Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7857

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
SHE 13/5583 en SHE 13/4257
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

WWB, aanvraag om bijstand aan vreemdeling met kind van Nederlandse nationaliteit.

WWB, aanvraag om bijstand aan vreemdeling met kind van Nederlandse nationaliteit.

Gemeente niet gereageerd op de stelling van verzoekster dat zij verkeert in de situatie als bedoeld in de arresten Ruiz Zambrano en Derici. Onduidelijk of deze situatie op verzoekster van toepassing is. Nader onderzoek door gemeente gelast.

De rechtbank heeft op 8 augustus 2014 op het beroep beslist (SHE 13/1551). Deze uitspraak is eveneens gepubliceerd. Daarin is geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van de situatie als bedoeld in de arresten Ruiz Zambrano en Derici. Niet aannemelijk geworden dat de vader niet voor het kind kan zorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummers: SHE 13/5583 (voorlopige voorziening hangende beroep)

SHE 13/4257 (voorlopige voorziening hangende bezwaar)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2013

Inzake het geschil tussen

[verzoekster],

mede namens haar minderjarig kind [kind 1],

wonende te ’s-Hertogenbosch,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Çakici-Reinders,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigden mr. P.A.J.S. Lathouwers en J.P.C. Schouten.

Procesverloop

Verzoekster heeft bij brief van 20 maart 2013 verweerder onder andere verzocht om hulp in de vorm van een bedrag of een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij primair besluit van 3 juli 2013 heeft verweerder meegedeeld dat de aanvraag voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud op grond van de WWB is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 23 augustus 2013 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen (SHE 13/4257).

De zaak is gevoegd behandeld met SHE 13/4436 (beroep tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag voor opvang op grond van de Wmo van 20 maart 2013) ter zitting van

18 september 2013, waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door

mr. J.H. Kruseman, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. Vervolgens zijn de zaken weer gesplitst.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven nader onderzoek te verrichten naar de vraag of verzoekster en haar kind [kind 1] hun hoofdverblijf hebben in de gemeente ’s-Hertogenbosch op de locatie die verzoekster ter zitting heeft opgegeven.

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft verweerder aan [kind 1] met ingang van

3 oktober 2013 een uitkering ingevolge de WWB toegekend naar de norm van een

alleenstaande jonger dan 18 jaar, ten bedrage van € 264,71 per maand. Bij dit besluit is tevens bepaald dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de WWB. Dit besluit betreft een nieuw primair besluit op de aanvraag van 20 maart 2013.

Verweerder heeft met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar mede gericht geacht tegen dit besluit.

Bij besluit op bezwaar van 4 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de weigering verzoekster in aanmerking te brengen voor een WWB-uitkering gehandhaafd. [kind 1] is onveranderd met ingang van 3 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een WWB-uitkering ten bedrage van € 264,71 per maand. Daarbij heeft verweerder tevens meegedeeld dat de aanvraag om bijzondere bijstand is afgewezen.

Bij brief van 6 december 2013, ingekomen op 9 december 2013, heeft verzoekster tegen het besluit van 4 december 2013 beroep ingesteld (SHE 13/5551). Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen (SHE 13/5583).

Het verzoek is behandeld op de zitting van 17 december 2013, waar namens verzoekster

mr. A. Fischer, kantoorgenoot van haar gemachtigde, is verschenen. Namens verweerder is J.P.C. Schouten verschenen.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter zal eerst uiteenzetten welk besluit en welke procedurenummers aan de orde zijn.

2.

Hangende het bezwaar tegen het primaire besluit van 3 juli 2013 heeft verzoekster een verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend. Dit is het verzoek dat is geadministreerd onder zaaknummer SHE 13/4257. Het primaire besluit van 3 juli 2013 is vervangen door het nieuwe primaire besluit van 30 oktober 2013. Daarmee wordt het primaire besluit van

3 juli 2013 geacht te zijn ingetrokken. Het verzoek om voorlopige voorziening dat gericht was tegen het besluit van 3 juli 2013 wordt als gevolg hiervan geacht te zijn gericht tegen het nieuwe primaire besluit van 30 oktober 2013. Dit verzoek blijft onveranderd geadministreerd onder zaaknummer SHE 13/4257.

3.

