Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7231

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_102
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak in milieuzaak. Afwijken representatieve bedrijfssituatie.

Samenvatting:

De beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestische rapport dat is overgelegd naar aanleiding van de tussenuitspraak wijkt af van de omschrijving gevoegd bij de aanvraag. Het blijft onduidelijk of de inrichting aan de geluidvoorschriften in het bestreden besluit kan voldoen. Het gebrek is daarom niet hersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de vergunning te weigeren dan wel verweerder een tweede gelegenheid te geven de geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank overweegt in dit kader dat vergunninghoudster eerst duidelijk zal moeten aangeven op welke wijze de inrichting in werking zal worden gebracht. Indien vergunninghoudster de inrichting in werking zal nemen conform de omschrijving dient het akoestisch onderzoek daarop te worden aangepast. Indien de inrichting in werking zal zijn op de wijze zoals beschreven in het akoestische rapport, dient de aanvraag te worden gewijzigd en te worden aangevuld met het akoestische rapport na correctie met inachtneming van deze uitspraak. De enkele mededeling van vergunninghoudster dat de conclusies van verweerder worden gevolgd volstaat niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/6067
Milieurecht Totaal 2016/6466

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/102

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder

(gemachtigde: E. Kramer en ing. A. Linnemans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], vergunninghoudster (gemachtigde mr. F.K.H. van Oostveen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2012 heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de inrichting aan [adres 1] met een biggenstal, een opfokzeugenstal, een guste- en dragende zeugenstal en een kraamzeugenstal.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het daarnaast ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is ingetrokken nadat namens vergunninghoudster te kennen is gegeven niet met de uitvoering van de verleende vergunning te starten totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen bij [persoon 1], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Het onderzoek is heropend. De rechtbank heeft op 2 oktober 2013 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Verweerder heeft op 12 november 2013 gereageerd. Vergunninghoudster heeft op 26 november 2013 gereageerd. Eisers hebben op 5 december 2013 gereageerd.

Overwegingen

1.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet op voorhand duidelijk is of de inrichting aan de geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning kan voldoen noch of er een noodzaak bestond een uitzondering te maken voor de incidentele bedrijfssituatie.

2.

Verweerder heeft in de reactie onder verwijzing naar een akoestisch rapport van GO Consult van 24 oktober 2013 (verder: het akoestische rapport) geconcludeerd dat de inrichting kan voldoen aan de opgelegde geluidvoorschriften. Verder heeft verweerder aangegeven dat er géén noodzaak is voor het maken van een uitzondering voor een incidentele bedrijfssituatie (het laden en lossen van vee in de nachtperiode). Vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij zich in het rapport en de conclusies van verweerder kan vinden.

3.1

Eisers hebben aangegeven dat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestische rapport onjuist is. De beschrijving wijkt af van de omschrijving van de belangrijkste geluid- en trillingsbronnen binnen de inrichting, opgenomen onder punt 18.2 in bijlage 2 bij de aanvraag om een omgevingsvergunning (verder: de omschrijving). Eisers merken ook op dat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie geen melding maakt van de afvoer van kadavers, maar dat deze activiteit wel wordt genoemd in de omschrijving. Evenmin wordt melding gemaakt van een bromtoon die zij vaak in de nacht horen. Volgens eisers strookt de beschrijving niet met de werkelijke situatie omdat geen rekening wordt gehouden met het gebruik van de inrit tegenover hun woning.

3.2

De enkele opmerking van eisers dat sprake is van een hoorbare bromtoon, is onvoldoende voor het oordeel dat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie op dit onderdeel onvolledig is. Het ligt op de weg van eisers om meer concreet aan te geven waar deze bromtoon door zou kunnen worden veroorzaakt. Dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aanduiding van de stationaire geluidbronnen in de omschrijving overeenstemt met de beschrijving daarvan in de representatieve bedrijfssituatie.

