Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7087

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
01/839568-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1725, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor 3 gewapende overvallen. Verdachte wordt vrijgesproken van nog 3 vergelijkbare feiten bij gebreke van bewijs (modus operandi weliswaar hetzelfde, maar is onvoldoende specifiek en signalement is ook onvoldoende specifiek).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest en verdachte dient schade te vergoeden aan benadeelden. Het mes en de bivakmuts worden onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839568-13

Datum uitspraak: 24 december 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 september 2013 en 10 december 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 augustus 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Asten met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer 200,00 euro,

althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of cafetaria[cafetaria 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemd

cafetaria is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Overval!" en/of "Geld!", althans woorden van gelijke aard

en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft getoond aan

en/of gericht heeft gehouden op (borsthoogte van) die [slachtoffer 1];

(artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Asten met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 200,00 euro, althans een hoeveelheid

geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de heer

[slachtoffer 1] en/of cafetaria[cafetaria 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemd

cafetaria is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Overval" en/of "Geld, geld", althans woorden van gelijke

aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft getoond

aan en/of gericht heeft gehouden op (borsthoogte van) die [slachtoffer 1];

(artikel 310 jo 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

hij op of omstreeks 27 maart 2013 te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

ongeveer 418,25 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer 2] en/of supermarkt

[supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

supermarkt is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Dit is een overval" en/of "Geld, geld" en/of "Alle

briefjes, alle briefjes", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft getoond aan en/of gericht heeft

gehouden op, althans voorgehouden heeft aan, die [slachtoffer 2];

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 27 maart 2013 te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 418,25

euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan[slachtoffer 2] en/of supermarkt[supermarkt], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

supermarkt is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Dit is een overval" en/of "Geld, geld" en/of "Alle

briefjes, alle briefjes", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft getoond aan en/of gericht heeft

gehouden op, althans voorgehouden heeft aan, die [slachtoffer 2];

(artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

hij op of omstreeks 4 april 2013 te Haps, gemeente Cuijk, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], te dwingen tot de afgifte van een

hoeveelheid geld/goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of bakkerij [bakkerij 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

bakkerij is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd

(tegen die [slachtoffer 3]) "Die la open" en/of (tegen die [slachtoffer 4]) "Geef me de kas",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of

vervolgens) een mes heeft getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans

heeft voorgehouden, aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van

voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

(artikel 317 lid 1 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 04 april 2013 te Haps, gemeente Cuijk, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld/goederen, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of

bakkerij [bakkerij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen

vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], te plegen met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

bakkerij is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd

(tegen die [slachtoffer 3]) "Die la open" en/of (tegen die [slachtoffer 4]) "Geef me de kas",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of

vervolgens) een mes heeft getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans

heeft voorgehouden, aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 310 jo 312 lid 1 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

hij op of omstreeks 5 april 2013 te Ospel, gemeente Nederweert, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid

geld/goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 5] en/of cafetaria[cafetaria 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemd

cafetaria is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Dit is een overval. Ik moet geld hebben, de kassa moet

open" en/of "Kassa open. Kassa open! Geld moet ik.", althans woorden van

gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft

getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans heeft voorgehouden aan,

die [slachtoffer 5], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

(artikel 317 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 05 april 2013 te Ospel, gemeente Nederweert, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen/geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of cafetaria[cafetaria 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], te plegen met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemd

cafetaria is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft

gezegd/geschreeuwd "Dit is een overval. Ik moet geld hebben, de kassa moet

open" en/of "Kassa open. Kassa open! Geld moet ik.", althans woorden van

gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes heeft

getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans heeft voorgehouden aan,

die [slachtoffer 5], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(artikel 310 jo 312 lid 1 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Panningen, gemeente Peel en Maas,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte

van ongeveer 550,47 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bakkerij 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

bakkerij is binnengelopen en/of zich in voornoemde bakkerij heeft opgehouden

en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd "Geld in zak", althans

woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een

mes heeft getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans heeft

voorgehouden aan, die [slachtoffer 6] en/of met voornoemd mes een steekbeweging heeft

gemaakt in de richting van die [slachtoffer 6];

(artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Panningen, gemeente Peel en Maas,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 550,47

euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bakkerij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat verdachte

- in (deels) gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde

bakkerij is binnengelopen en/of zich in voornoemde bakkerij heeft opgehouden

en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd "Geld in zak", althans

woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een

mes heeft getoond aan en/of gericht heeft gehouden op, althans heeft

voorgehouden aan, die [slachtoffer 6] en/of met voornoemd mes een steekbeweging heeft

gemaakt in de richting van die [slachtoffer 6];

(artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

hij op of omstreeks 30 maart 2013 te Leende, gemeente Heeze-Leende, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 7] en/of[slachtoffer 8], heeft gedwongen

tot de afgifte van ongeveer 678,90 euro, althans hoeveelheid geld, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bakkerij 2]

[bakkerij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in deels gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde bakkerij

is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd "Dit is

een overval" en/of "Kassa open doen" en/of "Meer, meer, meer", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes

heeft voorgehouden, althans getoond, aan die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8];

(artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 30 maart 2013 te Leende, gemeente Heeze-Leende, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen ongeveer 678,90

euro, althans hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bakkerij 2], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] en/of[slachtoffer 8]

[slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte

- in deels gelaatsbedekkende en/of -verhullende kleding - voornoemde bakkerij

is binnengelopen en daarbij en/of vervolgens heeft gezegd/geschreeuwd "Dit is

een overval" en/of "Kassa open doen" en/of "Meer, meer, meer", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking, en/of (daarbij en/of vervolgens) een mes

heeft voorgehouden, althans getoond, aan die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8];

(artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsbeslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Voor wat betreft feit 1 baseert zij zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden, de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3], de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 4], de herkenning van verdachte op de camerabeelden door getuigen [getuige 5] en

[getuige 2] en de bij de doorzoeking van de auto van verdachte aangetroffen kleding en het mes. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de resultaten van het uitlezen van de telefoon van verdachte en de daardoor aangestraalde zendmasten rondom en na afloop van het moment van de overval en de ARS-gegevens.

Voor wat betreft de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 baseert de officier van justitie zich, naast de aangiften, op de omstandigheid dat telkens dezelfde modus operandi is toegepast en de dader qua signalement en kleding steeds overeenkwam. Ten aanzien van feit 4 hecht zij veel waarde aan het van verdachte aangetroffen DNA-profiel op de in de cafetaria door de dader achtergelaten plastic zak. Bovendien wijzen de telefoongegevens, de ARS-gegevens en de aangetroffen tankbonnen in de auto van verdachte op de betrokkenheid van verdachte bij de verschillende overvallen, aldus de officier van justitie.

Voor wat betreft de feiten 2, 3 en 5 baseert de officier van justitie zich ook op verklaringen van getuigen die de auto van verdachte in de buurt van de plaats delict hebben gezien.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden in zijn pleitnota verwoord vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde feiten. In het bijzonder heeft de raadsman aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 de herkenning van verdachte op de beelden door getuigen onbetrouwbaar is en dat die getuigen daarover later tegenover de rechter-commissaris anders hebben verklaard. Voorts is er geen sprake van één modus operandi. Aldus is in onvoldoende mate komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak voor de feiten 2, 5 en 6:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder de feiten 2,

5

en 6 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De modus operandi van deze feiten is weliswaar gelijk, hetgeen een aanwijzing vormt voor de betrokkenheid van verdachte, maar deze is onvoldoende specifiek, evenals het door de slachtoffers opgegeven signalement. Voorts is het overige bewijs onvoldoende concreet om vast te stellen dat verdachte degene is geweest die deze feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2, 5 en 6 ten laste gelegde.

Bewijs voor de feiten 1, 3 en 4:

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn:

  • -

    een proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, met proces-verbaalnummer PL2233 2013033975, afgesloten op 20 juli 2013, aantal pagina’s: 423 (hierna: proces-verbaal);

  • -

    een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 december 2013.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht voor haar oordeel de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Aangever [slachtoffer 1] heeft op 11 maart 2013 aangifte gedaan en heeft als volgt verklaard.

Ik ben eigenaar van cafetaria[cafetaria 1] in Asten. Op 11 maart 2013, tussen 15.05 en 15.10 uur, hoorde ik het belletje van de deur. Ik zag een man met een zwarte bivakmuts en een mes voor de kassa staan. De persoon riep: “Overval!” en hij riep ook: “Geld!”. De persoon had het mes in zijn rechterhand. Ik zag dat het mes een groot zilver keukenmes van ongeveer 40 centimeter betrof. Ik zag dat de persoon het mes liet wijzen in mijn richting, ongeveer op borsthoogte. Ik zag dat deze persoon een plastic tas bij zich had. De tas was donker van kleur en deze had hij binnenste buiten gekeerd. De persoon hield deze tas open met twee handen. Het mes liet hij gewoon in zijn hand, maar bracht deze hand naar de tas. Uit het gebaar maakte ik op dat het geld in de tas gedaan moest worden. Ik heb meteen de kassalade geopend. Ik heb alle briefjes van twintig, tien en vijf euro uit de kassalade gepakt en in de tas gedaan. Toen de persoon bleef staan, met de tas open, vroeg ik: “Ook kleingeld?” Hierop antwoordde de persoon: “Ja”. Ik ben toen de munten van twee en één euro in gaan laden. Ineens liep de persoon weg. Ik denk dat er ongeveer 200 euro is weggenomen. Het betrof een blanke man met een zwarte bivakmuts over zijn hoofd en een zwarte jas aan. Hij sprak de Nederlandse taal en had een Brabants accent. Ik heb camerabeelden van het gehele incident (pagina 61 tot en met 62 van het proces-verbaal).

Op 11 maart 2013 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het volgende gerelateerd.