Inmiddels heeft verweerder bij besluit van 4 december 2013 beslist op het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit van 30 oktober 2013. Tegen dat besluit heeft verzoekster beroep ingesteld, dat geadministreerd is onder nummer SHE 13/5581. Voorts heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend hangende dit beroep. Dit verzoek is geadministreerd onder zaaknummer SHE 13/5583. Door deze gang van zaken heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang meer bij een uitspraak op haar verzoek om voorlopige voorziening onder zaaknummer SHE 13/4257, dat aanvankelijk gericht was tegen het primaire besluit van 3 juli 2013 en later tegen het primaire besluit van 30 oktober 2013. Deze besluiten zijn immers “achterhaald” door de beslissing op bezwaar van 4 december 2013. Van een situatie waarin het verzoek om voorlopige voorziening onder zaaknummer 13/4257 “omklapt” van een verzoek hangende bezwaar naar een verzoek hangende beroep is geen sprake. Verzoeker heeft er immers voor gekozen om hangende het beroep tegen het besluit van 4 december 2013 een nieuw verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, te weten het verzoek dat geadministreerd is onder zaaknummer SHE 13/5583. Dit betekent dat verzoekster geen belang meer heeft bij een beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening onder zaaknummer

SHE 13/4257, aangezien dit verzoek slechts gericht is tegen het primaire besluit van

30 oktober 2013 en dit primaire besluit thans niet meer ter beoordeling voorligt. In de zaak met nummer SHE 13/4257 zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.

Voor zover verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer

SHE 13/5583 heeft gericht tegen de primaire besluiten van 3 juli 2013 en 30 oktober 2013, heeft zij om dezelfde reden als in rechtsoverweging 3 is uiteengezet geen belang bij een beoordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening zal in zoverre eveneens

niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.

Eén en ander betekent dat thans slechts aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening onder zaaknummer SHE 13/5583, voor zover dat gericht is tegen het besluit van 4 december 2013.

6.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7.

Aangezien tegen het besluit van 4 december 2013 tijdig beroep is ingesteld, deze rechtbank bevoegd is van het beroep kennis te nemen en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoekster in haar verzoek worden ontvangen.

8.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil neemt de voorzieningenrechter de volgende wettelijke bepalingen en jurisprudentie in ogenschouw.

9.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG

10.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Op grond van het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.

11.

Op grond van artikel 8 van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

12.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) wordt er een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

13.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft in zijn arrest van

8 maart 2011, C-34/09 (te vinden op www.curia.europa.eu en hierna te noemen het arrest Ruiz Zambrano), onder meer het volgende geoordeeld:

“Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen¨.

14.

Het HvJ-EU heeft in zijn arrest van 15 november 2011, C-256/11 (eveneens te vinden op www.curia.europa.eu en hierna te noemen het arrest Dereci, een nadere uitleg gegeven van het arrest Ruiz Zambrano. Zo heeft het HvJ-EU geoordeeld dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van unieburger ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Het gaat daarbij om een criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op gevallen waarin uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een staatsburger van een derde land die lid is van de familie van een staatsburger van een lidstaat, omdat anders de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie dat deze laatste staatsburger toekomt.

Dit loopt niet vooruit op de vraag of vanwege het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven, een verblijfsrecht niet geweigerd mag worden. Op die vraag moet worden ingegaan in het kader van de bepalingen inzake de bescherming van de grondrechten.

15.

In zijn uitspraak van 17 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) overwogen dat gelet op de arresten Ruiz Zambrano en Dereci uit artikel 20 van het VWEU voor de derdelander ouder een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van het kind dat Unieburger is, indien het kind zich bevindt in een situatie als in genoemde arresten bedoeld. Naar het oordeel van de CRvB lag het op de weg van de betrokken uitkeringsinstantie om in overleg met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te onderzoeken of betrokkene aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kon ontlenen. Ook heeft de CRvB overwogen dat het niet gaat om de beantwoording van de vraag of de weigering om aan appellante uitkering toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland of de Unie als geheel te verlaten, maar primair hierom of de weigering om appellante hier te lande verblijf toe te staan, met zich brengt dat het kind, burger van de Unie, geen andere keus heeft dan met appellante, staatsburger van het derde land, buiten de Unie te verblijven. Daaraan heeft de CRvB toegevoegd dat in het licht van het arrest Ruiz Zambrano het nuttig effect van de status van de burger van de Unie met zich meebrengt dat de ouder die het verblijfsrecht toekomt, ook over voldoende bestaansmiddelen moet kunnen beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin.

16.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 9 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:725, overwogen dat, indien de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten, aangenomen moet worden dat het recht van burgers van derde landen om onder de in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci bedoelde omstandigheden bij hun kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van het VWEU.

17.

Kort samengevat hebben partijen de volgende standpunten ingenomen.

18.

Verweerder is van mening dat verzoekster niet tot de categorie personen behoort als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Om die reden is op haar het bepaalde van artikel 16, tweede lid, van de WWB van toepassing, zodat aan haar geen bijstandsuitkering kan worden toegekend. Verweerder meent voorts dat de ten behoeve van [kind 1] toegekende uitkering dient in te gaan per 3 oktober 2013.

19.

Verzoekster stelt dat zij op grond van de strekking van het arrest Ruiz Zambrano aanspraak heeft op een van [kind 1] afgeleid verblijfsrecht in Nederland. Dit brengt mee dat zij ook over voldoende bestaansmiddelen moet kunnen beschikken om te voorzien in haar eigen onderhoud en dat van [kind 1]. Om die reden dient zij in aanmerking te komen voor een WWB-uitkering. Deze uitkering behoort volgens verzoekster in te gaan per

20 maart 2013, de dag waarop zij de uitkering heeft aangevraagd.

