Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7304

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
C/01/270173
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillietverklaring na onderzoek door deskundige. Deskundige wordt tot curator aangesteld.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/115 met annotatie van Prof. Mr. J.J. van Hees

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Rekestnummer : C/01/270173 / FT RK 13/1722

Faillissementsnummer: C/01/13/1141 F

Vonnis faillietverklaring

Gezien het verzoekschrift, ingediend ter griffie van deze rechtbank op 28 oktober 2013 door de advocaat mr. R. Jansen te Amsterdam namens:

1 [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

4. [D],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. R. Janssen te ‘s-Hertogenbosch,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verum Software Technologies B.V.

Gevestigd te Waalre,

gerekestreerde,

Partijen zullen hierna [A] c.s. en VST worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van 12 november 2013,

  • -

    het deskundigenbericht van 6 december 2012,

  • -

    de mondelingen behandeling op 10 december 2013.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de tussenbeschikking van 12 november 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van de vorderingsrechten van [A] c.s. Uit het verhandelde op 10 december 2013 is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat ten aanzien van de vorderingsrechten van de aanvragers wijzigingen zijn opgetreden. De rechtbank is derhalve, op de in de tussenbeschikking gegeven gronden, van oordeel dat ook op dit moment, summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van de aanvragers. Hieruit blijkt summierlijk van het bestaan van meerdere schulden. Aan de eerste twee in artikel 6 Faillissementswet (“Fw”) genoemde voorwaarden voor faillietverklaring is derhalve voldaan.

Het deskundigenbericht

2.2.

Bij tussenbeschikking van 12 november 2013 heeft de rechtbank een deskundige benoemd om – kort gezegd – onderzoek te doen naar de vraag of VST verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daartoe zijn aan de deskundige de volgende vragen gesteld:

  1. Zijn er mogelijkheden de door VST gedreven onderneming buiten faillissement te continueren, al dan niet in de huidige vorm?

  2. Is een zodanige herfinanciering mogelijk dat VST alle opeisbare verplichtingen en lopende verplichtingen kan voldoen? Zo ja, binnen welke termijn is VST hiertoe in staat?

  3. Welke (overige) feiten en omstandigheden heeft de deskundige vast kunnen stellen, die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of VST verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen?

  4. Heeft de deskundige nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.3.

De deskundige heeft onder meer het navolgende overwogen en geconcludeerd:

“In de loop van de zomer van 2013 is tussen [X] en [Y] een onoverbrugbaar verschil van inzicht gerezen over het verder te voeren beleid van Verum. De aanhoudende verlieslatende situatie zal daaraan mede ten grondslag hebben gelegen. De heer [X] enerzijds en de heer [Y] anderzijds hebben het vertrouwen in elkaar verloren (en opgezegd). Ook een aantal medewerkers/ingehuurde adviseurs ([B], [C], [D]) hebben het vertrouwen in de heer [X] opgezegd. Het (overige) personeel en het merendeel van de aandeelhouders heeft uiteindelijk de kant gekozen van de heer [X].”

“De controverse tussen de heer [X] en de heer [Y] heeft erin geresulteerd dat in de hiervoor genoemde aandeelhoudersvergadering van Verum Holding, die gehouden is op 30 september 2013, [Y] is ontslagen als statutair bestuurder van Verum Holding en VST.”

“VST is op dit moment niet in staat om aan haar opeisbare en lopende verplichtingen te voldoen. Naast de vorderingen van Verzoekers zijn er ook andere opeisbare verplichtingen jegens diverse stakeholders (werknemers, crediteuren, etc) die VST niet kan nakomen. Om aan haar opeisbare en lopende financiële verplichtingen te kunnen voldoen maar ook om de periode te overbruggen die nog nodig is om te groeien naar een winstgevende situatie heeft Verum een substantiële financieringsbehoefte (die door de directie geschat wordt op bedragen variërend van EUR 1.000.000 in een “minimalistisch” scenario tot EUR 2.500.000 in een scenario waarin geïnvesteerd wordt in de verkooporganisatie (het aantrekken van 4 gekwalificeerde verkoopmedewerkers)). Volgens een korte termijn liquiditeitsprognose heeft VST acuut circa EUR 600.000 nodig om aan haar opeisbare financiële verplichtingen te kunnen voldoen.”

“Verum Holding is niet in staat gebleken om aanvullend risicodragend kapitaal aan te trekken. Dientengevolge is zij niet in staat om VST van financiering te voorzien die VST in staat stelt om – op korte en op lange termijn – in haar financieringsbehoefte te voorzien. Ook VST zelf is daartoe niet in staat.”

