alleen de

mogelijkheid van het kader van een TBS met verpleging over als te proberen mogelijkheid om pathologie en recidivekans te beïnvloeden.(...)'

De klinisch, psycholoog drs. I.M. van Woudenberg, heeft omtrent het recidivegevaar en een eventuele behandeling in haar rapport d.d. 20 december 2012 onder meer het navolgende gerapporteerd omtrent verdachte.

'Risicoprognose.

Betrokkene voelt zich door het minste of geringste al in zijn psychische bestaan bedreigd. De nauwe verwevenheid van angst, achterdocht en agressie ligt hieraan ten grondslag. Bedreigingen kunnen plotseling uit het niets ontstaan voor betrokkene, maar soms ook een (kleine) grond in de realiteit hebben. In dat laatste geval wordt de realiteit uitvergroot, paranoïde vertekend en tenslotte door betrokkene geïnterpreteerd als existentiële bedreiging waartegen hij zich moet verweren. Dat kan het geval zijn, zoals bij het onderhavige ten laste gelegde sub 2, door een grensstelling die door betrokkene geïnterpreteerd wordt als poging hem te overheersen en daarmee te vernietigen. Ondanks de medicatie die betrokkene thans gebruikt, is er weinig of geen verandering in het toestandsbeeld van betrokkene gekomen. Op grond van de nog steeds prominent aanwezige stoornis, schizofrenie, is de kans op recidive dan ook groot te noemen.

Deze inschatting wordt onderschreven door de gestructureerde risicotaxatie aan de hand van de HCR-20 en de SAPROF.

De historische en onveranderlijke factoren die bijdragen aan een verhoogde kans op een gewelddadig feit zijn, naast de reeds beschreven psychische stoornis, ook het gegeven dat betrokkene al vele malen, op jonge leeftijd en snel achter elkaar met justitie in aanraking is gekomen voor geweldsdelicten, er grote problemen waren met betrokkene in zijn jeugd, de instabiliteit van relaties en de problemen in het arbeidsverleden.

Bij de klinische items is sprake van het ontbreken van enig zelfinzicht of probleembesef, actieve psychotische fenomenen, impulsiviteit en de vele inspanningen van behandelaars die nauwelijks enig resultaat boeken. Daardoor is ook op grond van de klinische items de kans op een gewelddadig feit groot.

Ook op basis van de risicohanterings-items kan gesteld worden dat de kans op een gewelddadig feit als hoog ingeschat worden. Immers, mocht betrokkene er alleen voor komen te staan, dan zal hij snel aan allerlei destabiliserende factoren blootgesteld worden, waardoor het stress- en angstniveau alleen maar zal stijgen. Betrokkene heeft niet veel plannen voor de toekomst, maar mocht hij al iets willen dan zullen die plannen een heel geringe kans van slagen hebben, omdat betrokkene onmiddellijk vastloopt in de communicatie en hij in zijn eigen wereld met zijn eigen buiten de realiteit staande verbanden verkeert. Bij dit alles ontbeert hij ook een sociaal netwerk dat hem steun zou kunnen bieden.

Samenvattend wordt de kans op een gewelddadig feit en de kans op recidive van feiten zoals thans ten laste gelegd op basis van het gestructureerde professionele oordeel, als hoog ingeschat, terwijl er, ingeschat aan de hand van de SAPROF, geen factoren aanwijsbaar zijn die een beschermende functie in deze zouden kunnen bieden.

Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden.

Alle behandelinspanningen die er de afgelopen twaalf jaar hebben plaatsgevonden ten spijt is er nauwelijks verandering laat staan verbetering gekomen in het psychiatrische toestandsbeeld van betrokkene. Medicatie is van groot belang gezien de stoornis. Echter, tot op heden is men er nog niet in geslaagd om tot een adequate instelling te komen. Daardoor blijft het functioneren van betrokkene vooral ingegeven door de chronische psychose. Betrokkene heeft ook geen enkel ziektebesef, laat staan inzicht, waardoor hij zich, zodra dat mogelijk is, aan iedere behandeling of zorg onttrekt. Een gedwongen maatregel, zoals een rechterlijke machtiging biedt slechts tijdelijk soelaas en in die tijd is het tot op heden niet gelukt om betrokkene adequaat te behandelen. Soms lijkt het dat hij gebaat is bij een kleine overzichtelijke afdeling, maar de opleving lijkt steeds tijdelijk van aard. Binnen de GGZ, zo wordt opgemerkt in het proces-verbaal, is geen mogelijkheid gevonden om betrokkene de voor hem noodzakelijke zorg te bieden.

