Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6864

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
C/01/258853 / FA RK 13-683 2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het Internationaal Juridisch Instituut ingeschakeld met betrekking tot de vraag of het Engelse recht de vernietiging van de erkenning kent en, zo ja, door wie en onder welke voorwaarden zulks is toegestaan.

Het Engelse recht kent niet de figuur van de erkenning en de vernietiging daarvan. De rechtbank stelt vast dat de ambtenaar van de burgerlijke stand ten onrechte op de erkenning het Engelse recht heeft toegepast. Op die erkenning had het Nederlandse recht moeten worden toegepast. De rechtbank beoordeelt het verzoek tot vernietiging van de erkenning naar Nederlands recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/258853 / FA RK 13-683 2

Uitspraak : 22 november 2013

[verzoeker]

wonende te[woonplaats],

verder te noemen: de man,

advocaat mr. I. Gerrand.

Belanghebbenden zijn:

[verweerster 1]

wonende te [woonplaats]

verder te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.A.M. Kools,

en

mr. J. Stappaerts-Zijlmans,

advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven,

in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:
-[minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum]

als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van 26 maart 2013.

Deze beschikking is het vervolg op de beschikking van 16 juli 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De verdere procedure

Bij voornoemde beschikking heeft de rechtbank het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage verzocht de in deze beschikking geformuleerde vraag gemotiveerd en schriftelijk te beantwoorden en het rapport dienaangaande aan de rechtbank over te leggen. De vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut luidt als volgt: “Kent het Britse recht de vernietiging van de erkenning? En zo ja, door wie en onder welke voorwaarden is zulks toegestaan?”

Nadien heeft de rechtbank kennis genomen van de navolgende stukken:

- een brief van [naam] verbonden aan het Internationaal Juridisch Instituut, gedateerd 30 juli 2013, met als bijlage het rapport;

- een faxbericht van mr. Gerrand, gedateerd 13 augustus 2013;

- een faxbericht van mr. Kools, gedateerd 15 augustus 2013;

- een faxbericht van mr. Ruijs-Kreté, gedateerd 15 augustus 2013;

- een F9-formulier ingediend door mr. Ruijs-Kreté, gedateerd 16 augustus 2013.

Nader ingekomen stukken

Het Internationaal Juridisch Instituut (hierna IJI) heeft, in de persoon van [naam], op 30 juli 2013 het rapport aan de rechtbank overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat het Engelse recht de rechtsfiguur van de erkenning en bijgevolg evenmin de vernietiging van de erkenning kent. Het vaderschap ‘als zodanig’ kan, echter op verzoek van de man, wel in rechte worden vastgesteld op grond van section 55A van de Family Law Act 1996. De grond voor betwisting van het vaderschap is naar Engels recht dat de man niet de biologische vader van het kind is. Het vaderschap naar Engels recht kan worden ontkend door een belanghebbende. Als rechtsingang kan section 55 A van de Family Law Act 1996 dienen, maar het vaderschap kan ook in het kader van een procedure waarin het hoofdgeding (bijvoorbeeld) de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, worden vastgesteld. Aangezien het Engelse recht geen wilsgebreken en wettelijke termijnen ten grondslag legt aan dit verzoek, kan, aldus het IJI, verdedigd worden dat de wijze waarop het vaderschapsvermoeden van de (ongehuwde) vader weerlegd kan worden, in menig opzicht wezenlijk verschilt van de vernietiging van de erkenning naar Nederlands recht. Anderzijds is de grond voor de betwisting van dit vaderschap evenzeer naar Engels recht dat de man niet de biologische vader van het kind is. Met betrekking tot deze nadruk op het bewijs van de biologische werkelijkheid, wijst het IJI er op dat ook in Engeland veelal gebruik gemaakt wordt van (gerechtelijke) DNA verwantschapstests die aldaar fungeren als basis voor het weerleggen van het vaderschapsvermoeden, dat naar Engels recht meer het karakter heeft van een ‘werkhypothese’ of een bewijsregel.

Bij faxbericht van 13 augustus 2013 heeft mr. Gerrand, namens de man, de rechtbank bericht dat uit het rapport van het IJI blijkt dat ontkenning van het vaderschap naar Brits recht op grond van section 55A van de Family Law Act 1996 mogelijk is. De man stelt zich op het standpunt dat het Britse recht geen wilsgebreken en wettelijke termijnen ten grondslag legt aan het verzoek tot ontkenning van het vaderschap, maar dat dit niet meebrengt dat vernietiging van de erkenning naar Brits niet zou bestaan. Immers, het vaderschap naar Brits recht kan ontkend worden door een belanghebbende. Mocht de rechtbank menen dat vernietiging van de erkenning naar Brits recht niet mogelijk zou zijn, dan verzoekt de man, in aanvulling op zijn eerder gedane verzoek, het door erkenning ontstane vaderschap naar Brits recht te ontkennen, nu dit gelet op het rapport van IJI wel mogelijk is.

Bij faxbericht van 15 augustus 2013 heeft mr. Kools, namens de vrouw, de rechtbank bericht dat de vrouw van mening is dat het verzoek van de man kan worden toegewezen, gelet op de inhoud van het rapport. Uit het rapport blijkt dat – naar Brits recht – de grondslag voor de ontkenning van het vaderschap is gelegen in het feit dat de man niet de biologische vader van het kind is. In onderhavig geval is door middel van een DNA-onderzoek gebleken dat de man niet de biologische vader van de minderjarige is. De vrouw is van mening dat hiermee voldaan is aan de wettelijke vereisten.

Bij faxbericht van 15 augustus 2013 en het F9-formulier van 16 augustus 2013 heeft de bijzondere curator de rechtbank bericht dat het verzoek van de man, c.q. het aanvullende verzoek van de man, kan worden toegewezen. Uit het rapport volgt dat de grond voor betwisting van het vaderschap naar Engels recht is het feit dat de man niet de biologische vader van het kind is. Hieraan wordt voldaan gelet op de uitslag van het DNA-onderzoek. Het vaderschap kan derhalve in rechte worden betwist, een en ander vergelijkbaar met de vernietiging van de erkenning naar Nederlands recht. De bijzondere curator is echter wel van mening dat het belang van de minderjarige vordert dat er een soort van ‘afscheidsgesprek’ c.q. ritueel zal plaatsvinden in verband met een gezonde onthechting.

De verdere beoordeling

Uit het rapport van IJI is het de rechtbank gebleken dat het Engelse recht de rechtsfiguur van de erkenning en de vernietiging van de erkenning niet kent. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat door de ambtenaar van de burgerlijke stand ten tijde van de erkenning door de man van de minderjarige ten onrechte het Britse (de rechtbank begrijpt: het Engelse) recht op de erkenning van toepassing is verklaard.

Artikel 10:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat of en op welke wijze een erkenning kan worden tenietgedaan, wat betreft de bevoegdheid van de man en voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het ingevolge artikel 95 leden 1 en 2 BW toegepaste recht, en wat betreft de toestemming van de moeder, onderscheidenlijk het kind, door het recht dat ingevolge artikel 95 lid 4 BW toepasselijk is.

Nu het Engelse recht de rechtsfiguur van de erkenning niet kent, zou op grond van artikel 10:95 lid 1 BW het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bepalend zijn. Omdat de minderjarige ten tijde van de erkenning in Nederland woonachtig was, had de ambtenaar van de burgerlijke stand het Nederlandse recht moeten toepassen op de erkenning door de man.

De rechtbank oordeelt dat onderhavig verzoek tot vernietiging van de erkenning beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht.

Artikel 1:205 lid 1 BW bepaalt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend:

  1. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

  2. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

  3. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

Lid 3 van voornoemd artikel bepaalt dat in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later wordt ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

Tussen partijen staat vast dat de man niet de biologische vader is van voornoemde minderjarige. De man heeft in december 2012 een DNA-test laten doen, waaruit dat is gebleken. De vrouw heeft de uitslag van die test niet betwist. Voorts staat tussen partijen vast dat de vrouw de man niet eerder dan in november 2012 heeft geïnformeerd dat hij mogelijk niet de biologische vader was van het kind. Op 25 januari 2013 heeft de man het verzoek tot vernietiging van de erkenning ingediend.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden van artikel 1:205 BW is voldaan om tot vernietiging van de erkenning over te gaan. De rechtbank stelt echter voorop dat bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige het belang van het kind centraal staat. De enkele vaststelling dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, is gelet hierop onvoldoende om tot vernietiging van de erkenning over te gaan. Partijen zijn het eens dat het in het belang is van de minderjarige dat de erkenning wordt vernietigd omdat het van belang is voor een kind te weten van wie het afstamt. Ook de bijzonder curator en de Raad onderschrijven dit standpunt. Echter, ter zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat het voor de minderjarige van groot belang is dat zij haar verleden met de man op een goede manier afsluit en van hem afscheid kan nemen. Volgens de Raad is hiervoor professionele begeleiding nodig. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de Raad.

Alvorens de rechtbank zal toekomen aan de beoordeling van de vraag of vernietiging van de erkenning van de minderjarige door de man in het belang van de minderjarige is, is de rechtbank met de bijzonder curator en de Raad van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat zij op een bij haar leeftijd passende wijze, met hulp van Bureau Jeugdzorg, afscheid kan nemen van de man. De rechtbank acht het voor de verdere ontwikkeling van de minderjarige van belang dat zij haar opgebouwde relatie met de man op een goede manier kan afsluiten, zodat er een gezonde onthechting kan plaatsvinden. De rechtbank zal de behandeling van de zaak dan ook aanhouden tot na te melden datum en partijen verzoeken zich te wenden tot Bureau Jeugdzorg in verband met de begeleiding van de minderjarige bij het afscheid nemen van de man als haar juridische vader.

Beslist wordt thans als volgt.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat partijen zich dienen te wenden tot Bureau Jeugdzorg in verband met de begeleiding van de minderjarige bij het afscheid nemen van de man als haar juridische vader;

houdt de behandeling van de zaak PRO FORMA aan tot 11 februari 2014 met verzoek aan de advocaten van partijen om de rechtbank voor deze datum te informeren over de wijze waarop het afscheid tussen de minderjarige en de man als haar juridische vader heeft plaatsgevonden.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2013 in aanwezigheid van de griffier.

conc: mmb

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.