Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7291

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
C/01/247975 / FA RK 12-2779
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:6173, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Echtscheidingszaak. Geschil ouders over schoolkeuze. Beide partijen hebben zich terdege voorbereid op de (toekomstige) schoolkeuze voor hun kind, maar kunnen het niet eens worden. Zij onderbouwen beiden jun stellingen met gedegen en valide argumenten. Elk van partijen heeft een eigen visie op de wijze waarop verantwoord onderwijs ingericht dient te zijn. Deze visie is naar zijn aard subjectief. De rechtbank zoekt naar een objectief aanknopingspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/247975 / FA RK 12-2779

Uitspraak : 21 mei 2013

Beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van

[verzoekster]

wonende te 's-Hertogenbosch,

advocaat mr. A. Wakker,

tegen:

[verweerder]

wonende te ‘s-Hertogenbosch,

advocaat mr. I. van Dijk-van Oosterhout,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 30 mei 2012;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de man;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man, tevens gewijzigd/aanvullend verzoek;

  • -

    verweerschrift naar aanleiding van verzweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens gewijzigd/aanvullend verzoek (dupliek) zijdens de man;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

  1. een F9 formulier (met bijlagen) van mr. Wakker, gedateerd 7 juni 2012;

  2. een brief (met bijlagen) van mr. Van Dijk-van Oosterhout, gedateerd 19 februari 2013;

  3. een F9 formulier (met bijlagen) van mr. Wakker, gedateerd 22 februari 2013;

  4. een F9 formulier (met bijlagen) van mr. Wakker, gedateerd 27 februari 2013;

  5. een F9 formulier (met bijlagen) van mr. Van Dijk-van Oosterhout, gedateerd

    28 februari 2013;

  6. een F9 formulier (met bijlagen) van mr. Wakker, gedateerd 24 april 2013.

De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen.

De man verzoekt nevenvoorzieningen.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 maart 2013. Verschenen zijn partijen en de advocaten.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Uit de ingekomen stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen op alle punten, met uitzondering van de schoolkeuze voor [minderjarige], overeenstemming hebben bereikt.

Ten aanzien van [minderjarige] verzoeken partijen thans een zorgregeling vast te stellen overeenkomstig het ouderschapsplan. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kinderalimentatie. Partijen verzoeken tot slot het ouderschapsplan onderdeel te doen zijn van de beschikking door middel van aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking.

De beoordeling

Bewijsstukken

Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt de nationaliteit en de woonplaats van partijen, alsmede waar en wanneer zij met elkaar zijn gehuwd.

Tevens blijkt daaruit de geboorte van hun minderjarige kind:

[minderjarige], te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Ouderschapsplan

Bij brief van 24 april 2013 hebben partijen een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan in het geding gebracht.

De vrouw kan derhalve worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

Echtscheiding

Het verzoek tot echtscheiding is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is door de man niet betwist, zodat deze vaststaat.

Het verzoek kan derhalve worden toegewezen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

De vrouw stelt dat in de loop van het huwelijk tussen partijen ook een eenvoudige gemeenschap van goederen is ontstaan, welke verdeeld moet worden.

Peildatum

Partijen zijn het erover eens dat 29 mei 2012 als peildatum dient te gelden voor de omvang van het te verrekenen vermogen en tevens voor de verdeling. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Verrekening en verdeling

Partijen zijn het erover eens dat de afwikkeling van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden als volgt dient plaats te vinden:

  • -

    de gezamenlijke woning van partijen wordt toegedeeld aan de vrouw onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid, onder de bepaling dat de man uiterlijk binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zijn medewerking dient te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van de woning aan de vrouw en onder de bepaling dat de vrouw de kosten van de notariële akte voor haar rekening zal nemen;

  • -

    ieder der partijen behoudt de inboedelgoederen die hij/zij thans onder zich heeft zonder verdere verrekening van de waarde;

  • -

    de vrouw behoudt, althans aan haar wordt toegedeeld, de auto die zij thans onder zich heeft zonder verdere verrekening van de waarde. De man behoudt, althans aan hem wordt toebedeeld, de auto die hij thans onder zich heeft zonder verdere verrekening van de waarde;