Medicamenteuze mogelijkheden zouden nader onderzocht moeten worden, maar dat zal de nodige tijd vergen, omdat er tot nu toe geen middel en dosering is gevonden, waardoor het functioneren van betrokkene werkelijk positief wordt beïnvloed. Een goede medicamenteuze instelling is een eerste vereiste, voordat aan andere behandelmogelijkheden kan worden toegekomen. Immers, pas als er enigszins met betrokkene te communiceren is, kan toegekomen worden aan stappen in de richting van een vergroting van ziektebesef en -inzicht middels psycho-educatie. Athankelijk van de eventuele vorderingen op dit vlak kan dan een verder behandelplan opgesteld worden, waarin ook de verdere behandelmogelijkheden (en grenzen), het behandeldoel en de toekomst opgenomen worden.

Interventieadvies en -condities.

Zoals reeds eerder is beschreven lijken de behandelmogelijkheden binnen de reguliere GGZ

uitgeput. De kans op herhaling van feiten zoals thans ten laste gelegd wordt groot geacht.

Echter, het daadwerkelijke geweldgebruik van betrokkene blijft steeds binnen de perken, om

dat er veel toezicht rond hem georganiseerd is. Daarom is tot op heden steeds geprobeerd binnen de maatregel van een rechterlijke machtiging betrokkene te behandelen, echter zonder succes.

Een adequate behandeling lijkt alleen geboden te kunnen worden binnen het kader van een

terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Daar kan tegemoet gekomen worden aan de behoefte aan intensieve zorg voor betrokkene binnen een hoog veiligheidsniveau.

Een dergelijk hoog veiligheidsniveau kan binnen de reguliere GGZ niet geboden worden.

Binnen de TBS kan de benodigde medicamenteuze behandeling vorm krijgen binnen een gedwongen, maar voor betrokkene ook overzichtelijk en daardoor mogelijk rustgevend kader.

Daarmee kan een basis gecreëerd worden voor de verdere behandelmogelijkheden.

Beantwoording van de vragen.

(...)

Behalve de angsten en paranoïde verbonden met de schizofrenie staat betrokkene ook

bekend met het gebruik van drugs. Dit middelengebruik zal de psychotische fenomenen

alleen maar versterken, ook al zal betrokkene juist zijn toevlucht hiertoe nemen om in

zijn beleving meer rust te creëren. Hij zal zich door deze combinatie van factoren bij

voortduring en zonder reële aanleiding bedreigd voelen. Tegen deze bedreiging moet hij

zich wel verweren middels bedreigingen en eventueel geweldsgebruik.

(...)

De laatste twaalf jaar zijn er vele behandelpogingen ondernomen, vooral binnen de

reguliere GGZ. Deze hebben niet het gewenste effect van stabilisatie van bet psychotische

beeld gesorteerd. Daarom wordt in het proces-verbaal ook verzucht dat er in het hele

land geen kliniek te vinden is die betrokkene adequaat kan behandelen.

Complicerende factor is dat betrokkene ook niet goed reageert op de medicatie die hij

knijgt toegediend. Tot op heden is het ook niet gelukt om uit te zoeken welke medicatie

eventueel een betere uitwerking heeft.

Zonder adequate (medicamenteuze) behandeling zal betrokkene alleen maar angsten en

dreiging ervaren die verbonden zijn met de schizofrenie en van daaruit reageren op die

vermeende dreiging vanuit 'zelfverdediging'. Dat betekent dat hij veelvuldig overlast

bezorgt en steeds weer tot bedreigingen over zal gaan. Door bet tijdig en adequaat in

grijpen van behandelaars en politie blijven de incidenten relatief beperkt wat betreft het

gebruik van daadwerkelijk geweld.