3.2

De rechtbank stelt vast dat de beschrijving van de vervoersbewegingen in de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport wel afwijkt van de omschrijving. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de omschrijving geen inschatting geeft van een worst-case scenario maar slechts een opsomming van de vervoersbewegingen over een langere periode. Dit neemt echter niet weg dat de omschrijving een groter aantal vrachtwagenbewegingen gedurende langere periode bevat dan is aangegeven in de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport. De rechtbank hecht vooral waarde aan de verschillen tussen de omschrijving en het akoestische rapport met betrekking tot het lossen van propaan. In de omschrijving is vermeld dat dit 30 minuten duurt. In het akoestische rapport is vermeld dat het 20 minuten duurt. De rechtbank sluit niet uit dat, indien in overeenstemming met de omschrijving maar in afwijking van het akoestische rapport het lossen van propaan 30 minuten duurt, sprake is van een overtreding van de geluidvoorschriften. Het akoestisch rapport geeft hierover onvoldoende duidelijkheid. Bovendien valt zonder nadere uitleg niet te begrijpen waarom de afvoer van kadavers niet wordt vermeld in de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie.
De omschrijving maakt onderdeel uit van de aanvraag. Dit heeft tot gevolg dat het ervoor moet worden gehouden dat vergunninghoudster de inrichting in werking zal brengen conform deze omschrijving. Omdat de omschrijving afwijkt van de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie van het akoestisch rapport, kan op basis van dit akoestisch rapport niet de conclusie worden getrokken dat de inrichting dan kan voldoen aan de geluidvoorschriften die zijn verbonden aan het bestreden besluit.

3.3

Ter zitting is gebleken dat de inrit tegenover de woning van eisers wordt gebruikt ten behoeve van brandstoftransport. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er van wordt uitgegaan dat een meer zuidelijk gelegen inrit wordt gebruikt ten behoeve van brandstoftransport. De opmerking van eisers hierover is terecht en, gelet op het verhandelde ter zitting moet het ervoor worden gehouden dat als de inrit tegenover de woning van eisers wordt gebruikt, niet duidelijk is of de inrichting aan de geluidvoorschriften kan voldoen omdat deze situatie niet is vermeld in de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het rapport.

3.4

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het rapport onjuist is.

4.1

Eisers stellen voorts dat in het akoestische rapport het toetsingspunt op de gevel van hun woning ten onrechte niet is aangebracht op de zuidwestelijke hoek van de gevel maar midden in de westelijke gevel van de woning.

4.2

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat het akoestische rapport op dit onderdeel onjuist is. Zo hebben zij niet aangegeven of het zuidwestelijke deel van de woning wordt gebruikt en hoe de gevel van de woning er uit ziet. Het rapport is opgesteld met inachtneming van de wijze van berekenen in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai en het moet ervoor worden gehouden dat de keuze van het toetsingspunt juist is geschied in het akoestische rapport. Dit argument faalt.

5.1

Eisers voeren verder aan dat bij de bepaling van de omvang van de indirecte hinder vanwege de inrichting in het akoestische rapport ten onrechte wordt volstaan met vaststelling van de indirecte hinder bij de woning aan [adres 2] en dat de indirecte hinder bij de woning van eisers ten onrechte niet is vastgesteld.

5.2

De rechtbank stelt vast dat in het akoestische rapport wel een vrachtwagenbeweging van de inrit nabij de woning van eisers is opgenomen maar dat deze vrachtwagenbeweging niet wordt aangegeven op de figuur waarbij de indirecte hinder in kaart wordt gebracht. Dit neemt echter niet weg dat niet valt in te zien dat ter hoogte van de woning van eisers sprake is van een hogere geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting dan bij de woning aan [adres 2]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de woning aan [adres 2] weliswaar op een grotere afstand van de weg is gelegen dan de woning van eisers en dat met het lossen van propaan maximaal 2 vrachtwagenbewegingen zijn gemoeid en het totale verkeer van en naar de inrichting 12 vrachtwagenbewegingen, 4 tractorbewegingen, 12 personenautobewegingen en 12 bestelautobewegingen omvat. In zoverre ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege indirecte hinder een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden optreedt. Dit argument faalt.

6.1

Eisers merken verder op dat het akoestische rapport uitgaat van een bedrijfsduurcorrectie voor het gebruik van de laadlift terwijl in de tussenuitspraak is aangegeven dat het geluid van de laadlift van de veevrachtwagens gedurende de gehele tijd dat vee wordt verladen, dient te worden betrokken en niet alleen wanneer de laadlift daadwerkelijk wordt gebruikt. Verder is ten onrechte geen straftoeslag van 5 dB(A) toegepast vanwege het tonale geluid van de laadklep. Uit het akoestische onderzoek blijkt niet dat is onderzocht of het tonale geluid hoorbaar is.

6.2

In de tussenuitspraak is het volgende vermeld: “Verweerder dient er van uit te gaan dat alle vrachtwagens een achteruitrijdsignalering gebruiken. Verder dient het geluid van de laadlift van de veevrachtwagens gedurende de gehele tijd dat vee wordt verladen, te worden betrokken en niet alleen wanneer de laadlift daadwerkelijk wordt gebruikt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2570, rechtsoverweging 7.5. “ In de genoemde uitspraak is overwogen dat het aannemelijk is dat een vrachtwagen per bezoek aan de inrichting de achteruitrijdsignalering maar één keer zal gebruiken omdat hij maar één keer over een relatief korte afstand achteruit zal rijden waarbij de achteruitrijdsignalering zal worden gebruikt en heeft de rechtbank geoordeeld dat bij het bepalen van de bedrijfsduur bij de tonaliteitstoeslag kan worden uitgegaan van een duur van 9 minuten.

6.3

In deze zaak dient er vanuit te worden gegaan dat de laadlift gedurende het gehele uur in gebruik is. Voor een bedrijfsduurcorrectie is daarom geen aanleiding. In zoverre is geen gevolg gegeven aan de tussenuitspraak. De rechtbank is bovendien van oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte op basis van een enkele aanname er van uit is gegaan dat het tonale geluid van de laadlift niet hoorbaar is bij eisers. Dit had moeten worden onderzocht en dat is niet gedaan. In zoverre is het akoestisch onderzoek onjuist.

7.1

Eisers stellen tot slot dat in het rapport ten onrechte niet vermeld welke brongegevens afkomstig zijn van metingen en welke brongegevens afkomstig zijn uit literatuur.

7.2

Deze meer algemene opmerking leidt niet tot het oordeel dat het rapport reeds daarom niet inzichtelijk is. Dit neemt niet weg dat bij het verwerken van omstandigheden ter plaatse zoals de hoorbaarheid van tonaal geluid, in het rapport dient te worden aangegeven of dit is geschied op basis van een meting of van een aanname.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank is het akoestische rapport onjuist. Het blijft onduidelijk of de inrichting aan de geluidvoorschriften in het bestreden besluit kan voldoen. Het gebrek dat is aangeduid in de tussenuitspraak, is daarom niet hersteld. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de vergunning te weigeren dan wel verweerder een tweede gelegenheid te geven de geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank overweegt in dit kader dat vergunninghoudster eerst duidelijk zal moeten aangeven op welke wijze de inrichting in werking zal worden gebracht. Indien vergunninghoudster de inrichting in werking zal nemen conform de omschrijving dient het akoestisch onderzoek daarop te worden aangepast. Indien de inrichting in werking zal zijn op de wijze zoals beschreven in het akoestische rapport, dient de aanvraag te worden gewijzigd en te worden aangevuld met het akoestische rapport na correctie met inachtneming van deze uitspraak. De enkele mededeling van vergunninghoudster dat de conclusies van verweerder worden gevolgd volstaat niet. Omdat de rechtbank een dergelijke wijziging van de aanvraag als ondergeschikt beschouwt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding de voorliggende aanvraag af te wijzen. Wel zal verweerder ten behoeve van een nieuw te nemen besluit op de aanvraag wel de volledige procedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten volgen.

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.180,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. A.H.N. Kruijer en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier voorzitter

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.