Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:7074

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
01/997015-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vuurwerkzaak. Strafmaatoverweging. Gevangenisstraf van 4 jaar en 9 maanden en een beroepsverbod om in de vuurwerkhandel te werken van 2 jaar opgelegd voor overtreding van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, deelneming aan een criminele organisatie en een gewoonte maken van witwassen. Verdachte heeft grote hoeveelheden professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik en vuurwerk dat niet voldeed aan de regels van het Vuurwerkbesluit besteld in Duitsland en Hongarije, illegaal opgeslagen in België en deels ingevoerd in Nederland. Hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd ivm de gevaarzetting omdat het massa-explosief vuurwerk betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997015-10

Datum uitspraak: 23 december 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2012, 2 december 2013 en 9 december 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 december 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2010, te

Veldhoven, Hemond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te

Luik en/of Diepenbeek, althans in België, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk,

waaronder

een of meer soorten mortieren variërend van 3 tot 12 inch, een of meer soorten

lawinepijlen en/of signaalraketten, een of meer soorten flowerbeds, een of

meer soorten Cobra's en een of meer soorten vlinders,

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen,

voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld ten

aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde

eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van

de Wet milieubeheer gestelde regels, aangezien

- die mortieren herlaadbaar vuurwerk waren en/of

- de lading van een of meer van die Cobra's, vlinders en/of lawinepijlen

en/of signaalraketten niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een

gewicht van ten hoogste 2,5 gram en/of

- de effectlading van een of meer van die lawinepijlen en/of signaalraketten

niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van

ten hoogste 2 gram en/of

- een of meer van die flowerbeds een totaalgewicht had(den) van meer dan 10

kilogram;

(Artikel 1.2.2 lid 1 en/of lid 4 van het Vuurwerkbesluit)

2. hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2010 tot en met 30 november 2010, te

Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te

Luik en/of Diepenbeek, althans in België, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk,

waaronder

een of meer soorten mortieren variërend van 3 tot 12 inch, een of meer soorten

lawinepijlen en/of signaalraketten, een of meer soorten flowerbeds, een of

meer soorten Cobra's en/of een of meer soorten vlinders,

dat bestemd was voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland

heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en/of aan een ander

ter beschikking heeft gesteld;

(Artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit)

3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010

te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te

Luik en/of Diepenbeek, althans in België, heeft deelgenomen aan een

organisatie, te weten een samenwerkingsverband van twee of meer personen

bestaande tenminste uit hem verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, namelijk het binnen het grondgebied van Nederland brengen,

opslaan, voorhanden hebben en/of aan een ander ter beschikking stellen van

(zeer) zwaar (professioneel) vuurwerk en/of vuurwerk dat niet voldeed aan het

bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit en/of witwassen;

(Artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

4. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 november 2010,

te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te

Luik en/of Diepenbeek, althans in België, tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte

heeft gemaakt, immers

heeft hij, verdachte en/of een of meer van voornoemde ander(en) (een)

voorwerp(en), te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk, verworven, voorhanden

gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf;

(Artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 november 2010,

te Veldhoven, Helmond, Bingelrade en/of Heerlen, althans in Nederland en/of te

Luik en/of Diepenbeek, althans in België, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een)

hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht)

Tengevolge van een kennelijke omissie in feit 3, is tussen de woorden “(professioneel) vuurwerk” en “en/of” in de negende regel weggevallen “dat bestemd was voor particulier gebruik”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld, mede gelet op hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat ten aanzien van feit 4 de dagvaarding nietig verklaard dient te worden omdat niet duidelijk is op welke hoeveelheden vuurwerk het OM doelt. De rechtbank acht de tenlastelegging voldoende feitelijk omschreven. De dagvaarding is geldig voor alle tenlastegelegde feiten.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ingevolge het territorialiteitsbeginsel van art. 2 Sr. is de Nederlandse strafwet toepasselijk op een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien het feit zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd, is vervolging op grond van art. 2 Sr mogelijk, ook ten aanzien van de gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten waarvan de rechtbank bewezen acht dat deze voor een groot deel alleen in België zijn begaan en niet tevens in Nederland, heeft de rechtbank ambtshalve geconstateerd dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu die feiten zijn begaan in België, terwijl deze door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd en op die feiten in de Belgische strafwetgeving ook straf is gesteld.

De officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie kunnen feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 primair wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft alle feiten samen met anderen gepleegd. Ten aanzien van feit 4 acht de officier van justitie de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010 bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 en 2 stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de feiten die in Nederland gepleegd zouden zijn, waaronder met name de invoer van illegaal vuurwerk in Nederland. Verdachte dient ook vrijgesproken te worden van de feiten in België voor zover die zien op het voorhanden hebben alsmede het opslaan van illegaal vuurwerk in de garagebox in Luik en het ter beschikking stellen aan anderen in België.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het vuurwerk dat is aangetroffen in de woning van verdachte in Diepenbeek.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zijn eigen handel en business in vuurwerk had. Hij werkte zelfstandig en was kennelijk bezig een eigen klantenkring op te zetten en deed in dat kader bestellingen. Hij had weliswaar regelmatig contact met [medeverdachte 1] maar die contacten houden enkel in het elkaar op de hoogte houden van ontwikkelingen en mogelijke bestellingen en/of leveringen aan hun respectievelijke klanten. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van dit feit.

Verdachte dient ook vrijgesproken te worden van feit 4, omdat niet bewezen kan worden met welk geld verdachte vuurwerk heeft gekocht. Evenmin is er bewijs voor een verhullende handeling door verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.1

Algemeen.

De inhoud van de in dit vonnis vermelde bewijsmiddelen is, samen met een bewijsmiddelenoverzicht en fotokopieën, als bijlage aan dit vonnis gehecht en dient als ingelast te worden beschouwd. Het bewijsmiddelenoverzicht en de uitgewerkte bewijsmiddelen en fotokopieën maken deel uit van dit vonnis.

Feit 1 en 2.

Naar aanleiding van eerdere onderzoeken naar onder andere de import van en handel in illegaal vuurwerk is een nieuw onderzoek ingesteld. Tijdens dit onderzoek zijn ook bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder stelselmatige observatie van verdachte [medeverdachte 1]. Op 15 oktober 2010 is door verbalisanten gezien dat [medeverdachte 1] een ontmoeting heeft met twee personen die in een auto met Nederlands kenteken rijden op een parkeerterrein in Luik. [medeverdachte 1] laadde kartonnen dozen van zijn auto over in de andere auto. Die auto wordt gevolgd naar Heerjansdam in Nederland. Daar wordt in de auto 132 kilogram vuurwerk aangetroffen, te weten 5 flowerbeds, 36 stuks 4 inch mortieren en 25 stuks lawinepijlen zink 901.

Op 25 oktober 2010 wordt door verbalisanten gezien dat [medeverdachte 1] naar Luik rijdt naar de [straatnaam] en heen en weer loopt tussen een blauwe zeecontainer en zijn auto. Er wordt gezien dat hij een grote doos in zijn auto zet. Daarna rijdt hij naar een parkeerplaats waar hij een ontmoeting heeft met een bestuurder van een auto met een Nederlands kenteken [kenteken 1]. In die auto staat een bruine doos met een stapel latjes. Die auto werd gevolgd tot Rosmalen. Daar werden in de garage onder meer 252 shells van verschillende diameter en 185 lawinepijlen “Zink 901” aangetroffen.

