Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:BY8157

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
01/825348-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met twee anderen in dezelfde nacht een woninginbraak gepleegd en een jonge vrouw bij een pinautomaat beroofd. Voor deze feiten wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Verdachte heeft beide feiten ontkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

[voorheen rechtbank 's-Hertogenbosch]

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825348-12

Datum uitspraak: 11 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd p.i. Grave, locatie "Oosterhoek" [HvB (Unit A + B)], te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 21 december 2012 en 28 december 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 september 2012. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 8 juli 2012 te Oirschot, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, Sint Jorisstraat, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 90 euro en/of een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of diens mededaders

- een mes voor het gezicht van die van de [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en/of

- (daarbij) dreigend de woorden "nu pinnen, snel" en/of "als je nu gewoon pint, gebeurt er niks" heeft/hebben toegevoegd;

(art 317 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 9 juli 2012 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de Achtse loop 8) heeft weggenomen een televisie en/of twee klarinetten en/of een of meer horloges, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op 9 juli 2012 rond 01.00 uur vindt een inbraak plaats in de woning gelegen aan de Achtse Loop 8 te Eindhoven [= feit 2]. De daders hebben de toegang tot de woning verkregen door een ruitje van de voordeur in te slaan. Bij die inbraak zijn een televisie, twee klarinetten en horloges weggenomen. Die goederen waren eigendom van [slachtoffer 2].2 De overbuurman, de getuige [getuige 1], hoorde rond middernacht enkele doffe klappen alsof er iets opengebroken werd. Als hij naar buiten kijkt, ziet hij dat in de woning alle lichten branden. Omdat hij weet dat de bewoners op vakantie zijn, belt hij de politie. Meteen daarna ziet hij dat er drie mannen uit de woning komen gelopen. Een van die mannen heeft een tas in de hand, een ander heeft een voorwerp in de hand wat op een flatscreen lijkt.3

De inmiddels gewaarschuwde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gaan ter plaatse. Omstreeks 01.10 uur zien zij in de onmiddellijke nabijheid van de Achtse Loop een Opel Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken], met gedoofde verlichting in hun richting komen rijden. Verbalisanten zien dat er drie personen in die auto zitten. Vervolgens houden zij de auto staande. Meteen als de auto stilstaat, slaat de bijrijder op de vlucht. Verbalisant [verbalisant 1] zet de achtervolging in, maar weet de vluchter niet meer te achterhalen. Verbalisant [verbalisant 2] blijft bij de auto. Ook de bestuurder van de auto weet te ontvluchten omdat verbalisant [verbalisant 2] zich concentreert op de derde persoon, die op de achterbank van de auto zit. Deze persoon wordt aangehouden. Later blijkt dit de medeverdachte [medeverdachte] te zijn. Bij het onderzoek van de auto worden onder meer een sloopbeitel, een schroevendraaier, twee klarinetten en een flatscreentelevisie aangetroffen.4 Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de Opel Corsa met het kenteken [kenteken] op naam van verdachte staat.5 Ook werd in voormelde Opel Corsa een mobiele telefoon, een Nokia E71 met een rose geverfde achterkant, aangetroffen.6,7 Uit onderzoek bleek dat die was ontvreemd bij een afpersing op 8 juli 2012 omstreeks 23.42 uur bij de pinautomaat van de Rabobank gelegen aan de Sint Jorisstraat te Oirschot.8

Van die overval is aangifte gedaan door het slachtoffer [slachtoffer 1]9. Zij heeft het navolgende verklaard:

Ik ben op 8 juli 2012 te 23:42 uur overvallen bij de pinautomaat van de Rabobank aan de Sint Jorisstraat te Oirschot. Ik had net mijn pasje in de automaat geduwd, toen ik mensen hoorde komen aanrennen. Een van de mannen ging achter de achterkant van mijn fiets staan, zodat ik niet weg kon. Een tweede man ging bij de voorkant van mijn fiets staan en duwde meteen een mes voor mijn neus. Hij zei tegen mij: "Nu pinnen, snel". De andere man riep een aantal keer: "Schiet op". De man met het mes riep:"Als je nu gewoon pint, gebeurt er niks". Ik zag dat de mannen allebei een bivakmuts op hadden. Ik heb € 90,-- gepind en dat moest ik aan de man geven die aan de achterzijde van mijn fiets stond. Terwijl ik aan het pinnen was, vroeg de man met het mes om mijn telefoon. Ik heb deze toen uit mijn tas gepakt en aan hem gegeven. Het betrof een Nokia E7l met een roze achterkantje. Toen ik mijn geld en gsm had afgegeven, zeiden beide mannen dat ik weg moest fietsen. Ik ben toen omgedraaid met mijn fiets en zag toen pas dat er nog een derde man bij was. Ook deze droeg een bivakmuts. Ik zag dat ze alle drie wegrenden. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Van deze overval zijn camerabeelden gemaakt met de beveiligingscamera van de Rabobank. Verbalisant [verbalisant 3] heeft deze camerabeelden bekeken en geconstateerd dat die beelden de verklaring van aangeefster bevestigen.10

