Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7230

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_2876
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:97, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geitenhouderij. Grondgebonden. Bouwstop.

Samenvatting:

De rechtbank is van oordeel dat de geitenhouderij een grondgebonden agrarisch bedrijf is zoals gedefinieerd in het bestemmingsplan. De aanvraag is echter wel in strijd met de Verordening ruimte 2012. Daarom heeft verweerder ook de gevraagde ontheffing kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/2876

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te Schaijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd, verweerder

(gemachtigde: W.C.M. Niekus).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor de bouw van een nieuwe geitenstal aan [adres 1] afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met zaak SHE 13/2878. Eiseres is verschenen bij [persoon 1] en [persoon 2] en vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Gelet op het feit dat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend voor 1 oktober 2010 is op deze zaak nog het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wabo.

2.1

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres exploiteert een geitenhouderij aan [adres 1]. In deze stallen worden de geiten binnen gehouden. Op 2 april 2009 heeft zij bij verweerder een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het bouwen van een nieuwe geitenstal met een oppervlakte van 2.471,7 m² ter vervanging van een van de huidige geitenstallen van circa 720 m².

2.2

Bij brief van 31 mei 2010 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de bouwvergunning wegens strijd met de Verordening Ruimte geweigerd moet worden en haar in overweging gegeven de aanvraag in te trekken. Partijen hebben afgewacht of in de Verordening Ruimte eerste fase en in de daaropvolgende Verordening Ruimte 2011 de bouwstop voor (uitbreiding van) geitenhouderijen zou worden opgeheven. Omdat de bouwstop bij de Verordening ruimte 2012 (verder: VR2012) niet is opgeheven, heeft verweerder de bouwaanvraag bij besluit van 1 oktober 2010 afgewezen.

2.3

Eiseres exploiteert ook een bedrijf aan [adres 2]. Eiseres heeft op 30 september 2010 bij verweerder een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het bouwen van een ligboxenstal met een oppervlakte van 6.380 m² en 900 koeien op dat perceel. Ook deze aanvraag is afgewezen. Het bezwaar van eiseres is ongegrond verklaard bij besluit van 19 maart 2013. Eiseres heeft ook hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/2876.

3.

In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de gemeentelijke bezwaarcommissie, het standpunt gehandhaafd dat de bouw van de geitenstal in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” en artikel 9.6 van de Verordening Ruimte 2012 (VR2012) Daarmee is de aanvraag volgens verweerder in strijd met artikel 44, eerste lid onder c en onder f, van de Woningwet.

4.1

Volgens eiseres is de geitenhouderij te beschouwen als een grondgebonden agrarisch bedrijf omdat er in de directe nabijheid circa 120 hectare grond aanwezig is die wordt ingezet voor de productie van ruwvoer (gras en maïs) ten behoeve van het eigen vee. Dat de geiten binnen worden gehouden, is volgens eiseres niet relevant.

4.2

Volgens verweerder is geen sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De geiten worden binnen gehouden waardoor het bedrijf als niet-grondgebonden kan worden beschouwd.

4.3

Ingevolge het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan Buitengebied 1996 (door de raad vastgesteld op 16 september 1999) rust op het perceel de (mede)bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden”. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming overeenkomstig de aanduidingen op de (detailplan)kaart onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Op de detailplankaart is vervolgens aangeduid of een agrarisch bedrijf grondgebonden dan wel niet-grondgebonden is. Op de detailplankaart heeft betreffend bedrijf/bouwvlak de aanduiding grondgebonden (gr).

4.4

Ingevolge artikel 1, onder 4 van de planvoorschriften wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Ingevolge artikel 1, onder 5 van de planvoorschriften wordt onder een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen.

4.5

Ingevolge artikel 19, lid 3, aanhef en onder j van de planvoorschriften, gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde de aanwijzingen op de detailplankaarten alsmede het volgende: het oprichten van bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden activiteiten is niet toegestaan, behoudens ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven binnen de bestemming Agrarisch gebied.

4.6

De rechtbank is van oordeel dat het bestemmingsplan niet uitsluit dat bij een grondgebonden agrarisch bedrijf dieren uitsluitend binnen worden gehouden. Als enige vereiste voor het grondgebonden karakter wordt namelijk gesteld dat sprake moet zijn van een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Volgens de rechtbank kan dit bestemmingsplanvoorschrift slechts op de volgende manier worden uitgelegd: indien en voor zover het bedrijf met de productie afkomstig van de in eigen gebruik zijnde agrarische gronden kan voorzien in de voederbehoefte van de veestapel die in de stallen wordt gehouden, is sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Uit de tekst van het bestemmingsplan volgt niet dat dieren buiten moeten worden gehouden of dat er een huiskavel bij het bedrijf moet liggen die groot genoeg is om alle dieren te beweiden. De enkele omstandigheid dat de geiten binnen worden gehouden is daarom onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat reeds daarom geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Ook voor bedrijven waar de dieren binnen worden gehouden kunnen de omliggende gronden essentieel zijn omdat hiermee in de voerderbehoefte van de dieren kan worden voorzien.