Op 4 november 2010 werd onder andere gezien dat [medeverdachte 1] enkele kartonnen dozen uit een loods aan de [straatnaam] in zijn auto zette. Op de kartonnen dozen zaten fel oranje gekleurde stickers gelijkende op stickers behorende bij gevaarlijke stoffen. [medeverdachte 1] reed daarna naar een parkeerplaats in Hoogstraten waar een Alfa Romeo stopte met het Nederlandse kenteken [kenteken 2]. De bestuurder van de auto bleek later verdachte [medeverdachte 5] te zijn. Verbalisanten zagen dat [medeverdachte 1] enkele (ten minste 5) kartonnen dozen in de Alfa Romeo zette. Verbalisanten volgden de Alfa Romeo en overschreden de grens met Nederland bij grensovergang Hazeldonk. Verdachte [medeverdachte 5] verklaarde dat hij vijf keer vuurwerk waaronder shells in diverse maten, cobra’s 6 en “Zink 901” heeft gekocht van een persoon genaamd [naam 1]. Het vuurwerk werd in België geleverd. De persoon op de foto die de politie hem voorhoudt van verdachte [medeverdachte 1] (p. 43) herkende hij als [naam 1]. [medeverdachte 5] verklaarde ook dat hij in 2010 tussen de vijf en tien keer vuurwerk, waaronder shells, in België heeft gekocht van [naam 2]. Hij herkende [naam 2] op een profielfoto van internet. Deze [naam 2] werd later door een verbalisant herkend als [medeverdachte 2]. Op 25 november 2010 wordt door verbalisant gezien dat de auto van [medeverdachte 1] en een Duitse bestelbus voorzien van een classificatiebord vervoer gevaarlijke stoffen op een terrein stonden bij loodsen aan de [straatnaam] te Luik. Verbalisant zag dat [medeverdachte 1] en twee onbekende mannen vanuit de genoemde bestelbus een groot aantal kartonnen dozen verplaatsten in een garagebox.

Bij de doorzoeking op 30 november 2010 werd in de desbetreffende garagebox ongeveer 1500 kilogram illegaal vuurwerk aangetroffen, te weten 263 mortieren variërend van 3 tot 12 inch, 33 dozen met in totaal ongeveer 6673 lawinepijlen (signaalraketten), 32 cakeboxen die zwaarder zijn dan 10 kg, ongeveer 216 cobra’s 6 en ongeveer 150 vlinders en 12 stuks onbekend cilindervormig vuurwerk. Het onbekende vuurwerk is onderzocht door het NFI en bleek van het type mortierbom, een zogenaamde Cobra 100, te zijn.

Uit dit onderzoek en de bijgevoegde deskundigenverklaringen van het NFI blijkt dat het vuurwerk niet voldeed aan de regels die daarvoor worden gesteld in het Vuurwerkbesluit dan wel dat het professioneel vuurwerk betrof. In de zeecontainer werden resten van verpakkingsmateriaal van vuurwerk aangetroffen. Volgens getuige [getuige 3] werd de garagebox gehuurd door ene [naam 1] van Nederlandse afkomst.

Op 30 november 2010 werd tevens een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [verdachte] aan de [adres 2] in Diepenbeek, België. In de woning waren zowel verdachte [verdachte] als verdachte [medeverdachte 2] aanwezig. In de kelder werd illegaal vuurwerk aangetroffen, waaronder lawinepijlen en mortieren, dat van verdachte [verdachte] was. Daarnaast werden onder andere een prijslijst van [naam 3] en in totaal ongeveer

€ 70.000 contant aangetroffen. In de slaapkamer van [verdachte] werd een kluisje met briefjes met afkortingen C6 (Cobra 6) en KTC (Karton Cobra) en met bedragen aangetroffen, dat leek op een boekhouding. Op de computer van [verdachte] werden onder andere aangetroffen de e-mailadressen [naam 4] en [naam 5] alsmede bestellijsten van vuurwerk (o.a. bestand order [naam 6]) bij [naam 3]. Dezelfde e-mailadressen en dezelfde bestellijst ([naam 6]) werden ook aangetroffen op de laptop van verdachte [medeverdachte 2]. Daarnaast werd nog een voorraadlijst van [naam 7]. aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat het e-mailadres [naam 4] op 17 december 2009 is aangemaakt op het adres [adres 3] te Helmond, zijnde het adres van verdachte [medeverdachte 1]. Het e-mailadres [naam 5] is aangemaakt op het adres [adres 4] te Helmond. Op de onderzochte laptops van [medeverdachte 1] werd naast de genoemde e-mailadressen onder andere ook het bestand order [naam 6] aangetroffen.

Op de computer van [medeverdachte 3] die op 22 februari 2011 in beslag is genomen werden ook bestellijsten van [naam 3] en mails met bestellingen van vuurwerk door [naam 8] aan [naam 9] aangetroffen.

Uit onderzoek bij [naam 3] bleek dat via de e-mailadressen [naam 4] en [naam 5] in 2010 vuurwerk is besteld en is gefactureerd aan [naam 10]. Er is voor in totaal

€ 308.062,-- vuurwerk besteld waarvan voor € 267.794,-- aan signaalraketten 901.

Getuige [getuige 1] van [naam 3] heeft verklaard dat er vanaf begin 2010 bestellingen en contante betalingen werden gedaan door vier personen die door [medeverdachte 4] aan hem waren voorgesteld als zijn partners. Deze personen waren genaamd [naam 11], [naam 12], [naam 13] en [naam 8]. Nadat hij een gedetailleerde beschrijving van die personen had gegeven werden hem foto’s getoond van verdachten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Hij herkende de personen als respectievelijk [naam 11], [naam 12], [naam 8] en [naam 13] (p. 73). Getuige [getuige 2] was een van de chauffeurs en verklaarde dat hij vuurwerk heeft afgeleverd in Luik en dat hij naar het adres reed dat op de vrachtbrieven stond, te weten [naam 10].

Uit onderzoek in Hongarije is gebleken dat er in de periode van 11 maart 2010 tot en met 24 november 2010 vuurwerk, waaronder mortierbommen en cakeboxen, is besteld bij [naam 7]. en [naam 14] voor in totaal € 220.946,05. Er is 27 keer besteld op naam van [naam 15] voor een totaalbedrag van € 193.608,69. Er zijn e-mailberichten aangetroffen tussen het mailadres [naam 4] en dat van [naam 15] over prijzen en bestellingen, waarbij onder andere de namen [naam 11], [naam 12], [naam 13]/[naam 16] en [naam 8] worden gebruikt. Als afleveradres wordt [straatnaam] 140 te Luik gebruikt. Getuige [naam 15] en [naam 7] heeft verklaard dat de bestellingen via hetzelfde e-mailadres op naam van [medeverdachte 4] werden gedaan en dat hij daarom veronderstelde dat men namens [naam 15] handelde. Het afleveradres was in Luik. Hij is zelf een aantal keren bij de aflevering van het vuurwerk geweest en heeft toen [naam 17], [naam 12] en [naam 11] en [naam 8] ontmoet. Aan hem werden tijdens zijn tweede verhoor foto’s getoond van verdachte [verdachte] en [medeverdachte 3], waarna hij verklaarde de personen op de foto’s te herkennen als respectievelijk [naam 11] en [naam 8] (p. 97). Tijdens zijn derde verhoor werd de getuige een foto van verdachte [medeverdachte 1] getoond waarna hij onder meer verklaarde de persoon op de foto te herkennen als [naam 12] (p. 98).

[medeverdachte 4] heeft tegenover de Belgische politie verklaard dat hij een bedrijf in vuurwerk heeft genaamd [naam 15] en dat dat bedrijf is gevestigd op zijn woonadres, te weten [adres 6] te Luik.

Conclusie.

Op grond van de aangehechte bewijsmiddelen en met name op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

In totaal is voor ongeveer € 500.000,-- illegaal vuurwerk besteld bij vuurwerkfabrieken in Duitsland en Hongarije. In de garagebox aan de [straatnaam] in Luik is ongeveer 1500 kilogram illegaal vuurwerk aangetroffen. Gelet op de hoeveelheden vuurwerk die zijn besteld kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het vuurwerk was bestemd voor de handel en verkoop aan andere personen. Er is niet toegestaan vuurwerk aangetroffen bij verschillende afnemers in Nederland die dat vuurwerk hadden gekocht van verdachte [medeverdachte 1]. Afnemer [medeverdachte 5] heeft illegaal vuurwerk gekocht van zowel [medeverdachte 1] als van [medeverdachte 2]. Verdachten gebruikten bij de bestellingen en de verdere communicatie over het vuurwerk vaak e-mailadressen op naam van [medeverdachte 4] en valse namen. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat onder andere de aliassen [naam 1] en [naam 1] door verdachte [medeverdachte 1] werden gebruikt, het alias [naam 11] door verdachte [verdachte] werd gebruikt, het alias [naam 13] (en [naam 16]) door verdachte [medeverdachte 2] werd gebruikt en het alias [naam 8] door verdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010 consumentenvuurwerk dat niet voldeed aan de eisen van het vuurwerkbesluit dan wel professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik samen hebben ingevoerd in Nederland en dat vuurwerk in Nederland en/of in België hebben opgeslagen, voorhanden hebben gehad en aan een ander ter beschikking hebben gesteld.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte [medeverdachte 3] samen met verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010 in België illegaal vuurwerk heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld.

Feit 3.

Algemeen kader.

Ingevolge artikel 140 Sr wordt deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

Volgens vaste jurisprudentie is er sprake van een organisatie indien vast staat dat er een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is tussen twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Van dat laatste is sprake als die personen volgens door hen gestelde regels en voor het door hen gestelde doel willen samenwerken en vervolgens daartoe tegenover derden als een eenheid zijn opgetreden. Een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband is daarbij noodzakelijk.2 Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is evenwel niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.3

Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet –in de zin van voorwaardelijk opzet - dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is niet vereist dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op door de organisatie beoogde concrete misdrijven. Deelname aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht is derhalve niet nodig.4

Voor bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.5

Het ten laste gelegde feit.

Getuige [getuige 1] is bedrijfsleider van [naam 3] GmbH en heeft zaken gedaan met verdachte [medeverdachte 4]. Zijn eerste contact met [medeverdachte 4] was in 2007. [medeverdachte 4] gaf aan [getuige 1] onder andere zijn bedrijfsgegevens en zijn BTW-nummer op. Vier personen: [naam 8] (verdachte [medeverdachte 3]), [naam 11] (verdachte [verdachte]), [naam 1] (verdachte [medeverdachte 1]) en[naam 13] (verdachte [medeverdachte 2]) werden door [medeverdachte 4] aan hem voorgesteld als zijn partners en die zouden de afhandeling van zijn bestellingen overnemen. Ze kwamen bij [naam 3] langs en betaalden de bestelling contant. De levering en de factuur gingen naar het bedrijf van [medeverdachte 4], [adres 6], België. Over het algemeen werden “Signalraketen 901 en 902” besteld.6

Getuige [naam 9] is handelsdirecteur van het Hongaarse vuurwerkbedrijf [naam 14] 7 en deelt mee dat in juli 2009 [medeverdachte 4] namens het bedrijf [naam 15] contact heeft gezocht voor levering van vuurwerk. [medeverdachte 4] heeft hem daartoe een kopie van zijn vergunning gezonden. Zij boden hem de keuze bancaire of contante betaling. [medeverdachte 4] wilde contant betalen. Later had hij, [naam 9], contact met andere personen, die allen onder dezelfde naam hetzelfde emailadres gebruikten. Die personen kent hij als [naam 11] (de rechtbank begrijpt verdachte [verdachte]), [naam 1]/[naam 18] (verdachte [medeverdachte 1]), [naam 8] (verdachte [medeverdachte 3]) en [naam 16] (verdachte [medeverdachte 2]). Hij vertegenwoordigde in die tijd ook [naam 7], een soortgelijk bedrijf.8 [naam 14] heeft een prijslijst samengesteld en toegezonden aan [medeverdachte 4]. Als ze bij een bestelling grote hoeveelheden bestelden kregen ze korting.9 Tijdens zijn reizen naar Luik heeft hij [naam 17], [naam 1], [naam 11] en [naam 8] ontmoet.10

Uit de CMR-formulieren en andere beschikbare documenten is gebleken dat in de periode van 11 maart 2010 tot en met 24 november 2010 29 bestellingen zijn geweest bij [naam 7] en [naam 14] voor een totaalbedrag van € 220.946,05.11 Voorts is gebleken dat door [naam 3] GmbH voor € 308.062,-- aan [naam 10] werd geleverd.12In een e-mail van [naam 11] aan [getuige 1] schrijft hij o.a.: tomorrow a friend will bring the money, for this order. The guy is of course trustable, but did not come to your company so far. Then you have seen our complete ‘team’.13

Tijdens de doorzoeking op het verblijfsadres van [verdachte] en [medeverdachte 2] is ruim € 70.000 contant geld aangetroffen.14

Uit voormelde bewijsmiddelen en de onder feit 1 en 2 genoemde en aangehechte bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachten gezamenlijk inkoop van vuurwerk hebben geregeld bij verschillende buitenlandse bedrijven. Daarbij kon kwantum- korting worden bedongen. Binnen deze inkooporganisatie vertrouwden verdachten elkaar grote sommen contant geld toe. Naar de buitenlandse bedrijven toe trad men op als team. De schaal waarop het vuurwerk is geïmporteerd naar België (Luik) impliceert een ruime afzetmarkt. Gebleken is dat vuurwerk naar Nederland werd verkocht. Gelet op de onderlinge samenwerking tussen verdachten en hun verbondenheid ten aanzien van de inkoop van vuurwerk op grote schaal tegen hoge contante bedragen gedurende langere tijd, waarbij de afleveringen steeds plaatsvonden op het zelfde adres in Luik is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr, dat verdachte daaraan heeft deelgenomen en dat bij hem ook de wetenschap bestond van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, het opslaan, het voor handen hebben en het aan een ander ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk of illegaal vuurwerk en witwassen.

Feit 4.

Op basis van de bij feit 1 en 2 genoemde bewijsmiddelen staat vast dat verdachten in 2010 een groot aantal keren aanzienlijke hoeveelheden professioneel vuurwerk hebben gekocht in Duitsland en Hongarije en hiervoor contant hebben betaald. In totaal is voor ongeveer vijfhonderdduizend euro vuurwerk aangekocht. Uit de bij feit 3 genoemde bewijsmiddelen blijkt dat een legaal ogende constructie werd toegepast om het vuurwerk te kunnen verkrijgen, namelijk door een BTW-nummer en vergunning te gebruiken van [naam 10] te Luik, België. Ook staat vast dat verdachten dit vuurwerk vervolgens grotendeels hebben doorverkocht aan anderen waarbij contant werd afgerekend. Bij de verkoop door verdachten werd telkens het vuurwerkbesluit opzettelijk overtreden. Het dossier bevat geen aanwijzingen die erop zouden duiden dat verdachten op een legale manier de beschikking hebben gekregen over grote sommen contant geld. Verdachten hebben zich grotendeels beroepen op hun zwijgrecht en geen redengevende verklaring gegeven omtrent de financiering van het op grote schaal door hen ingekochte vuurwerk. Gelet op deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachten hun vuurwerkaankopen telkens ten minste voor een aanzienlijk deel hebben gefinancierd met de opbrengst van de verkoop van eerder aangekocht vuurwerk. Verdachten hebben aldus grote sommen met de illegale vuurwerkverkoop verdiend geld betaald aan de Duitse en de Hongaarse leverancier voor de aankoop van nieuw vuurwerk. Hiermee hebben verdachten het met de vuurwerkverkoop verdiende geld witgewassen en omgezet in nieuw vuurwerk. Dit nieuwe vuurwerk is daarmee middellijk afkomstig uit enig misdrijf zodat ook met betrekking tot dit vuurwerk sprake is van witwassen. Gezien het aantal aankopen en de lange periode waarin de aankopen hebben plaatsgevonden, heeft het witwassen een zodanig structureel karakter, dat van gewoontewitwassen gesproken kan worden. De rechtbank acht daarom voor alle verdachten het onder 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat als begindatum van de bewezenverklaarde periode 1 januari 2010 wordt aangehouden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2010, in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten

mortieren variërend van 3 tot 12 inch, lawinepijlen (signaalraketten), flowerbeds,

Cobra's en vlinders, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels, aangezien

- die mortieren herlaadbaar vuurwerk waren en/of

- de lading van die Cobra's, vlinders en lawinepijlen (signaalraketten) niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram en/of

- de effectlading van die lawinepijlen (signaalraketten) niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram en/of

- die flowerbeds een totaalgewicht hadden van meer dan 10 kilogram;

2. in de periode van 4 juli 2010 tot en met 30 november 2010, in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten mortieren variërend van 3 tot 12 inch, lawinepijlen (signaalraketten), flowerbeds,

Cobra’s en vlinders, dat bestemd was voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft opgeslagen, voorhanden heeft gehad en aan een ander

ter beschikking heeft gesteld;

3. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010 in Nederland en in België, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van twee of meer personen bestaande uit hem verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het binnen het grondgebied van Nederland brengen, opslaan, voorhanden hebben en aan een ander ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk, dat bestemd was voor particulier gebruik, en vuurwerk dat niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens het Vuurwerkbesluit en witwassen;

4.

primair

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2010, in Nederland en

in België, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en voornoemde anderen

voorwerpen, te weten hoeveelheden vuurwerk, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van voorarrest en onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwerk.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. Zij heeft tevens medegedeeld dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank om gelet op de jurisprudentie die hij heeft genoemd, de overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM en de persoonlijke omstandigheden van verdachte te volstaan met de maximale werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de vraag welke straf dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank de navolgende omstandigheden in haar overwegingen betrokken.

Algemeen:

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Uit de bewijsoverwegingen en de bewezenverklaring blijkt dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gedurende langere tijd in Nederland en België een samenwerkingsverband hebben gevormd met het oogmerk het plegen van misdrijven, kortgezegd bestaande uit de illegale opslag van -, de handel in -, en de invoer van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk en vuurwerk dat niet voldeed aan het Vuurwerkbesluit. De verdachten hebben dit vuurwerk in Hongarije en Duitsland besteld en vervolgens opgeslagen en voorhanden gehad in België in daarvoor volstrekt ongeschikte en onveilige opslagplaatsen (in een zeecontainer en een garagebox op een bedrijventerrein in Luik). Deze garagebox en zeecontainer bevonden zich in de directe nabijheid van een gasstation van het Belgische gasbedrijf [bedrijf 1]. Ook is in een woning in Diepenbeek vuurwerk aangetroffen. De locatie van die opslagplaatsen heeft de toch al zeer ernstige gevaarzetting van het vuurwerk nog eens aanzienlijk vergroot. Het betrof voor een groot deel vuurwerk behorend tot categorie 1.1G, de zwaarste klasse. Zulk vuurwerk kan massa-explosief reageren, waardoor de gehele voorraad explodeert op nagenoeg hetzelfde moment met een geweldige kracht. Over de gevaarzetting van slechts een enkele signaalraket heeft het NFI onder meer aangegeven dat bij een explosie in de buurt van huizen of auto’s er groot gevaar bestaat voor aanzienlijke schade. Bij de algemeen bekende vuurwerkramp in Enschede heeft een massa-explosie plaatsgehad en zijn de gevolgen bij ieder weldenkend mens voor altijd in het geheugen gegrift. Het heeft de verdachten er evenwel niet van weerhouden met zwaar vuurwerk om te gaan zoals bewezen is verklaard en daarbij zeer grote risico’s te nemen voor (levens van) anderen. Voor de plaatselijke overheden was de opslag in Luik niet bekend. Dat levert extra gevaarzetting op. Ook zijn er risico ’s genomen nu het vuurwerk in niet daartoe ingerichte en gekenmerkte auto’s is vervoerd op de openbare weg.

De rechtbank rekent verdachten zwaar aan dat ze dit vuurwerk vervolgens verkochten aan mensen die niet over de daarvoor vereiste bekwaamheden beschikten, waarbij de verdachten buitengewoon berekenend te werk gingen: de verdachten noemden niet hun werkelijke naam en zij maakten gebruik van (wisselende) aliassen en wisselden geregeld hun telefoonnummer; voorts dienden de kopers het vuurwerk in België af te halen en zelf naar Nederland te vervoeren. Bijgevolg liepen de verkopers zelf verder geen veiligheidsrisico’s voortvloeiend uit een mogelijke explosie onderweg, en geen risico te worden “gepakt” tijdens het transport. Door zo te handelen hebben zij willens en wetens hun aandeel gehad in transporten over de weg door ongekwalificeerde chauffeurs in daarvoor niet toegeruste auto’s, hetgeen iedere keer weer een aanzienlijke gevaarzetting heeft opgeleverd; niet alleen voor de inzittenden maar ook voor de omgeving.
Bovendien hebben zij een gewoonte gemaakt van het witwassen van de illegaal verdiende gelden. Het kennelijke doel hiervan was het behalen van zoveel mogelijk financieel gewin. Wetten en regels zijn hierbij bewust en stelselmatig overtreden. Op een geraffineerde wijze hebben de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aldus geprobeerd de illegale handel in vuurwerk en hun persoonlijke betrokkenheid hierbij buiten het zicht van de overheid te houden.

De rechtbank zal ter bepaling van de op te leggen straf voor het bewezenverklaarde als uitgangspunt hanteren een gevangenisstraf van 60 maanden. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen het moment waarop verdachte met vervolging rekening moest houden en het moment waarop de zaak uiteindelijk is afgedaan wordt hierop in mindering gebracht 5%, ofwel 3 maanden. In verband met recidive enerzijds en artikel 63 WvSr anderzijds komt de rechtbank per saldo niet tot een bijtelling daarbij. Aldus zal de rechtbank aan verdachte [verdachte] een gevangenisstraf opleggen van vier jaar en negen maanden, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank legt hiermee per saldo een iets lagere vrijheidsstraf op dan gevorderd door de Officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat deze straf de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking brengt.

Naast oplegging van een vrijheidsstraf acht de rechtbank het passend en geboden om verdachte gedurende 2 jaren na tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf het recht te ontzeggen zich in welke vorm dan ook met de handel in vuurwerk bezig te houden.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen vuurwerk vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – de feiten met betrekking tot dit vuurwerk zijn begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 28, 36b, 36c, 47, 57, 63, 91, 140, 420ter;

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6, 7, 87;

Wet milieubeheer art. 1.1, 9.2.2.1, 22.1;

Vuurwerkbesluit art. 1.1.1, 1.1.2, 1.2.2, 5.4.3.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit)

T.a.v. feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

(artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit)

T.a.v. feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

T.a.v. feit 4 primair:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Ontzetting uit het recht tot uitoefening van beroepen met betrekking tot vuurwerkgerelateerde handel en -toepassingen in de breedste zin des woords voor de duur van twee jaar, de vrijheidsstraf te boven gaand.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: PAL Vuurwerk (1 samengestelde partij zonder CE markering).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 23 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche/Regionaal Milieu Team, met OPS – dossiernummer: 2219100303, afgesloten d.d. 30 juni 2011, aantal doorgenummerde bladzijden: 4816.

2 HR 16 oktober 1990, LJN AD 1248; HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50; HR 2 februari 2010, LJN BK5193.

3 HR 22 januari 2008, LJN BB7134.

4 HR 18 november 1997, LJN ZD0858; HR 8 oktober 2002, LJNAE5651 en HR 5 september 2006, LJN AV4122.

5 HR 2007, LJN BA0502.

6 Proces verbaal p. 1567, 1568, 1569, 1572.

7 Proces-verbaal p. 1977-1978.

8 Proces verbaal p. 2090.1

9 Proces-verbaal p. 1980-1981.

10 Proces-verbaal p. 2007.

11 Proces-verbaal p. 2081.

12 Proces-verbaal p. 1400.

13 Proces-verbaal p. 1398.

14 Proces-verbaal p. 563.