“De Deskundige concludeert dan ook dat VST niet in staat is om aan haar opeisbare verplichtingen te voldoen en verkeert in de toestand van te hebben opgehouden met betalen zoals bedoeld in artikel 1 van de Faillissementswet”

2.4.

De conclusies van de deskundige moeten worden gewaardeerd. Hierbij wordt tot uitgangspunt genomen dat de conclusies van de deskundige en zijn motivering zullen worden gevolgd, waar zij zijn gebaseerd op de bijzondere kennis, ervaring of intuïtie van de deskundige, mits de conclusies en motivering voldoende overtuigen. VST en [A] c.s. hebben geen bezwaren tegen de conclusies van de deskundige aangevoerd. VST heeft op 10 december 2013 verklaard dat zij zich niet langer wenst te verzetten tegen faillietverklaring.

2.5.

De conclusies van de deskundige zijn voldoende begrijpelijk en logisch. Zij worden daarom door de rechtbank overgenomen. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat VST heeft opgehouden te betalen. Hiermee is ook aan de derde en laatste voorwaarde van artikel 6 Fw voldaan.

Benoeming curator

2.6.

In de tussenbeschikking heeft de rechtbank aangekondigd dat, voor het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat een faillissement moet worden uitgesproken, zij in beginsel de thans aangewezen deskundige tot curator zal aanstellen.

2.7.

Partijen en de deskundige hebben op 10 december 2013 de gelegenheid gehad zich uit te laten over de vraag of de deskundige nu als curator kan worden aangesteld. De deskundige heeft aangegeven dat hij als gevolg van zijn onderzoek niet in een positie is gekomen waardoor een aanstelling tot curator onmogelijk of onwenselijk zou worden. VST heeft geen bezwaren geuit tegen aanstelling van de deskundige tot curator. [A] c.s. zijn verdeeld over de vraag of de deskundige tot curator kan worden aangesteld. De heer [D] heeft verklaard daartegen geen bezwaren te hebben. Mr. Janssen heeft namens de heer [A] verklaard dat de deskundige zich betrokken heeft getoond bij het standpunt van de heer [X], zodat hij niet onafhankelijk zal kunnen optreden. Aldus de standpunten van partijen en de deskundige.

2.8.

Artikel 14 lid 1 Fw bepaalt niets meer dan dat het faillissementsvonnis de aanstelling inhoudt “van een of meer curators”. De wet bepaalt niets over de wijze waarop de rechtbank vaststelt wie tot curator wordt aangesteld. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever onpartijdigheid en de aanwezigheid van rechtsgeleerde kennis van belang acht. Het oordeel van de rechtbank omtrent de persoon van de curator, behoeft in beginsel geen nadere motivering.

2.9.

De rechtbank wil met het op voorhand aanwijzen van een curator en rechter-commissaris, bevorderen dat ook voor het geval een faillissement onvermijdelijk blijkt te zijn, de daardoor mogelijk veroorzaakte schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Daar komt bij dat de kosten die de deskundige heeft gemaakt in het doen van onderzoek naar de onderneming, niet opnieuw door een curator behoeven te worden gemaakt. Uit het verhandelde ter zitting en de inhoud van het deskundigenbericht – waarin een omschrijving is gegeven van zijn werkzaamheden – blijkt dat de deskundige onpartijdig is gebleven. De werkzaamheden van de deskundige hebben in belangrijke mate bestaan uit het vergaren van informatie, welke informatie een curator bij de aanvang van een faillissement ook zou moeten vergaren. Uit de omschrijving van de werkzaamheden blijkt dat de deskundige bij het vergaren van informatie niet anders te werk is gegaan dan in het geval hij direct tot curator zou zijn aangesteld. Feiten waaruit blijkt van (de schijn van) partijdigheid van de deskundige, zijn gesteld noch gebleken.

2.10.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie betreffende insolventie procedures (hierna IVO) bevoegd deze insolventieprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van gerekestreerde in Nederland ligt.

3 De beslissing

Verklaart:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verum Software Technologies B.V.,

statutair gevestigd te Eindhoven,

kantoorhoudende te 5582 LA Waalre, Laan Van Diepenvoorde 6,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Brabant onder nummer 17106874,

in staat van faillissement.

Benoemt tot rechter-commissaris mr L.G.J.M. van Ekert.

Stelt aan tot curator mr. Ph.W. Schreurs, advocaat te Eindhoven.

Gelast de curator om de aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen te openen.

Verstaat dat Nederland de lidstaat in de zin van artikel 4 IVO is waar de insolventieprocedure is geopend.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Neijt, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2013 te 10:12 uur, in tegenwoordigheid van de griffier.