  • -

    de gezamenlijke bank- en spaarrekeningen van partijen worden op naam van de vrouw gesteld, en zij zal zorg dragen voor het aanvullen van een eventuele debetstand, voor zover door haar veroorzaakt;

  • -

    ieder van partijen behoudt, althans krijgt toegedeeld, de saldi van de op zijn of haar naam gestelde rekeningen zonder verdere verrekening;

  • -

    de door de vrouw ontvangen schenkingen vallen buiten iedere verrekening en verdeling;

  • -

    partijen zien over en weer af van iedere eventuele andere vordering uit hoofde van verdeling en verrekening dan wel verrekening van belastingaanslagen, toeslagen, kinderopvangkosten, voorgeschoten bedragen, uitbetaling vakantiedagen en PBL;

  • -

    partijen hebben op grond van bovenstaande verdeling en verrekening over en weer niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar over en weer finale kwijting.

Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming, zal de rechtbank zich daaraan conformeren, de verzoeken, voor zover nodig, als dienovereenkomstig gewijzigd beschouwen en beslissen als hierna in het dictum te melden.

Nevenvoorzieningen met betrekking tot [minderjarige]

Partijen hebben in de loop van de procedure de volgende voorzieningen verzocht met betrekking tot [minderjarige]:

  • -

    opneming van het ouderschapsplan in de beschikking;

  • -

    het vaststellen van het hoofdverblijf;

  • -

    het bepalen van een kinderalimentatie;

  • -

    een regeling vast te stellen ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

  • -

    te bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn haar medewerking te verlenen aan de afgifte van een paspoort / identiteitskaart ten behoeve van [minderjarige];

  • -

    te bepalen op welke school partijen [minderjarige] zullen inschrijven.

Partijen verzoeken het ouderschapsplan en de daarin vermelde regelingen in de beschikking op te nemen.

Gelet op de bereikte overeenstemming, zal de rechtbank zich daaraan conformeren en beslissen als hierna in het dictum te melden.

Ten aanzien van het hoofdverblijf en het paspoort hebben partijen een regeling vastgesteld in het ouderschapsplan en bij brief van 24 april 2013 is aan de rechtbank geen verzoek gedaan daaromtrent nog een (nadere) regeling vast te stellen. In het licht hiervan beschouwt de rechtbank deze beide verzoeken als ingetrokken.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie verzoeken partijen een regeling vast te stellen als opgenomen in het ouderschapsplan. Nu de rechtbank het ouderschapsplan aan de beschikking zal hechten, waarmee het ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van de beschikking, hebben partijen bij deze verzoeken geen belang meer, zodat deze zullen worden afgewezen.

Ten aanzien van de schoolkeuze hebben partijen, zoals in het voorgaande reeds overwogen, geen overeenstemming kunnen bereiken, zodat de rechtbank in het navolgende zal overgaan tot beoordeling van dit verzoek.

In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank beslissen als hierna in het dictum te melden.

Schoolkeuze

[minderjarige] wordt op [geboortedatum] vier jaar en zal dan naar de basisschool gaan.

Partijen zijn het over de schoolkeuze niet eens en kiezen ervoor deze kwestie voor te leggen aan de rechtbank. De vrouw wil dat [minderjarige] naar basisschool [school X] (Montessorionderwijs) gaat en de man wil dat [minderjarige] naar basisschool [school Y] gaat.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat partijen [minderjarige] zullen inschrijven op [school X] en dat hij daar onderwijs zal volgen. De man doet een gelijk verzoek voor wat betreft basisschool [school Y].

Partijen zijn het eens over de navolgende uitgangspunten bij de schoolkeuze:

  • -

    de school moet passen bij de leer- en ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] en voldoende uitdaging, structuur en veiligheid bieden;

  • -

    er moeten voldoende mogelijkheden zijn voor het opbouwen en onderhouden van sociale contacten met leeftijdsgenootjes;

  • -

    de school moet volledig in de huidige maatschappij staan.

De vrouw acht voorts van belang dat de school aan de navolgende voorwaarden voldoet:

  • -

    [minderjarige] wordt op school aangesproken op verschillende vormen van intelligentie en de school maakt gebruik van activerende werkvormen;

  • -

    er moet voldoende aandacht zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, hun eigenheid en het pedagogisch klimaat;

  • -

    de school moet de kinderen op hun eigen niveau voldoende uitdaging kunnen bieden, waarbij de school toewerkt naar heldere doelen en de leerlingen daarbij betrekt;

  • -

    het is van belang dat de school bewust haar onderwijs vormgeeft volgens een aansprekende visie, waarbij aandacht is voor het gehele mens-zijn.

In de visie van de vrouw sluit basisschool [school X] het beste aan bij de door haar gehanteerde, hiervoor omschreven, uitgangspunten in de schoolkeuze voor [minderjarige].

De vrouw acht voorts een bijkomend voordeel dat [school X] continuïteit biedt aan [minderjarige] ten opzichte van de huidige situatie. Immers veel kinderen stromen vanuit [kinderdagverblijf Z], het huidige kinderdagverblijf van [minderjarige] door naar [school X]. Verder hebben [kinderdagverblijf Z] en [school X] een nauwe samenwerking, waarin ze onder andere hun pedagogische aanpak op elkaar afstemmen en tot slot verzorgt [kinderdagverblijf Z] voor [school X] het overblijven voor vrijwel alle leerlingen en daarnaast biedt de school eventueel buitenschoolse opvang. Tussen de middag en eventueel voor of na school komt [minderjarige] daardoor in een voor hem vertrouwde situatie terecht.

De vrouw acht het verder goed voor [minderjarige] dat het onderwijs op [school X] gericht is op het ondersteunen van zelfstandigheid. De school biedt, aangepast aan de leeftijd en behoefte van de kinderen, structuur bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid.

Tot slot acht de vrouw het van belang, mede gelet op de gedeelde zorg die partijen bieden, dat [school X] een regioschool is. Dit biedt [minderjarige] de mogelijkheid om vriendjes te maken in zowel de woonwijk van de vrouw als in de woonwijk van de man. Ook zitten er op de school kinderen uit alle lagen van de maatschappij.

De man stelt dat hij zich uitvoerig heeft georiënteerd en dat in zijn optiek basisschool [school Y] de meest logische en praktische keuze is, die het beste aansluit bij de wensen en behoeften van [minderjarige]. De man stelt dat [minderjarige] in de afgelopen periode al tal van wisselmomenten heeft meegemaakt en hij acht het voor [minderjarige] in dit verband van groot belang dat er sprake is van rust en veiligheid. Speerpunten voor de man zijn dat de methode en de manier van lesgeven passen bij de persoonlijke leer- en ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige]. Volgens de man zijn met name structuur en veiligheid belangrijk voor [minderjarige]. Het onderwijs dat door [school Y] wordt aangeboden, waarbij sprake is van een vaste manier van lesgeven, acht de man een lesvorm waarbij [minderjarige] het meest gebaat is.

De man vindt het belangrijk dat [minderjarige] tussen de middag thuis bij hem kan eten en dat kan als [minderjarige] naar [school Y] gaat.

De man heeft bezwaar tegen de door de vrouw uitgezochte school omdat het een Montessorischool is, die niet voor alle kinderen geschikt is. De man acht deze vorm van onderwijs voor [minderjarige] minder geschikt omdat hij meent dat het voor [minderjarige] te onrustig is (meerdere groepen krijgen gezamenlijk les) en teveel vrijheid geeft, wat geen positief effect zal hebben op zijn schoolprestaties en dientengevolge op zijn ontwikkeling. In dat geval zal [minderjarige] niet met veel plezier naar school gaan, waar het de man met name om te doen is.

De man vindt de afstand van zijn huis naar [school X], volgens hem vier kilometer, bezwaarlijk omdat [minderjarige] dan niet makkelijk met de fiets naar school kan vanwege diverse gevaarlijke verkeerssituaties. Verder weet de man niet of hij, gelet op zijn financiële situatie, een auto kan blijven rijden, dit in tegenstelling tot de vrouw, waardoor voor hem de reisafstand tot school meer bepalend is dan voor de vrouw.

Het argument van de vrouw dat [minderjarige] indien hij naar [school X] gaat, bij [kinderdagverblijf Z] naar de BSO kan gaan, acht de man van zeer gering belang, nu dit hooguit gedurende één dag per week zal zijn.

De bezwaren van de vrouw tegen de schoolkeuze van de man betreffen het feit dat volgens de vrouw [school Y] met name gericht is op cognitief presteren (taal en rekenen) en dat andere leer- en ontwikkelingsgebieden bewust een daaraan ondergeschikte positie hebben, terwijl de resultaten op de cognitieve domeinen op deze school niet beter lijken te zijn dan bij [school X]. [school Y] werkt voornamelijk met traditioneel frontaal onderwijs met een vast leerstofjaarklassensysteem. [school Y] is verder een wijkgerelateerde school, waardoor er geen kinderen bij de vrouw uit de buurt naar deze school gaan, hetgeen het naar school fietsen en spelen met vriendjes in de tijd dat [minderjarige] bij de vrouw is, lastiger maakt.

Ter zitting hebben partijen hun standpunt, als in het voorgaande weergegeven, uitgebreid nader toegelicht.

In het kader van de reisafstand van huis naar school hebben partijen aangegeven dat de reisafstand van de man tot [school Y] 1 kilometer is en tot [school X] 4 kilometer. De reisafstand van de vrouw tot [school X] is 2,4 kilometer en tot [school Y] 3,5 kilometer.

Gebleken is dat de schooltijden van beide scholen nagenoeg identiek zijn. Bij [school X] zijn de tijden op maandag, dinsdag en donderdag van 8.40 uur tot 12.15 uur en van 13.00 uur tot 15.00 uur. Op woensdag en vrijdag zijn de schooluren van 8.40 uur tot 12.30 uur. Bij [school Y] gelden dezelfde tijden, maar daar eindigt de ochtend op maandag, dinsdag en donderdag om 12.00 uur.

Op [school X] blijven de kinderen tijdens de middagpauze op school over. Op [school Y] vooralsnog niet, al heeft de vrouw aangegeven dat zij heeft begrepen dat in het komende jaar ook [school Y] een continuerooster krijgt. Volgens de man is dit niet zo, althans blijkt het niet uit het jaarplan voor de jaren 2011-2014.

De vrouw heeft desgevraagd nog aangegeven dat het huidige kinderdagverblijf geen uitspraak doet over de voor de toekomst meest wenselijke school voor [minderjarige]. Het kinderdagverblijf signaleert dat [minderjarige] belangstelling heeft voor de Montessorispeelmaterialen en het ziet geen belemmering voor [minderjarige] om Montessorionderwijs te volgen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ter zake geschillen over de gezagsuitoefening de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijke voorkomt.

De rechtbank heeft ter zitting aangegeven dat, nu partijen er niet in zijn geslaagd een schoolkeuze voor [minderjarige] overeen te komen, de rechtbank een beslissing zal nemen die haar in het belang van [minderjarige] het meest wenselijk voorkomt.

De rechtbank stelt voorop dat partijen zich zeer goed hebben georiënteerd bij hun keuze voor een basisschool voor [minderjarige]. Beiden hebben voor hun keuze valide argumenten aangedragen. Elk van de door partijen aangedragen argumenten kan aan de basis liggen van een verantwoorde keuze. Maar elk van de argumenten komt tevens voort uit een eigen visie die elk van partijen heeft op de wijze waarop verantwoord onderwijs dient te zijn ingericht. Deze visies zijn naar hun aard subjectief.

De rechtbank is van oordeel dat zij slechts beschikt over één objectief aanknopingspunt en dat is de keuze van partijen in het verleden voor kinderdagverblijf [kinderdagverblijf Z], van welk kinderdagverblijf, en zulks is door de man niet betwist, veel kinderen doorstromen naar basisschool [school X] omdat daar sprake is van hetzelfde pedagogische klimaat. De door de vrouw aangegeven samenwerking tussen de beide scholen is door de man evenmin betwist.

Desgevraagd heeft de man aangegeven dat de keuze voor kinderdagverblijf [kinderdagverblijf Z] een praktische keuze is geweest. Verder voert de man aan dat er sprake was van een compromis tussen partijen omdat zij beiden anders in het leven staan.

Volgens de man hebben partijen op het internet gezocht naar een kinderdagverblijf en zijn op die manier bij [kinderdagverblijf Z] uitgekomen.

De vrouw merkt op dat er in haar optiek sprake is geweest van een bewuste keuze voor juist dit kinderdagverblijf. Partijen kenden in hun omgeving mensen waarvan de kinderen dit kinderdagverblijf reeds bezochten en voorts kende de vrouw iemand die er werkte en had zij langs die weg ook figuurlijk gesproken een inkijkje. Bij kinderdagverblijf [kinderdagverblijf Z] is er, zo stelt de vrouw, veel aandacht voor de ontwikkeling van het kind, bijvoorbeeld via het ontwikkelen van de zintuigen van baby’s door middel van het voelen van dingen. De vrouw geeft voorts aan dat er in de buurt waar partijen woonden een ander kinderdagverblijf was - [kinderdagverblijf Z2] - waar partijen bewust niet voor hebben gekozen.

In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat partijen niet zomaar hebben gekozen voor kinderdagverblijf [kinderdagverblijf Z], maar dat deze keuze was gebaseerd op onderzoek en waarneming van partijen, mogelijk meer van de vrouw dan van de

man, en vervolgens door hen gezamenlijk is gemaakt. Voorts hebben partijen, zoals blijkt uit de stelling van de vrouw, welke door de man niet is betwist, niet gekozen voor een kinderdagverblijf vlak bij hen in de buurt.

In het licht hiervan, acht de rechtbank het het meest logisch dat [minderjarige] naar een basisschool gaat die aansluit bij de uitgangspunten en principes van het kinderdagverblijf dat hij thans bezoekt en waarvoor partijen in het verleden bewust hebben gekozen.

De rechtbank is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat het verzoek van de vrouw, dat partijen [minderjarige] zullen inschrijven op de Montessorischool [school X] te

’s-Hertogenbosch en te bepalen dat [minderjarige] vanaf het moment dat hij leerplichtig is op die school onderwijs zal volgen, dient te worden toegewezen, als zijnde het meest in het belang van [minderjarige].

Partneralimentatie

Partijen verzoeken de rechtbank vast te stellen dat de man definitief en niet wijzigbaar afziet van zijn aanspraak op partneralimentatie, behoudens in het geval zoals genoemd in artikel 1:159 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Gelet op de hierover tussen partijen bereikte overeenstemming, zal de rechtbank zich daaraan conformeren, het verzoek als dienovereenkomstig gewijzigd beschouwen en beslissen als hierna in het dictum te melden.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt tussen partijen, die op [datum] te [plaats]met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit;

gelast de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden overeenkomstig hetgeen onder het kopje “Verrekening en verdeling” is overwogen;

neemt de getroffen onderlinge regelingen, zoals vermeld in het bij brief van 24 april 2013 overgelegde ouderschapsplan, op in deze beschikking onder verwijzing naar de aangehechte kopie van voormeld ouderschapsplan;

bepaalt dat partijen [minderjarige] zullen inschrijven bij basisschool [school X] te

’[plaats] en bepaalt dat [minderjarige] vanaf het moment dat hij leerplichtig is op die school onderwijs zal volgen;

stelt vast dat de man definitief en niet wijzigbaar afziet van zijn aanspraak op partneralimentatie, behoudens in het geval zoals genoemd in artikel 1:159 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.

conc: tve

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.