Bij het ten laste gelegde sub 1 heeft [slachtoffer 3]. zich teruggetrokken en is het conflict met

betrokkene. niet aangegaan. Hij heeft zich onbereikbaar gemaakt voor betrokkene, waar-

door betrokkene zijn bedreiging niet heeft om kunnen zetten in werkelijkheid. Waar

schijnlijk is het geweldsgebruik daardoor beperkt gebleven. Dat het geweldsgebruik

beperkt is gebleven, is dus waarschijnlijk te danken aan omstandigheden buiten

betrokkene.

De kans op recidive is groot, zoals ook uit de gestructureerde risicotaxatie naar voren

komt. De eerdere behandelpogingen zijn alle mislukt en hebben niet geleid tot meer

stabiliteit in het psychiatrische beeld. Waarschijnlijk is er alleen enig positief effect te ver

wachten van een behandeling, wanneer deze intensief langdurig en klinisch plaats kan

vinden. Gezien de complexe problematiek en de vele eerdere mislukkingen op het vlak

van behandeling lijkt het slechts mogelijk om betrokkene te behandelen binnen het

kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Daar moet nog

bij aangetekend worden dat zelfs binnen de TBS, ondanks beweringen van het

tegendeel, niet alle klinieken even goed opgewassen zullen zijn tegen de behandeling van de

complexe problematiek van betrokkene. De voorkeur gaat uit naar de dr. F.S. van

Mesdagkliniek omdat hier een grote expertise is opgebouwd op het gebied van (chronisch)

psychotische problematiek. Daarnaast beschikt men in deze kliniek ook nog over

expertise op het gebied van ASS problematiek, waarvoor een aparte afdeling in het leven ge

roepen is. Aangezien beide stoornissen bij betrokkene aan de orde zijn, de problematiek

tot op heden niet adequaat behandeld is, lijkt in deze kliniek de meeste kans van slagen

om te komen tot enige stabilisatie in het psychiatrische toestandsbeeld van betrokkene.'

De rechtbank neemt bovenstaande conclusies en adviezen van de psycholoog en psychiater over.

Vaststaat dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van gedesorganiseerde schizofrenie en een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet nader omschreven.

De kans op recidive wordt door de deskundigen als hoog ingeschat.

De bewezen verklaarde feiten betreffen naar het oordeel van de rechtbank ernstige bedreigingen. Bij een van de bedreigingen heeft verdachte een mes gepakt en ook verklaard dat hij het mes zou hebben gebruikt als de bedreigde was verschenen.

Eerdere behandelpogingen zijn allemaal mislukt. Er is tot op heden geen resultaat geboekt door welke interventie vanuit de algemene psychiatrie dan ook.

Alleen van een gesloten, langdurig volgehouden, hoog specialistisch- en klinisch psychiatrische behandeling wordt door de deskundigen een kans op verbetering van de pathologie en daarmee een vermindering van de kans op recidive verwacht.

Er is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven vermeld in artikel 37a, lid 1, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank merkt op dat de bewezen verklaarde misdrijven geen feiten betreffen gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom niet een periode van vier jaar te boven gaan.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.000611-11

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat een het verlengen van de proeftijd, zoals door de officier van justitie op de terechtzitting is gevorderd, geen enkele toegevoegde waarde heeft, gelet op de in de hoofdzaak opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 37a, 37b, 57, 285.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Legt op de maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Afwijzing van de vordering met parketnummer 20.000611-11 van de officier van

justitie ter griffie ingekomen d.d. 12 december 2012.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. A.B. Baumgarten, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 23 januari 2013.

Mr. Baumgarten is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, district Meierij, genummerd PL 21XO 2012098642 (hierna: dossier 1).

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Woensel Zuid, genummerd PL 2210 2012050400 (hierna: dossier 2).

3 Dossier 1, verklaring [slachtoffer 2], pag. 23-24

4 Dossier 1, verklaring [slachtoffer 1], pag. 25-26

5 Dossier 1, verklaring [betrokkene] pag. 20-21

6 Dossier 1, verklaring verdachte bij de politie pag. 15

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting

8 Dossier 2, verklaring [slachtoffer 3], pag. 5-6

9 Dossier 2, verklaring [getuige 1], pag. 9-10

10 Dossier 2, verklaring verdachte, pag. 7

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting