Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6982

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
01/839419-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamer. Samenloop verzoek 182 Sv en 36 Sv, toetsing verzoek mede aan de hand van art. 255 Sv. Bezwaar ongegrond, wegens ontbreken van een nader verhoor verzoeker en/of machtiging RC o.g.v. art 255 lid 4 Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Oost-Brabant Raadkamer

Parketnummer: 01-839 419-08

Beschikking op het bezwaarschrift ex art 182 lid 6 Sv.

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de P.I. Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst.

De raadsman van [verdachte], mr. J. Michels, heeft op 11 oktober 2013 het verzoek gedaan aan de rechter-commissaris om ingevolge art. 182 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.) één getuige te horen.

De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen.

Bij faxbericht van 11 november 2013 heeft de raadsman van [verdachte] tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaarschrift is behandeld in raadkamer van 18 december 2013. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De raadsman heeft de standpunten zoals verwoord in het bezwaarschrift gehandhaafd.

De officier van justitie heeft het bezwaarschrift tegengesproken, en heeft verwezen naar de eerdere schriftelijke reactie van de officier van justitie d.d. 25 oktober 2013.

Het bezwaar is tijdig ingesteld en kan dus inhoudelijk worden behandeld.

De raadkamer stelt vast dat de rechtbank op 22 oktober 2010 op grond van art. 36 Sv. heeft verklaard dat de strafzaak tegen verdachte is geëindigd.

Als gevolg van deze beslissing geeft artikel 255 Sv. het wettelijke kader voor eventuele nadere vervolging in deze strafzaak en een daar aan gerelateerd nader opsporingsonderzoek . Voor de beoordeling van het bezwaarschrift zijn met name de leden 3 en 4 van art. 255 Sv. van belang.

Art. 255 lid 3 Sv. bepaalt dat een verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank kan worden gedagvaard, dan na een ter zake van nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek. Art. 255 lid 4 Sv. geeft aan dat een dergelijk opsporingsonderzoek alleen kan plaats hebben nadat de rechter-commissaris daartoe een machtiging heeft verleend aan de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.

Zolang geen sprake is van een dergelijke machtiging, is niet voldaan aan de eisen zoals aangegeven in art. 182 Sv.: [verdachte] is na de beëindigd verklaring d.d. 22 oktober 2010 niet (opnieuw) als verdachte gehoord en er is niet voldaan aan de voorwaarde van art. 255 lid 4 Sv..

Dit oordeel leidt ertoe dat het verzoek van [verdachte] terecht is afgewezen en het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing:

Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. Damen, voorzitter,

en mrs. Renneberg en Wiertz-Wezenbeek leden, in aanwezigheid van de griffier Kneepkens op 18 december 2013.

de griffier, de voorzitter,