Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6855

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
SHE 12/823
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terecht boete in het kader van de Zvw opgelegd. Het is eiser te verwijten dat hij niet binnen de door verweerder gestelde termijn een zorgverzekering heeft afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 12/823

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. J.B.M. Nijhuis,

en

College voor zorgverzekeringen (CVZ), verweerder

gemachtigde: mr. S.E. Berghout.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 343,74.

Bij besluit van 10 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser verblijft sedert 29 december 2009 in detentie. Hiervan is mededeling gedaan aan, ondermeer, eisers zorgverzekeraar Menzis.

Bij brief van 16 mei 2011 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat is geconstateerd dat hij geen – verplichte – zorgverzekering heeft en dat hij binnen drie maanden een zorgverzekering moet afsluiten. In deze brief is aangekondigd dat verweerder een boete op zal leggen indien eiser zich binnen drie maanden niet heeft verzekerd. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd, omdat hij op 16 augustus 2011, zijnde drie maanden na 16 mei 2011, nog geen zorgverzekering heeft afgesloten. Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar is door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt dat Menzis verantwoordelijk is voor het feit dat hij onverzekerd was op de door verweerder gestelde datum. Eiser geeft aan dat hij bij aanvang van de detentie detentieverklaringen heeft opgestuurd naar Menzis. Hij ging er vanuit dat Menzis (zoals gebruikelijk bij detentie) zijn verzekering zou opschorten en niet zou annuleren. Eiser is van mening dat hem, na alle informatie van zijn kant en nadat hij zo vaak aan de bel heeft getrokken, niets te verwijten valt en dat de fout dus geheel bij Menzis ligt. Eiser concludeert dat de boete moet komen te vervallen, omdat hij al het mogelijke heeft gedaan om zowel Menzis als verweerder in te lichten over zijn situatie en hij alle daarbij behorende stukken heeft verstrekt. Eiser verzoekt ten slotte er rekening mee te houden dat hij tot september 2014 is gedetineerd. Mocht de rechtbank besluiten in het voordeel van verweerder dan vraagt hij de boete na afloop van zijn detentie te mogen voldoen.

4.

Verweerder kan zich, blijkens het gestelde in het verweerschrift, voorstellen dat eiser van mening was dat hij nog altijd verzekerd was bij Menzis. Echter, na ontvangst van de aanmaningsbrief van 16 mei 2011 moet het eiser volgens verweerder duidelijk zijn geweest dat uit verweerders gegevens bleek dat hij niet verzekerd was. Verweerder stelt dat eiser vanaf 16 mei 2011 drie maanden de tijd had om het een en ander uit te zoeken bij Menzis. Had eiser dit gedaan dan was hij er volgens verweerder binnen die drie maanden achter gekomen dat zijn verzekering bij Menzis op 29 december 2009 was beëindigd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser dan binnen de gegeven termijn van drie maanden een zorgverzekering had kunnen afsluiten en hiermee de boete had kunnen voorkomen.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

De Zorgverzekeringswet (Zvw) is door inwerkingtreding van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering per 15 maart 2011 aangepast. De wijziging houdt in dat er een boete wordt opgelegd indien een verzekeringsplichtige geen zorgverzekering heeft afgesloten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Zvw is degene die ingevolge de Awbz en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico. Het besluit over het al dan niet bestaan van een Awbz-verzekering wordt genomen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Blijkens de memorie van toelichting op de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering dient verweerder zich te baseren op het Awbz-bestand van de SVB.

7.

De onderhavige boete is door de wetgever als een bestuurlijke boete aangemerkt, hetgeen een bestraffende sanctie is, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. Het opleggen van een dergelijke boete is een criminal charge, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Naar vaste rechtspraak dient een bestuurlijke boete vol getoetst te worden.

8.

Artikel 6 van het EVRM brengt met zich dat de rechter dient te toetsen of de bestuurlijke boete in overeenstemming is met de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en die waarin de overtreder verkeert.

9.

Eiser betwist niet dat hij binnen de gestelde termijn geen zorgverzekering heeft afgesloten. Ter beoordeling staat derhalve in hoeverre het eiser kan worden verweten dat hij niet tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten. Eiser stelt dat hij in de vooronderstelling leefde dat hij verzekerd was bij Menzis. De rechtbank is evenwel met verweerder van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om binnen de in de aanmaningsbrief van 16 mei 2011 gestelde periode informatie in te winnen bij Menzis ten aanzien van zijn zorgverzekering. Hiertoe was voldoende aanleiding nu verweerder in die brief heeft aangegeven dat uit zijn gegevens is gebleken dat eiser geen zorgverzekering heeft en eiser sedert juli 2010 geen premies voor de zorgverzekering meer heeft betaald. Dat eiser in de gelegenheid en in staat was om te informeren bij Menzis blijkt uit de aan eiser gerichte brief van Menzis van 12 september 2011, waarin is aangegeven dat hij bij Menzis verzekerd was over de periode van 1 januari 2008 tot 29 december 2009. De rechtbank neemt aan dat deze brief een reactie is op een verzoek van eiser. Naar aanleiding van het gestelde in de brief van Menzis heeft eiser op 29 september 2011 een zorgverzekering afgesloten bij CZ.

10.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het eiser te verwijten is dat hij niet binnen de door verweerder gestelde termijn een zorgverzekering heeft afgesloten. Nu eiser geen gronden heeft ingediend tegen de hoogte van de opgelegde boete, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden een boete van € 343,74 aan eiser heeft opgelegd.

11.

Het beroep is ongegrond. Eiser dient zich voor zijn verzoek om de boete pas na afloop van zijn detentie te mogen voldoen te richten tot verweerder, aangezien de invordering van de boete in onderhavig geding niet aan de orde is.

12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. A.E.M. Effting-Zeguers, rechter, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.