Door ons werden de videobeelden bekeken. Op de beelden is te zien dat de overvaller alleen binnenkomt. De overvaller haalt een groot mes uit de tas. In zijn rechterhand hield hij dat grote mes en in zijn linkerhand hield hij een plastic tas, binnenste buiten gekeerd. De overvaller liep direct naar de kassa. Aangever gaf de overvaller het geld in de tas. De overvaller droeg een zwarte jas, met zilverkleurige knopen aan de voorzijde, en twee grote vierkante zakken aan de voorzijde. Op de linkermouw zat een klein merkje. De overvaller droeg sportschoenen en een blauwe spijkerbroek. De achterzijde van de spijkerbroek was licht gebleekt. Hij droeg onder de jas een grijze capuchon in zijn nek. De overvaller betrof een blank persoon. Hij droeg een zwarte bivakmuts met grote gaten rondom de ogen en mond (pagina 66 tot en met 67 van het proces-verbaal).

Op 13 mei 2013 heeft verbalisant [verbalisant 3] het volgende gerelateerd.

In het kader van betreffend onderzoek werd een reconstructie van de overval in scène gezet, waarna beelden daarvan, samen met beelden van de daadwerkelijke overval en van de dader, werden uitgezonden in de programma’s Bureau Brabant en Opsporing Verzocht. De dader was tijdens de overval grotendeels niet herkenbaar door het dragen van een bivakmuts, doch kort tevoren passeerde hij de cafetaria aan de voorzijde, waarbij zijn gezicht goed was te zien.
Op vrijdag 10 mei 2013 bevond ik mij privé op het terrein van [camping], gevestigd aan het adres [adres] te [plaatsnaam]. Op dit terrein bevond zich een man waarvan ik vond dat deze in ieder geval lijkt op de dader van voornoemde overval, qua postuur en gezicht. De man die door mij werd gezien verblijft op de genoemde camping. Hij rijdt in een personenauto merk Volvo, type 440, kleur rood, voorzien van kenteken
[kenteken]. Volgens gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer is dit kenteken sinds 8 maart 2013 van [persoon 1], geboren op [1946]. De geboortedatum van de kentekenhouder komt niet overeen met de leeftijd van de man die door mij werd gezien. Deze schat ik qua leeftijd op ongeveer 30 jaar.
Op 23 april 2013 werd in Gemert door de lokale politie een bestuurder van een personenauto, rood van kleur, met het kenteken eindigend op 77 gecontroleerd. Deze man is genaamd [verdachte], geboren op [1982] te Deurne, thans zonder vaste woon- en/of verblijfplaats. Bij controle in de GBA bleek mij dat voornoemde [verdachte] een zoon is van [persoon 1].
(pagina 75 tot en met 76 van het proces-verbaal).

Op 22 mei 2013 heeft verbalisant [verbalisant 3] het volgende gerelateerd.

In aanvulling op mijn eerdere proces-verbaal kan ik nog verklaren dat de door mij omschreven man mijn aandacht trok, waarbij de beelden van de omschreven overval in Asten bij mij in herinnering kwamen, qua lengte en postuur (mager/normaal). Bij nadere beschouwing van deze beelden vond ik dat vooral de linkerzijde van zijn gezicht, daarbij doelend op een deel van een wenkbrauw, alsmede de “blik” vanuit zijn ogen en een smalle snor van de door mij geziene man overeenkomsten had met de dader van de overval (pagina 77 van het proces-verbaal).

Op 5 juni 2013 heeft verbalisant[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 4 juni 2013 werd een onderzoek in de personenauto, merk Volvo, type 440, kleur rood, voorzien van het kenteken [kenteken] ingesteld. In genoemd voertuig werden onder andere aangetroffen en in beslag genomen:

Op de achterbank: een Scania jas (blauw gekleurd met rode bies horizontaal op de achterzijde, rood gekleurde binnenzijde van de kraag en rode horizontale biezen op voorzijde).

In de kofferbak: zwarte bivakmuts met een paar zwarte handschoenen.

Onder vloermat bijrijderszitplaats: Premium mes van ongeveer 33 cm lengte, zwart handvat. (pagina 88 van het proces-verbaal).

Op 17 juni 2013 hebben verbalisanten [verbalisant 5] en[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 4 juni 2013 vond een doorzoeking plaats in de personenauto, merk Volvo, kenteken [kenteken]. Daarbij werd onder andere op de achterbank een zwarte jas, merk Snickers, aangetroffen. Deze jas heeft zilverkleurige knopen aan de voorzijde en twee vierkante grote zakken aan de voorzijde met daarboven bij elke zak twee grote zilverkleurige knopen. Op de linkermouw is een merkteken “Snickers” aangebracht.
Aan de hand van de door aangever [slachtoffer 1] verstrekte beelden van de overval op cafetaria[cafetaria 1] te Asten met daarop zichtbaar de specifiek genoemde kenmerken van de jas is de in de auto van [verdachte] aangetroffen Snickers jas soortgelijk aan de jas welke door de dader tijdens de overval werd gedragen. Op de foto’s zijn de overeenkomsten van de jas te zien: logo op de linkermouw bovenzijde, opening onderzijde jas (omdat de ritssluiting iets hoger in de jas is ingezet), de dubbele zilver/metaalkleurige knopen op de opgezette jaszak en de zilver/metaalkleurige knopen op de jas. Ditzelfde gold voor het in de auto aangetroffen mes. Op de foto’s zijn de overeenkomsten van het mes te zien: merkteken op mes en vorm en kleur lemmet (pagina 107 tot en met 108 van het proces-verbaal).