5.7

Verweerders stelling in het verweerschrift dat het bedrijf is te beschouwen als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf omdat de productie plaatsvindt in gebouwen, wordt evenmin gevolgd. Weliswaar is de melkopbrengst afkomstig van de geiten die worden gehouden en worden gemolken in de stallen, de dieren worden gevoerd met de opbrengst van de gronden behorend bij het bedrijf. Dit maakt de aanwezigheid van de omliggende gronden een essentieel productiemiddel. De productie van het voer voor de dieren vindt buiten plaats en niet in gebouwen. Daarom is geen sprake van een niet-gebonden agrarisch bedrijf. Verweerder heeft niet onderzocht of het voortbrengend vermogen van de omliggende gronden voldoende is om te voorzien in de voerbehoefte van de veestapel. Het bestreden besluit in zoverre dan ook niet juist gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

6.1

Eiseres stelt verder dat de omvang van het bouwvlak toereikend is en dat verweerder had kunnen volstaan met een eenvoudige vormverandering. Hier had verweerder volgens eiseres medewerking aan moeten verlenen.

6.2

Verweerder weigert ontheffing te verlenen omdat het bedrijf in strijd is met artikel 9.6 van de VR2012.

6.3

Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in de bouw van een stal buiten het bouwblok en dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. In geschil is of verweerder aan de weigering om een dergelijke ontheffing te verlenen, strijdigheid met het provinciale beleid ten grondslag kon leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet verplicht om ontheffing te verlenen maar is verweerder hiertoe bevoegd. Het staat verweerder vrij om in kader hiervan het provinciale beleid bij de besluitvorming te betrekken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: ABRS) van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2372. Hieronder zal de rechtbank nagaan of de aanvraag in strijd is met het provinciale beleid dan wel de VR2012.

7.1

Eiseres heeft gesteld dat artikel 9.6 van de VR2012 onverbindend is. Er bestaat geen enkele noodzaak om redenen van volksgezondheid om deze vergaande maatregel te handhaven. Het Rijk heeft al op 28 oktober 2011 het verbod op het uitbreiden van melkgeiten- en schapenstallen ingetrokken en andere provincies staan uitbreidingen van melkgeiten- en schapenstallen toe.

7.2

Ingevolge artikel 9.6 eerste lid onder b, van de VR2012, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit geldt (…) tot 1 juni 2013 de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij (…) niet is toegestaan. Dit bouwverbod is bij Statenbesluit van 22 maart 2013 overigens verlengd tot 1 juni 2014.

7.3

In de uitspraak van deze rechtbank van 23 november 2012 (ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4041) heeft de rechtbank in rechtsoverweging 11.4 het volgende overwogen: “De rechtbank is van oordeel dat provinciale staten, ondanks het vervallen van het landelijke uitbreidingsverbod in de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met de aanwijzing van Q-koorts en maatregelen ter bestrijding van Q-koorts (verder: de Regeling), gelet op de verdere onderzoeken en inventarisaties die gaande zijn naar de gezondheidsrisico’s van Q-koorts, bij vaststelling van de VR2012 in redelijkheid de algemene bouwstop tot 1 juni 2013 hebben kunnen handhaven. Deze uitspraak is op dit onderdeel bevestigd in de uitspraak van de ABRS van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1819. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase desgevraagd heeft aangegeven geen reden te zien om aan gedeputeerde staten voor te leggen of op basis van artikel 13.4, eerste lid, van de VR2012 zou moeten worden afgeweken.

7.4

De aanvraag ziet onmiskenbaar op het uitbreiden van een geitenhouderij en is in strijd met het verbod in artikel 9.6 van de VR2012. Of al dan niet sprake is van een intensieve geitenhouderij acht de rechtbank niet relevant omdat de VR2012 geen onderscheid maakt. Verweerder heeft de aanvraag daarom kunnen weigeren wegens strijd met artikel 44, eerste lid onder f. van de Woningwet. Dit leidt eveneens tot het oordeel dat verweerder het verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan in verband met een vormverandering van het bouwblok heeft kunnen afwijzen.

8.

Ook al slaagt de beroepsgrond dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, dit neemt niet weg dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 44, eerste lid onder c en f van de Woningwet. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.