Medeverdachte [medeverdachte] heeft erkend dat hij deze overval en de daarop volgende inbraak in de woning aan de Achtse Loop 8 te Eindhoven samen met twee anderen heeft gepleegd. Hij weigert de namen van zijn mededaders te noemen. Verdachte heeft elke betrokkenheid bij de woninginbraak en de daaraan voorafgaande straatroof ontkend.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden acht de officier van justitie beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden concludeert de raadsman van verdachte tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij zijn verhoor door de politie over de overval op aangeefster Van de [slachtoffer 1] het navolgende verklaard.11

Op 8 juli 2012 ben ik bij een mij bekende persoon in de auto gestapt. Deze persoon heb ik in het verleden man B genoemd. Op dat moment zat de persoon die ik eerder man A heb genoemd ook al in de auto. Wij zijn met zijn drieën naar Oirschot gereden. Man B bestuurde de auto. Dit was een personenauto waarvan ik het merk en kleur niet wil vertellen. Toen wij in Oirschot waren zei man A dat hij bivakmutsen en een mes bij zich had. Ook hoorde ik hem voorstellen om een beroving te plegen. Op een gegeven moment zijn wij uitgestapt en wij hebben wat rondgelopen in Oirschot. Bij het uitstappen gaf man A mij een mes en een bivakmuts. Ik heb het mes en de bivakmuts aangenomen en in mijn jas gestopt. Terwijl wij in Oirschot rondliepen, kwamen wij op een gegeven moment bij een pinautomaat waar wij een vrouw zagen pinnen. Toen wij dus die vrouw zagen pinnen, riep iemand van ons: "Bivak op en rennen." Ik heb toen de bivakmuts opgezet en tijdens het lopen het mes gepakt. Ook man B zette een bivakmuts op en man A deed volgens mij een lap stof, mogelijk een kapot shirt, over zijn hoofd.

Vervolgens zijn wij met zijn drieën naar de pinautomaat gerend. Ik ben met het mes in mijn hand voor de vrouw gaan staan. Man B stond naast mij en man A bleef een stuk terug staan. Toen ik voor de vrouw stond, heb ik tegen haar gezegd: "Geld pinnen en rustig dan gebeurt er niks." Zij heeft toen haar bankpas in de pinautomaat gedaan en haar pincode ingetoetst. Vervolgens heeft zij op saldo-informatie gedrukt en laten zien dat ze nog maar € 90,-- kon pinnen. Dat geld heeft ze opgenomen en vervolgens aan een van ons drieën afgegeven, volgens mij aan man A. Ik heb tegen de vrouw gezegd dat ze haar telefoon aan mij moest geven. Zij heeft toen de telefoon uit haar tas gepakt en aan mij gegeven. Ik deed dat om te voorkomen dat ze meteen de politie zou gaan bellen. Hierna zij wij met zijn drieën naar de plaats gerend waar wij de auto hadden geparkeerd. Wij zijn ingestapt en weggereden. Later ben ik nog met man A en man B betrokken geraakt bij een inbraak in een woning in Eindhoven.

Over die inbraak heeft medeverdachte [medeverdachte] het navolgende verklaard.12

Op 8 juli 2012 ben ik naar een feest gegaan. Omstreeks 00.00 uur ben ik daar weggegaan. Onderweg naar huis kwam ik twee bekenden tegen. Ik wil de naam van deze jongens niet zeggen. Deze jongens waren in een groene Opel Corsa. Wij zijn een rondje gaan rijden. Ik zat achter in de auto. Ik hoorde de bijrijder zeggen: "Ik ken een huis in de buurt". Ik wist wat hij daarmee bedoelde. Hij bedoelde hiermee dat hij een huis kent waar hij naar binnen wilde om in te breken. Ik twijfelde, maar deze jongens zeiden dat het geld ging opbrengen. Nadat wij een aantal rondjes hadden gereden, zijn wij terechtgekomen bij het huis. Wij zagen dat het licht uit was. De bijrijder stapte uit de auto met een ijzeren staaf of iets anders.

Wij hebben de auto twee straten verderop geparkeerd. Wij zijn hierna lopend naar het huis toe gegaan. Toen wij aankwamen, hoorde ik het geluid van brekend glas. Ik heb gehoord dat hij een aantal keer heeft geslagen. Toen ik hem zag, sloeg hij net de laatste stukjes glas eruit. Dit betrof het glas van de voordeur. De bijrijder is door de voordeur naar binnen gegaan. Hij is wat kleiner dan ik en dun. Hierna heeft hij de schuifdeur geopend en zijn wij naar binnen gegaan. Wij hadden van tevoren geen afspraken gemaakt over wie wat zou doen bij de inbraak. Wij zijn via de achterdeur naar binnen gegaan. Ik heb binnen een koffertje gepakt met een trompet of klarinet erin. De jongens zijn naar boven gelopen. Zij kwamen naar beneden met twee horloges. Deze gaven ze aan mij. Ik heb die in mijn zak gedaan. De jongens hebben nog een trompet gevonden. De andere jongen heeft nog de TV uit de woonkamer gepakt. Dit was een grote flatscreen TV. Wij zijn maar enkele seconden binnen geweest. Hierna zijn wij teruggelopen naar de auto.

Wij hebben de spullen in de auto gelegd. Wij hebben de TV achter in de auto gelegd. Hierna zijn wij meteen weggereden. Wij zijn volgens mij nog in dezelfde straat aangehouden door de politie. Wij reden nog maar tien seconden of zo. Op het moment dat de politie eraan kwam, voelde ik dat de bestuurder hard remde. De bijrijder is meteen uit de auto gestapt en weggerend. Een politieagent is hier achteraan gerend. De andere politieagent liep naar de auto toe. De bestuurder is ook hard weggerend. Omdat de auto tweedeurs was, kon ik niet op tijd wegkomen.

Nadat was gebleken dat de Opel Corsa met het kenteken [kenteken] ten naam was gesteld van verdachte, heeft verbalisant [verbalisant 4] een foto van verdachte aan verbalisant [verbalisant 1] getoond. Verbalisant [verbalisant 1] heeft daarop onder meer het navolgende verklaard.13

Op 11 juli 2012 werd aan mij een foto getoond door collega [verbalisant 4]. Ik herkende de op de foto getoonde man als de man die ik op maandag 09 juli 2012 omstreeks 01:15 uur zag als bestuurder van een personenauto merk Opel, type Corsa, kleur groen, voorzien van het kenteken [kenteken]. Betreffende personenauto reed met gedoofde lichten over de Verzetsheldenlaan te Eindhoven. Ik zag dat in deze auto drie mannen zaten. Ik hoorde [verbalisant 4] zeggen dat de persoon die ik herkende, de aangehouden [verdachte], geboren op [1993] te Eindhoven, adres [adres], [woonplaats], betreft.

Op 20 november 2012 is verbalisant [verbalisant 1] als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Tijdens dat verhoor heeft hij zijn hiervoor weergegeven bevindingen en waarnemingen bevestigd.14

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen concludeert de rechtbank het navolgende. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de personen met wie hij de inbraak in de woning gelegen aan de Achtse Loop 8 te Eindhoven heeft gepleegd, dezelfde personen zijn met wie hij de overval op aangeefster [slachtoffer 1] heeft gepleegd en met welke personen hij op 9 juli 2012 omstreeks 01.15 uur door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is aangehouden terwijl zij zich met een groenkleurige Opel Corsa verwijderden van de locatie waar zij net daarvoor een woninginbraak hadden gepleegd.

Uit het door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de auto waarin verdachte zich bevond op het moment van de aanhouding zonder verlichting reed en dat de verlichting van het politievoertuig waarin verbalisant [verbalisant 1] zich bevond, brandde. Hieruit concludeert de rechtbank dat verbalisant [verbalisant 1] niet werd verblind door de koplampen van de hem tegemoetkomende auto en dat hij de bestuurder van de hem tegemoetkomende en tot op zeer korte afstand genaderde auto goed heeft kunnen waarnemen in het schijnsel van de verlichting van het dienstvoertuig waarin hij, [verbalisant 1], reed. [verbalisant 1] heeft voorts verklaard dat hij als chauffeur van het politievoertuig gekeken heeft naar het gezicht en de ogen van de bestuurder van de tegemoetkomende personenauto, om te kunnen waarnemen of deze hen zag.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte herkend als de bestuurder van deze personenauto. Gelet op de omstandigheden waaronder die herkenning heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank deze herkenning overtuigend en geloofwaardig.

Daar staat tegenover dat verdachte elke betrokkenheid bij de woninginbraak en de beroving van aangeefster [slachtoffer 1] heeft ontkend. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, omdat verdachte daarover wisselende dan wel tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank wijst daarbij met name op de navolgende feiten en omstandigheden.

- Verdachte heeft erkend dat de Opel Corsa met het kenteken [kenteken] aan hem toebehoort. Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 12 juli 2012 heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto op zondagavond 8 juli 2012 rond 23.00 uur nog heeft gezien. Ter terechtzitting van 21 december 2012 heeft verdachte echter verklaard dat hij zijn auto op 7 juli 2012 op het pleintje nabij zijn woning heeft geparkeerd, dat hij de auto dan alleen vanaf de zolderverdieping van zijn woning kan zien, maar dat hij, nadat hij de auto op 7 juli 2012 had geparkeerd, niet meer op de zolder van zijn woning is geweest om te kijken of zijn auto nog op het pleintje geparkeerd stond;

- Verdachte heeft verklaard dat zijn auto gestolen zou zijn. Tevens heeft hij verklaard dat zijn moeder de enige persoon is die buiten hem een sleutel van zijn auto heeft. Zij was op 8 juli 2012 echter op vakantie. Nadat de auto van verdachte in beslag was genomen, is uit onderzoek van die auto niet gebleken van enige braaksporen. Zowel de portiersloten als het contactslot waren geheel intact. De rechtbank acht het dan ook alleszins aannemelijk dat de auto van verdachte met de contactsleutel is gestart en dat dit de contactsleutel is geweest die in het bezit van verdachte was. Immers heeft verdachte verklaard dat hij die sleutel niet had uitgeleend, terwijl die sleutel op 10 juli 2012 bij verdachte is aangetroffen tijdens zijn fouillering nadat verdachte was aangehouden.

- Verdachte heeft verklaard dat in de nacht van 8 juli 2012 op 9 juli 2012 de getuige [getuige 2] de hele nacht bij hem in zijn woning is geweest. Uit de telefoongegevens van de telefoon van deze getuige en van de telefoon van verdachte blijkt dat de getuige in deze betreffende nacht van 23.21 uur tot 02.31 niet in de woning van verdachte is geweest. Op 8 juli 2012 omstreeks 23.21 uur heeft de getuige aan verdachte een sms-bericht verzonden waarin ze verdachte mededeelt dat zij haar vader overhaalt om weg te mogen. De telefoon van verdachte straalt op dat moment een mast in Oirschot aan. Op 9 juli 2012 omstreeks 02.31 uur heeft de getuige een sms-bericht aan verdachte verzonden waarin zij zegt dat ze onderweg is van haar woning in de richting van de woning van verdachte.

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte concludeert de rechtbank dat het alibi wat verdachte heeft gegeven over zijn verblijfplaats in de nacht van 8 juli 2012 op 9 juli 2012 in de periode dat de beide ten laste gelegde feiten werden gepleegd, niet juist kan zijn. Dat geldt ook voor de verklaring van verdachte dat de hem toebehorende Opel Corsa waarin de daders van de ten laste gelegde feiten zijn aangetroffen, zou zijn gestolen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat verdachte de bestuurder van de Opel Corsa is geweest die op 9 juli 2012 omstreeks 01.10 uur door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is staande gehouden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen bewezen dat de inzittenden van die Opel Corsa - te weten verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en een nog onbekend gebleven persoon - de hierna onder de bewezenverklaring te noemen feiten hebben gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 8 juli 2012 te Oirschot, tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg, Sint Jorisstraat, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 90 euro en een mobiele telefoon, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of diens mededaders

- een mes voor het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en

- daarbij dreigend de woorden "nu pinnen, snel" en/of "als je nu gewoon pint, gebeurt er niks" heeft/hebben toegevoegd;

2. op 9 juli 2012 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de Achtse loop 8, heeft weggenomen een televisie en twee klarinetten en horloges toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en / of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Feit 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste en derde lid, juncto artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 1o en 2o , van het Wetboek van Strafrecht. Feit 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef onder 4o en 5o, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten

* 15 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

* hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 920,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2012 tot de dag der voldoening,

* niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering,

* hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 920,-- subsidiair 18 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat - in het geval de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht - de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht langer is dan een voor die feiten op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het nadeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft samen met twee andere personen een straatroof gepleegd. Dit is op zich al een ernstig feit. Verdachte en zijn mededaders hebben in de nachtelijke uren een vrouw beroofd die alleen onderweg was van haar werk naar huis. Bij die straatroof is het slachtoffer bedreigd met een mes. Dit slachtoffer was een makkelijke prooi voor verdachte en zijn mededaders, waarvan het waarschijnlijk was dat dit slachtoffer weinig tot geen verzet zou bieden. Het zegt iets over de mentaliteit van verdachte en zijn mededaders ten tijde van het delict. Zij zijn er niet voor teruggeschrokken over te gaan tot een dergelijk tegen een medemens gericht gewelddadig handelen. Dit maakt een op zich al ernstig feit ook nog tot een laffe daad.

Voor het slachtoffer moet dit een angstige en schokkende gebeurtenis zijn geweest. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog gedurende lange tijd de psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden en zich nauwelijks nog alleen op straat durven te begeven. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit ook voor het slachtoffer [slachtoffer 1] opgaat. Zij is verhuisd om de locatie waar zij is overvallen te kunnen ontwijken en zij gaat nog steeds emotioneel gebukt onder de gevolgen van deze overval. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen een negatieve bijdrage geleverd aan de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

Nadat verdachte en zijn mededaders deze straatroof hadden gepleegd zijn zij overgegaan tot het plegen van een inbraak in een woning. Weliswaar waren de bewoners van die woning op het moment van de inbraak niet aanwezig, maar het handelen van verdachte en zijn mededaders heeft er voor gezorgd dat er bij meerdere personen gevoelens van angst en onveiligheid zijn ontstaan. Een woning is immers bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig voelen en ook behoren te voelen.

Bij het plegen van de hiervoor bewezen verklaarde feiten hebben verdachte en zijn mededaders louter uit het oogpunt van eigen financieel gewin gehandeld en dus hebben zij hun eigen financiële situatie belangrijker gevonden dan de emotionele schade die zij bij de slachtoffers hebben aangericht. Bovendien is verdachte enkele maanden voordat hij de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken voor een diefstal. Die veroordeling heeft hem niet weerhouden van het plegen van de hiervoor bewezen verklaarde feiten.

Conclusie

Het handelen van verdachte rechtvaardigt in ieder geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 988,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Het toegewezen bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding van € 830,-- [post 1] en materiële schadevergoeding van € 158,85. De materiële schadevergoeding bestaat uit een gestolen geldbedrag van € 95,-- [post 3], medicatie en doktersverklaring tot een bedrag van € 9,95 [post 4], telefoonkosten tot een bedrag van € 10,-- [post 5], misgelopen inkomsten tot een bedrag van € 32,76 [post 6] en reiskosten tot een bedrag van € 11,14 voor zover die betrekking hebben op de reiskosten van de benadeelde partij naar Slachtofferhulp Nederland [eerste deel post 7].

De rechtbank zal de vordering afwijzen voor zover die betrekking heeft op de aanschaf van een nieuwe telefoon [post 2], omdat de benadeelde partij de ontvreemde telefoon inmiddels terug heeft ontvangen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde reiskosten die de vader van de benadeelde partij heeft gemaakt [tweede deel post 7], aangezien deze kosten geen rechtstreekse schade voor de benadeelde partij zelf zijn die door het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn toegebracht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering van de beslissing op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd ook thans nog aanwezig zijn en dat voorts het bepaalde bij artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

ten aanzien van het onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feit

* een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde tevens

* Maatregel van schadevergoeding van € 988,85 subsidiair 19 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 988,85 (zegge: negenhonderd achtentachtig euro en vijfentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 830,-- immateriële schadevergoeding en € 158,85 materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

8 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 988,85 (zegge: negenhonderd achtentachtig euro en vijfentachtig eurocent).

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 830,-- immateriële schadevergoeding en € 158,85 materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst af de vordering betrekking hebbende op de aanschaf van een mobiele telefoon [post 2].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering betrekking hebben op reiskosten van haar vader [tweede deel post 7].

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 11 januari 2013.

Mr. B. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost,

afdeling gezamenlijke recherche Valkenswaard, onderzoek IJsduiker, afgesloten op 7 september 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: 237.

2 de verklaring van [slachtoffer 2], pag. 85, 86, 90 en 93

3 de verklaring van [getuige 1], pag. 97 en 98

4 het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pag. 20, 21 en 23

5 het relaas van verbalisant [verbalisant], pag. 5

6 het relaas van verbalisant [verbalisant], pag. 104

7 het relaas van verbalisant [verbalisant], pag. 130

8 het relaas van verbalisant [verbalisant], pag. 6 en 16

9 de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1], pag. 138 en 139

10 de verklaring van verbalisant [verbalisant 3], pag. 145

11 de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], pag. 221, 222

12 de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], pag. 35, 36 en 37

13 het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 136

14 de verklaring van verbalisant [verbalisant 1], verhoor door rechter-commissaris op 20 november 2012