Getuige [getuige 1] heeft op 4 juni 2013 het volgende bij de politie verklaard.

Ik verblijf op camping [camping]. Ik heb hier ene [verdachte] leren kennen. [verdachte] heeft een rode Volvo met kenteken [kenteken]. [verdachte] en ik hadden het over Opsporing Verzocht. Toen wij het daar over hadden, begon [verdachte] ineens te lachen. Hij zei toen: “Dat heb ik gedaan, toen in Asten”. [verdachte] had het over een friteszaak. Ik had bij Opsporing Verzocht een overval op een friteszaak in Asten gezien. Ik zei tegen [verdachte] dat hij veel op de dader van die overval leek. [verdachte] vertelde toen tegen mij dat hij dat gedaan had. Wij, [verdachte] en ik, waren op dat moment samen aan het rijden in de auto van [verdachte]. Ik zag een mes liggen in die auto. Het was een mes met, volgens mij, een grijs handvat en een lemmet met een lengte van circa 30 cm. Dat mes lag onder het dashboard. [verdachte] zei toen tegen mij dat hij daarmee die zaak in Asten had gedaan. (pagina 146 tot en met 147 van het proces-verbaal).

Getuige [getuige 2] heeft op 25 juni 2013 het volgende bij de politie verklaard.

[verdachte] is een neef van mij en heeft voor mij gewerkt. Wij hoorden dat [verdachte] vastzit voor 4 overvallen, namelijk die in Asten, De Mortel, Ospel en Haps. Wij zijn toen op internet gaan kijken naar beelden van een overval op een snackbar in Asten. Volgens mij waren het beelden van Omroep Brabant. Wij zagen op die beelden dat hij met een mes stond te zwaaien. Toen wij, mijn vrouw en ik, die beelden zagen, herkenden wij [verdachte] direct als de dader van die overval. Wij herkenden hem aan zijn lange, slungelige houding en het snorretje dat hij had. Wij kennen [verdachte] al zijn hele leven en wij herkenden hem aan zijn hele houding zoals hij daar stond. Wij hebben daar geen twijfels over. (pagina 155 tot en met 157 van het proces-verbaal)

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de rode Volvo met kenteken [kenteken] in gebruik heeft gehad. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de in de Volvo aangetroffen jassen van hem zijn.


Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit, te weten afpersing. De in de auto van verdachte aangetroffen zwarte jas van het merk Snickers, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat die van hem is, vertoont zeer sterke gelijkenis met de jas die de overvaller op de camerabeelden droeg. Ook de in de auto van verdachte aangetroffen bivakmuts is soortgelijk aan de bivakmuts die de overvaller ten tijde van de overval droeg. Hetzelfde geldt voor het mes dat in de auto van verdachte is aangetroffen. Dit mes komt qua merkteken, vorm, afmetingen en kleur van het lemmet overeen met het mes dat de overvaller tijdens de overval gebruikte. Verder heeft getuige [getuige 1] verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij degene was die de friteszaak in Asten had overvallen en ze spraken toen over de overval waarvan de camerabeelden bij Opsporing Verzocht waren getoond. Daar komt bij dat getuige [getuige 2], de neef van verdachte, bij de politie heeft verklaard dat hij na het zien van de camerabeelden van de overval in Asten, verdachte direct zonder enige twijfel herkende als zijnde de dader van die overval. Getuige [getuige 2] is bij de rechter-commissaris weliswaar gedeeltelijk op zijn verklaring teruggekomen, maar de rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring die hij eerder bij de politie heeft afgelegd en heeft ondertekend. Niet valt in te zien waarom hij toen in strijd met de waarheid een voor een familielid belastende verklaring zou hebben afgelegd.

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank acht voor haar oordeel de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Aangever [slachtoffer 4] heeft op 4 april 2013 aangifte gedaan en heeft als volgt verklaard.