20.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

21.

Verzoekster is van Rwandese afkomst. Zij beschikt niet over rechtmatig verblijf in Nederland. Haar dochter [kind 1], die is geboren op [geboortedag] 2011, heeft de Nederlandse nationaliteit. Vooralsnog is onduidelijk of de situatie van verzoekster vergelijkbaar is met de situatie die zich voordeed met de vreemdeling in de zaak die geleid heeft tot de arresten Ruiz Zambrano en Dereci. Zo is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vast te stellen of op verzoekster de plicht rust om de EU te verlaten. Indien dat het geval zou zijn, is de vraag aan de orde of verzoekster aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht in Nederland kan ontlenen. Verder is onduidelijk gebleven of de biologische vader van [kind 1], van wie uit onderzoek bekend is dat hij haar heeft erkend en dat hij beschikt over een inkomen, als verzorger en/of financieel bijdrager in de kosten van de opvoeding van [kind 1] “in beeld” is. Gelet op deze onduidelijkheden is op voorhand niet uit te sluiten dat verzoekster onder de reikwijdte van de arresten Ruiz Zambrano en Dereci valt. Indien dat het geval zou blijken te zijn, dan dient verzoekster de gelegenheid te worden geboden om in Nederland in haar eigen onderhoud en dat van [kind 1] te kunnen voorzien. Concreet zou dit betekenen dat verzoekster een recht op bijstand toekomt.

22.

Het ligt op de weg van verweerder om nader te onderzoeken of de situatie van verzoekster overeenkomt met die uit de arresten Ruiz Zambrano en Dereci. Al hierom kan niet op voorhand worden geoordeeld dat het bestreden besluit van 4 december 2013 in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft verweerder de opdracht om uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak nader te informeren over de vraag of zijn bevindingen consequenties hebben voor het besluit van 4 december 2013, en zo ja, welke consequenties dat zijn. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het besluit van 4 december 2013 schorsen en een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verzoekster bij wijze van voorschot een uitkering krachtens de WWB naar de norm van een alleenstaande ouder wordt toegekend. Om misverstanden omtrent de hoogte van de uitkering te voorkomen, zal de voorzieningenrechter ook het primaire besluit van 30 oktober 2013 schorsen.

23.

Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft op goede gronden het aanvankelijk door verzoekster opgegeven [adres] te ‘s-Hertogenbosch niet geaccepteerd als postadres van verzoekster. Voorts heeft verzoekster geweigerd om opgave te doen van haar werkelijke woonadres in ‘s-Hertogenbosch. Haar valt op dit punt een verwijt te maken, aangezien zij als aanvraagster van de uitkering dient aan te tonen dat zij haar woonadres in ’s-Hertogenbosch heeft. Verweerder is verzoekster tegemoet gekomen door haar een aantal adressen aan te reiken waar zij zich zou kunnen inschrijven. Dat het verzoekster uiteindelijk niet gelukt is om zich op één van die adressen in te schrijven, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico dient te blijven en die niet kan afdoen aan haar primaire verantwoordelijkheid om aan te tonen dat zij in ’s-Hertogenbosch woont. Nu verweerder eerst op 3 oktober 2013 heeft kunnen vaststellen dat verzoekster en [kind 1] daadwerkelijk een woonadres in

’s-Hertogenbosch hebben en deze late vaststelling verzoekster valt aan te rekenen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de ingangsdatum van de uitkering terecht op 3 oktober 2013 heeft bepaald. Om die reden zal de voorzieningenrechter de ingangsdatum van het bij voorlopige voorziening toe te kennen voorschot laten ingaan op 3 oktober 2013.

24.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 944,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

 waarde per punt € 472,00

 wegingsfactor 1.

25.

Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 44,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak met nummer SHE 13/5583 toe,

in dier voege dat

  • -

    het besluit van 4 december 2013 wordt geschorst,

  • -

    het besluit van 30 oktober 2013 wordt geschorst,

  • -

    verweerder aan verzoekster bij wijze van voorschot een uitkering krachtens de WWB naar de norm van een alleenstaande ouder dient toe te kennen met ingang van

3 oktober 2013,

- draagt verweerder op om, na onderzoek als omschreven in rechtsoverweging 21 en

22, de rechtbank uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak nader te

informeren over de vraag of zijn bevindingen consequenties hebben voor het besluit van 4 december 2013,

- bepaalt dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekster het door haar gestorte

griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 44,00,

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op

€ 944,00,

  • -

    verklaart het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak met nummer SHE 13/5583 niet-ontvankelijk voor zover dat gericht is tegen de primaire besluiten van 3 juli 2013 en 30 oktober 2013,

  • -

    verklaart het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak met nummer SHE 13/4257 niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van

J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier en in het openbaar uitgesproken op

20 december 2013.

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen

1

1 Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.Afschriften verzonden: