Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7294

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
249000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

afwijzing verlof tussentijds hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/249000 / HA ZA 12-587

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R & A TOTAL CONCEPTS B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

advocaat mr. M. Velsink te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT RETAIL BEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. R.H. van Muijen te ’s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna R & A en Essent genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2013 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte van 13 december 2013 aan de zijde van Essent houdende verzoek tot tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis;

  • -

    de akte van 13 december 2013 aan de zijde van R & A houdende bezwaar tegen verzoek wederpartij;

  • -

    de akte van 13 december 2013 aan de zijde van Essent tot instemming met het door laten gaan van de enquête van die datum en tot handhaving van het verzoek tot tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 december 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.

De rechtbank heeft in voornoemd tussenvonnis onder meer geoordeeld:

- dat de afspraken in de overeenkomst zo dienen te worden uitgelegd dat Essent niet gehouden is om naast de uitvoering van de overige werkzaamheden ook de inkoop van de incentives aan R & A op te dragen en dat de primaire grondslag van de eerste vordering van R&A derhalve faalt;

- dat op R & A de bewijslast rust van haar stelling dat Essent bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt in te stemmen met het betalen van een aanvullende vergoeding voor de werkzaamheden ten aanzien van het Slimme Thermostaat-project, dat R & A voorshands geslaagd is in dit bewijs en dat een bedrag van € 3,75 per incentive moet worden aangemerkt als het door de opdrachtgever op de gebruikelijke wijze berekende, dan wel redelijke loon in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW;

- dat Essent in de gelegenheid wordt gesteld tot het leveren van tegenbewijs ten aanzien van de voorshands als bewezen aangenomen stelling van R & A dat bij haar door Essent gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt;

- dat het primaire, op rechtsverwerking gebaseerde verweer van Essent tegen de tweede vordering van R & A faalt en dat het subsidiaire verweer van Essent tegen deze vordering na de cessie van de – vermeende – vordering van [A] aan R & A wegens gebrek aan belang faalt;

- dat R & A kan worden toegelaten tot het bewijs dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de restvoorraden, welke bewijsopdracht pas zal worden verstrekt nadat Essent in de gelegenheid is gesteld om het hierboven bedoelde tegenbewijs te leveren.

2.2.

De rechtbank heeft vervolgens het bedoelde tegenbewijs aan Essent opgedragen.

2.3.

Essent heeft bij akte van 13 december 2013 aan de rechtbank verzocht verlof te verlenen tot tussentijds appel. Zij heeft hiertoe, met aanvoering van deels eerder naar voren gebrachte argumenten aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel dat aan haar het voornoemde tegenbewijs is opgedragen en dat het aan R & A is om aan te tonen welke schade zij heeft geleden indien en voor zover Essent de gerechtvaardigde verwachting zou hebben gewekt dat R & A een aanvullende vergoeding zou toekomen voor de door haar verrichte werkzaamheden. Essent is van oordeel dat het van belang is dat deze kwestie reeds nu in appel aan de orde wordt gesteld en wijst op het verhaalsrisico dat zij loopt indien de rechtbank de vordering van R & A toewijst en haar beslissing bij voorraad uitvoerbaar zou verklaren en het gerechtshof in appel uiteindelijk tot een andere beslissing zou besluiten.

2.4.

R & A heeft zich tegen dit verzoek verzet omdat het tussentijds appel een zeer ernstige vertraging in de procedure zou meebrengen en dat het restitutierisico dat Essent

aan haar verzoek ten grondslag legt, volgens R & A uiterst beperkt zou zijn.

2.5.

De rechtbank neemt bij het nemen van de beslissing op het verzoek van gedaagden in aanmerking dat het verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken. De rechtbank overweegt in dit verband dat het feit dat Essent zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank, onvoldoende grond voor het toestaan van tussentijds appel vormt, nu een dergelijke omstandigheid zich nagenoeg in iedere procedure zal kunnen voordoen en de wetgever op dit punt juist een andere doelmatigheidsafweging heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het door Essent aangevoerde, doch niet nader onderbouwde verhaalsrisico onvoldoende grond voor een andersluidend oordeel. Gezien het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.

2.7.

In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 december 2013 is reeds aangegeven dat in dat geval de zaak naar de rol zal worden verwezen ten einde de datum te bepalen waarop het getuigenverhoor zal worden voortgezet en dat op die datum aansluitend het tegenverhoor zal plaatsvinden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het verzoek tot het verlenen van verlof tot tussentijds appel af;

3.2.

bepaalt dat R & A de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met april 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

3.3.

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 8 januari 2014 voor uitlating door partijen;

3.4.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.B.M. Loos in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8;

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.