Ik ben mede-eigenaar van [bakkerij 1]. Bakkerij [bakkerij 1] staat ingeschreven op het adres [adres] en mijn woning is perceel [adres]. Zowel het woongedeelte als de bakkerij zijn ondergebracht in hetzelfde pand. Op donderdag 4 april 2013 omstreeks 17.15 uur bevond ik mij in het woongedeelte. Plots kwam [slachtoffer 3], een werkneemster, het woongedeelte binnen. [slachtoffer 3] was bezig in het winkelgedeelte en ze riep tegen mij dat er iemand met een mes stond. Binnen een paar seconden was ik in de winkel. De winkel was leeg op 1 persoon na. Deze persoon droeg een bivakmuts en hij maakte een beweging om achter de toonbank te komen. Ik zag dat de persoon een mes in zijn linkerhand vasthield. Ik schat de lengte van het zilverkleurig mesgedeelte (de rechtbank begrijpt: het lemmet) op 10 tot 15 centimeter. Verder kan ik deze persoon als volgt omschrijven: lengte ongeveer 1.85-1.95 meter, blauwe spijkerbroek, donkerblauwe en dofkleurige winterjas met een rode kraag. Verder droeg de persoon een zwarte bivakmuts met twee gaten waardoor de ogen zichtbaar waren en 1 gat waardoor zijn mond zichtbaar was. Ook droeg de persoon een kleine tas in zijn rechterhand. Twee tot drie keer hoorde ik dat de persoon riep: “Geef me de kas”. Dit ging op een dreigende toon terwijl hij het mes in zijn hand vasthield en dit mes in de richting van mij wees. Ik hoorde dat de persoon in de Nederlandse taal sprak. Ik riep terug dat er geen kas was. Dit ging zo twee tot drie keer over en weer. Hierop zag ik dat de persoon de display van de kassa vastpakte. Deze display zit op een standaard en behoort bij de kassa welke staat op de lange toonbank. De persoon trok dusdanig hard aan de display dat deze van de standaard afbrak. Hierop zag ik dat de persoon de winkel uitliep met het mes in zijn handen. Ik zag niet of de persoon het mes opborg of niet. De persoon liep richting het [straat 1]. Ik liep achter hem aan. Ik had de persoon de hele tijd in zicht. Ik zag dat de persoon, toen deze ongeveer ter hoogte van kapper[naam] liep, zijn bivakmuts aan de voorzijde omhoog trok. Toen kon ik zien dat de persoon een blanke huidskleur had. Hierlangs kon ik zien dat de persoon een man was en ik schat zijn leeftijd op 30 tot 40 jaar oud. De persoon had in de gaten dat ik hem volgde en daarop ging hij harder rennen. Bij het [straat 1] verdween de man de hoek om. Voorzichtig liep ik ook het [straat 1] op maar toen was de man inmiddels uit mijn zicht verdwenen. Er is geen buit weggenomen. (pagina 198 tot en met 200 van het proces-verbaal).

Getuige [slachtoffer 3] heeft op 4 april 2013 het volgende verklaard.

Ik zag een man in de winkel staan. Ik zag dat hij achter de toonbank stond. Ik hoorde hem paniekerig roepen: “Die la open!” Ik zag dat hij een mes in zijner hand had. Hij dreigde met het mes mijn kant op. Ik zag dat hij het mes voor zich uit hield en op ooghoogte met de punt naar mij wees. Ik zag dat het mes een soort vleesmes was van ongeveer 30 centimeter lang. Ik ben vervolgens het magazijn ingerend en zei tegen mijn collega’s dat er iemand met een mes in de winkel stond. (pagina 211 tot en met 212 van het proces-verbaal).

Getuige [getuige 3], wonende te Haps, heeft op 5 april 2013 het volgende verklaard.

Op 4 april 2013 omstreeks 17.15 uur zag ik dat op de parkeerplaats voor onze woning een auto stopte, bordeaux rood, dof, ik dacht een Volvo. Een man stapte uit en liep richting de Kerkstraat. Hij was gekleed in een, volgens mij, donkerblauwe jas met iets roods in zijn jas. Ik zag dat hij een plastic tas vasthield. Ik schat de man op 1.90 meter. Rond 18.30 uur zag ik dat de bordeaux rode auto er niet meer stond. (pagina 215 tot en met 216 van het proces-verbaal).

Op 21 mei 2013 heeft verbalisant [verbalisant 6] het volgende gerelateerd.

Krachtens een vordering ex artikel 126nd lid 1 SV werden door ARS Traffic and Transport Technology de kentekens aangeleverd die op donderdag 4 april 2013 tussen 16.00 en 19.00 uur over de N264 te Haps hebben gereden en de bravissimo-camera’s zijn gepasseerd.

Het voertuig met kenteken [kenteken] komt Haps op donderdag 4 april 2013 omstreeks 17.00 uur binnenrijden over de St. Hubertseweg vanuit de richting St. Hubert en gaande richting centrum Haps. Betreffend voertuig verlaat die dag omstreeks 18.30 uur, met een omtrekkende beweging, Haps via de Oeffeltseweg (pagina 236 van het proces-verbaal).

Op 5 juni 2013 heeft verbalisant[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 4 juni 2013 werd een onderzoek in de personenauto, merk Volvo, type 440, kleur rood, voorzien van het kenteken [kenteken] ingesteld. In genoemd voertuig werden onder andere aangetroffen en in beslag genomen:

Op de achterbank: een Scania jas (blauw gekleurd met rode bies horizontaal op de achterzijde, rood gekleurde binnenzijde van de kraag en rode horizontale biezen op voorzijde).

In de kofferbak: zwarte bivakmuts met een paar zwarte handschoenen.

Onder vloermat bijrijderszitplaats: Premium mes van ongeveer 33 cm lengte, zwart handvat. (pagina 88 van het proces-verbaal).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de rode Volvo met kenteken [kenteken] in gebruik heeft gehad. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de in de Volvo aangetroffen jassen van hem zijn.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 3 ten laste gelegde feit, te weten poging tot afpersing. Verdachte voldoet aan het door aangever en getuigen opgegeven signalement van de overvaller. Daarboven komt de in de auto van verdachte aangetroffen blauwe jas met rode biezen en rood gekleurde kraag aan binnenzijde van het merk Scania, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat die van hem is, overeen met de jas van de overvaller zoals die door aangever omschreven wordt. Ook de door getuigen omschreven jas van de man, die rond het tijdstip van de overval in de buurt van de plaats delict uit een soortgelijke bordeauxrode auto als die van verdachte stapt, komt overeen met voornoemde Scania jas van verdachte. Verder komen de ARS-gegevens met betrekking tot de auto van verdachte overeen met het tijdsbestek waarin de overval heeft plaatsgevonden. In de auto van verdachte is voorts een zwarte bivakmuts aangetroffen die soortgelijk is aan de bivakmuts die de overvaller ten tijde van de overval volgens aangever en getuigen droeg. Hetzelfde geldt voor het mes dat in de auto van verdachte is aangetroffen. Dit mes komt qua vorm, kleur en afmetingen overeen met het mes dat de overvaller tijdens de overval gebruikte. Ten slotte is dezelfde modus operandi toegepast als bij de feiten 1 en 4, namelijk een overval in de middag in een verder lege winkel door één man, gewapend met een groot mes, waarbij de dader een bivakmuts draagt en een (plastic) tas bij zich heeft.

Ten aanzien van feit 4.

De rechtbank acht voor haar oordeel de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Aangever [slachtoffer 5] heeft op 5 april 2013 aangifte gedaan en het volgende verklaard.

Op vrijdag 5 april 2013 omstreeks 17.00 uur was ik aan het werk in frituur [cafetaria 2] te Ospel. Ik hoorde de deur van de frituur opengaan. Meteen hierop zag ik dat er een manspersoon aan mijn rechterzijde stond. Ik hoorde dat de man tegen mij zei: “Dit is een overval. Ik moet geld hebben, de kassa moet open”. Het was een blanke man . Hij droeg een zwarte bivakmuts met drie gaten erin, een donkerkleurige korte jas en een blauwe spijkerbroek. Ik hoorde dat de man Nederlands sprak. Ik zei hierop tegen de man: “Nog niet misschien”. Ik zag dat de man hierop een brood-/keukenmes voorzien van een zwart handvat en een lengte van totaal zeker 30 centimeter uit een plastic zak pakte welke de man bij zich droeg. Ik zag dat de man het mes met de punt naar mij toe richtte en hoorde dat de man wederom riep: “Kassa open. Kassa open! Geld moet ik”. Ik zei wederom tegen de man: “Nog niet misschien”. Ik gooide frituurvet in de richting van de man. Ik zag dat de man het frituurvet ontweek en achteruit sprong in de richting van de in-/uitgang. Ik zag dat de man hierop de frituur verliet. (pagina 243 tot en met 244 van het proces-verbaal).

Aangever [slachtoffer 5] heeft op 12 april 2013 de volgende aanvullende verklaring afgelegd.

Op het moment dat de overvaller de zaak binnenkwam zei hij: “Dit is een overval”. Ik hoorde dat hij zei: “De kassa moet open”. Ik zag deze persoon opeens naast mij staan. Ik schat dat hij ongeveer een meter bij me vandaan stond. Ik zag dat deze persoon een plastic zak in zijn handen had. Ik heb een frituurmandje gepakt en een slaande beweging met dit mandje gemaakt richting deze persoon. Ik zag dat deze persoon aan de kant sprong. Ik hoorde dat hij zei: “De kassa moet open, ik moet geld hebben”. Ik zag toen dat de plastic zak op de grond viel. Ik zag dat hij een groot mes vast had. Ik zag dat de plastic zak, welke op de grond lag, meerdere kleuren had. Op het moment van de overval was ik alleen in de zaak. De overvaller sprak perfect Nederlands. Hij droeg zwarte handschoenen. De bivakmuts was donkerkleurig, voorzien van drie gaten, twee bij beide ogen en één rond de mond. De huidskleur was blank. De overvaller had donkerkleurige ogen. Het leek alsof het boven zijn bovenlip donker van kleur was, leek alsof hij een snor had. Ik schat dat hij tussen de 1.85 à 1.90 meter groot was. Aan het postuur en de stem kon ik zien dat het een mannelijk persoon betrof. De overvaller verliet heel rustig de zaak. Ik heb hem nagekeken en ik zag dat hij zijn bivakmuts omhoog deed. Ik kon op dat moment de zijkant van zijn gezicht zien. Ik zag dat er een klein stukje haar onder de muts uit kwam. Dit was bruin van kleur.

Op 9 april 2013 heb ik de uitzending van Opsporing Verzocht op televisie gezien. Ik zag dat hier een overval in Asten werd getoond met beelden van een overval. Ik heb vervolgens meteen gebeld. Ik zag dat deze overvaller dezelfde dader was als degene die mij heeft overvallen. Ik zag op de beelden ook de zijkant van het gezicht van de dader. Ik weet voor 100 procent zeker dat het dezelfde dader is.

Aan de aangever wordt een afdruk van de beelden van Opsporing Verzocht getoond welke als bijlage 1 bij het verhoor wordt gevoegd.

Ik kan u mededelen dat het hetzelfde soort mes is. Hiermee bedoel ik dezelfde grootte en vorm. Ik herken de jas als zijnde dezelfde soort jas qua model en kleur.

Aan de aangever wordt een afdruk van de beelden van Opsporing Verzocht getoond welke als bijlage 2 bij het verhoor wordt gevoegd.

Ik herken deze persoon als zijnde de dader van de overval. Ik herken zijn gezicht voor 100 procent. Ik herken het ook aan de manier waarop hij zijn muts draagt en aan zijn nonchalante houding (pagina 247 tot en met 249 van het proces-verbaal).

Verbalisant [verbalisant 7] heeft op 11 april 2013 het volgende gerelateerd.

Ik kreeg van officier van dienst [verbalisant 8] de opdracht om de plastic zak in beslag te nemen die de verdachte bij zich droeg ten tijde van de overval. Ik zag dat achter de toonbank, tussen de toonbank en de fritesketels, een plastic draagtas op de vloer lag. Ik vroeg aan de aangever, die zich op dat moment in dezelfde ruimte bevond, of deze zak op de grond de zak betrof die de verdachte bij zich droeg toen hij de cafetaria inkwam. Ik hoorde dat de aangever zei dat dit die zak betrof. Ik vroeg aan de aangever of hij deze zak aan had geraakt. Ik hoorde dat hij zei dat hij deze zak niet aan had geraakt (pagina 256 van het proces-verbaal).

Verbalisant [verbalisant 9] heeft op 16 april 2013 het volgende gerelateerd.
Op 16 april 2013 werd een aanvraag DNA onderzoek sporen opgemaakt en werd de plastic draagtas aangeboden bij het NFI (pagina 259 tot en met 260 van het proces-verbaal).

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 17 mei 2013 het volgende gerapporteerd.

Op de handvatten van de tas is een DNA-profiel van een onbekende man A aangetroffen, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het profiel werd opgenomen in de databank (pagina 261 tot en met 262 van het proces-verbaal).

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 5 juli 2013 het volgende gerapporteerd.
Het DNA van verdachte werd vergeleken met de profielen in de Nederlandse DNA-databank. Bij deze vergelijking werd een match gevonden dat bij het NFI is geregistreerd onder DNA-profielcluster 25262. Dit betreft het DNA onderzoek naar sporen op de plastic draagtas (pagina 263 tot en met 265 van het proces-verbaal).

Op 5 juni 2013 heeft verbalisant[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 4 juni 2013 werd een onderzoek in de personenauto, merk Volvo, type 440, kleur rood, voorzien van het kenteken [kenteken] ingesteld. In genoemd voertuig werden onder andere aangetroffen en in beslag genomen:

Op de achterbank: een Scania jas (blauw gekleurd met rode bies horizontaal op de achterzijde, rood gekleurde binnenzijde van de kraag en rode horizontale biezen op voorzijde).

In de kofferbak: zwarte bivakmuts met een paar zwarte handschoenen.

Onder vloermat bijrijderszitplaats: Premium mes van ongeveer 33 cm lengte, zwart handvat (pagina 88 van het proces-verbaal).

Op 17 juni 2013 hebben verbalisanten [verbalisant 5] en[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op dinsdag 4 juni 2013 vond een doorzoeking plaats in de personenauto, merk Volvo, kenteken [kenteken]. Daarbij werd onder andere op de achterbank een zwarte jas, merk Snickers, aangetroffen. Deze jas heeft zilverkleurige knopen aan de voorzijde en twee vierkante grote zakken aan de voorzijde met daarboven bij elke zak twee grote zilverkleurige knopen. Op de linkermouw is een merkteken “Snickers” aangebracht.
Aan de hand van de door aangever [slachtoffer 1] verstrekte beelden van de overval op cafetaria[cafetaria 1] te Asten met daarop zichtbaar de specifiek genoemde kenmerken van de jas is de in de auto van [verdachte] aangetroffen Snickers jas soortgelijk aan de jas welke door de dader tijdens de overval werd gedragen. Op de foto’s zijn de overeenkomsten van de jas te zien: logo op de linkermouw bovenzijde, opening onderzijde jas (omdat de ritssluiting iets hoger in de jas is ingezet), de dubbele zilver/metaalkleurige knopen op de opgezette jaszak en de zilver/metaalkleurige knopen op de jas. Ditzelfde gold voor het in de auto aangetroffen mes. Op de foto’s zijn de overeenkomsten van het mes te zien: merkteken op mes en vorm en kleur lemmet (pagina 107 tot en met 108 van het proces-verbaal).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de rode Volvo met kenteken [kenteken] in gebruik heeft gehad. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de in de Volvo aangetroffen jassen van hem zijn.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 4 ten laste gelegde feit, te weten poging tot afpersing. Verdachte voldoet aan het door aangever opgegeven signalement van de overvaller. Daarnaast is in de auto van verdachte een zwarte bivakmuts aangetroffen die soortgelijk is aan de bivakmuts die de overvaller ten tijde van de overval volgens aangever droeg. Hetzelfde geldt voor het mes dat in de auto van verdachte is aangetroffen. Dit mes komt qua vorm en afmetingen overeen met het mes dat de overvaller tijdens de overval gebruikte. Aangever heeft de overvaller op de beelden van Opsporing Verzocht (feit 1) herkend als zijnde dezelfde dader die hem heeft overvallen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de overvaller op zijn frituur een soortgelijke jas, qua model en kleur, droeg als de dader op deze beelden. In de auto van verdachte is een zwarte jas van het merk Snickers aangetroffen, waarvan verdachte ter zitting heeft verklaard dat deze van hem is. Deze jas vertoont zeer sterke gelijkenis met de jas van de overvaller op voornoemde beelden. Verder is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen op de door de overvaller in de frituur achtergelaten plastic draagtas. Ten slotte is dezelfde modus operandi toegepast als bij de feiten 1 en 3, namelijk een overval in de middag in een verder lege winkel door één man, gewapend met een groot mes, waarbij de dader een bivakmuts draagt en een (plastic) tas bij zich heeft.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 11 maart 2013 te Asten met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer

200,00 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of cafetaria[cafetaria 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - in (deels) gelaat bedekkende kleding - voornoemde cafetaria is binnengelopen en vervolgens heeft geschreeuwd: "Overval!" en "Geld!" en daarbij een mes heeft getoond aan en gericht heeft gehouden op borsthoogte van die [slachtoffer 1].

op 4 april 2013 te Haps, gemeente Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een

hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of bakkerij [bakkerij 1], - in (deels) gelaat bedekkende kleding - voornoemde bakkerij is binnengelopen en vervolgens heeft geschreeuwd (tegen die [slachtoffer 3]): "Die la open" en (tegen die [slachtoffer 4]) "Geef me de kas" en daarbij een mes heeft getoond aan en/of gericht heeft gehouden op die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

op 5 april 2013 te Ospel, gemeente Nederweert, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid

geld, toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of cafetaria[cafetaria 2], - in (deels) gelaat bedekkende kleding - voornoemde cafetaria is binnengelopen en vervolgens heeft

gezegd: "Dit is een overval. Ik moet geld hebben, de kassa moet open" en geschreeuwd: "Kassa open. Kassa open! Geld moet ik." en daarbij een mes heeft getoond aan en gericht heeft gehouden op die [slachtoffer 5], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert voor alle tenlastegelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Zij vordert dat de goederen op de beslaglijst onder nummer 6 en 7 onttrokken dienen te worden aan het verkeer en dat de goederen onder de nummers 1 tot en met 5 kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van één overval en twee pogingen daartoe. Verdachte heeft zich daarbij telkens vermomd met een bivakmuts en gedreigd met een groot mes. Deze overvallen vonden plaats op klaarlichte dag. Het was een doordachte actie, waarmee hij de slachtoffers enorme schrik heeft aangejaagd. Een overval draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Voor de slachtoffers is een angstige en bedreigende situatie ontstaan. Dit is een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Verdachte heeft met die gevoelens in het geheel geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen. Hij heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid

dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed kennelijk niet dan wel onvoldoende inziet. Hij heeft geen spijt betuigd richting de slachtoffers en geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen. De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte geen noodzaak ziet tot gedragsverandering.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 9] ([bakkerij 1])

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de ten uitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de ten uitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp waarvan de feiten zijn begaan en de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 60a, 63, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 2, 5 en 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder de feiten 1, 3 en 4 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 :

afpersing

T.a.v. feit 3:

poging tot afpersing

T.a.v. feit 4:

poging tot afpersing

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1 , feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 289,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] ([bakkerij 1]) van een bedrag van EUR 289,00 (zegge: tweehonderdnegenentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 9] ([bakkerij 1]) van een bedrag van EUR 289,00 (zegge: tweehonderdnegenentachtig euro), te weten materiële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.438,52 subsidiair 24 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 1.438,52 (zegge: eenduizend vierhonderdachtendertig euro en tweeënvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 825,00 aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van EUR 613,52 aan materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 1.438,52 (zegge: eenduizend vierhonderdachtendertig euro en tweeënvijftig cent), te weten EUR 825,00 immateriële schadevergoeding en EUR 613,52 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 5:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 6] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 vleesmes (Premium) en 1 zwarte bivakmuts.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 kassabon, 1 blauwe jas (Scania),
1 zwarte jas (Snickers), 1 zwarte jas (Jack&Jones) en 2 stuks briefpost, aan de veroordeelde [verdachte].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Buijs, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2013.