Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6844

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_3594
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek ter zitting gesloten. Partijen hebben, zoals ter zitting besproken, na sluiting van het onderzoek nader overleg gehad. Dit heeft aan de zijde van verweerder niet tot een andere standpuntbepaling geleid.

De rechtbank is bij de beoordeling van de zaak uitgegaan van de op het moment van sluiting van het onderzoek bij haar bekende informatie en heeft geen rekening gehouden met door verweerder in zijn reactie aangedragen nieuwe feiten ter onderbouwing van zijn standpunt.

Eiser heeft steeds standpunt gehuldigd dat de omgevingsvergunning voor het bouwen al van rechtswege was verleend en een hoorzitting dus niet nodig was. Uit een telefoonnotitie blijkt dat eiser, desgevraagd, heeft bevestigd af te zien van een hoorzitting. Uit geen van de stukken blijkt dat eiser aan de verklaring geen gebruik te willen maken van de hoorzitting de voorwaarde heeft verbonden dat, als verweerder van mening zou zijn dat de vergunning niet van rechtswege was verleend, een hoorzitting wel gewenst was. Verweerder mocht dan ook afzien van het horen van eiser.

Omdat de instemming met de aanwezigheid van de oude schuur/berging ook al een afwijking van het bestemmingsplan behelsde, kan het niet toestaan van een grotere afwijking van het bestemmingsplan door oprichting van een - grotere - nieuwe schuur/berging niet onredelijk worden geacht.

Dat eiser is doorgegaan met oprichting van de schuur/berging en deze nagenoeg heeft voltooid, in de veronderstelling dat sprake was van een van rechtswege verleende vergunning, dient voor eisers risico te blijven. Dat eiser de schuur/berging in de toekomst wellicht voor mantelzorg wil gebruiken, gaat de omvang van het geschil te buiten.

(…)

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. drs. J. van Wieringen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder,

gemachtigde: mr. J.N.H. Kepers.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

Bij besluit van 30 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting hebben partijen nader overleg gehad. Dit heeft aan de zijde van verweerder niet tot een andere standpuntbepaling geleid.

Overwegingen

- De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is eigenaar van het perceel [adres]. Op dit perceel staan een woning en een drietal bijgebouwen, namelijk een tuinhuis, een garage en een schuur/berging. Op 4 december 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het renoveren van het achterste bijgebouw (de schuur/berging) op het perceel. De renovatie was op dat moment al bijna afgerond.

- In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning terecht is geweigerd, omdat het bouwplan niet aan de beleidsregels ‘ruimtelijk omgevingsrecht’ (de beleidsregels) voldoet en er voorts geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen.

  • -

    Eiser voert allereerst aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase.

  • -

    Op 12 maart 2013 heeft eiser op het 'antwoordformulier hoorzitting' van verweerder ingevuld dat hij graag gebruik maakt van een hoorzitting. Op 15 april 2013 heeft eisers gemachtigde gereageerd op het schriftelijke verzoek van verweerder om aan te geven of eiser een hoorzitting wenst. Eisers gemachtigde heeft aangegeven dat het antwoord op die vraag vermoedelijk in het ongerede is geraakt maar dat eiser van mening is dat de vergunning van rechtswege is verleend en een verdere procedure onnodig is. Hij heeft verweerder verzocht om bevestiging van de juistheid van zijn visie over de verlening van rechtswege.

In een e-mailbericht van 17 april 2013 geeft eisers gemachtigde aan dat eiser een brief heeft ontvangen waarin de hoorzitting wordt uitgesteld. De gemachtigde heeft het standpunt herhaald dat naar de mening van eiser de vergunning al is verleend en een hoorzitting dus niet nodig is. Hij heeft dit bericht op 14 mei 2013 tevens per brief aan verweerder verzonden.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij, naar aanleiding van deze informatie van de gemachtigde, die niet in overeenstemming leek met het door eiser gegeven antwoord op het formulier van 12 maart 2013, telefonisch contact met hem heeft gezocht om bevestiging van het standpunt dat van een hoorzitting wordt afgezien. Uit de telefoonnotitie van 16 mei 2013 blijkt dat eisers gemachtigde heeft medegedeeld dat eiser afzag van een hoorzitting.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op vorenstaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Uit geen van de stukken blijkt dat de gemachtigde aan de verklaring om geen gebruik te willen maken van de hoorzitting de voorwaarde heeft verbonden dat indien verweerder van mening zou zijn dat de vergunning niet van rechtswege was verleend, een hoorzitting wel gewenst was. Verweerder mocht, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, dan ook afzien van het horen van eiser.

De beroepsgrond slaagt niet.

- Op het perceel is het bestemmingsplan "Woensel buiten de Ring II 2006" (het bestemmingsplan) van kracht. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de activiteit bouwen geen omgevingsvergunning nodig is op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in combinatie met artikel 3, aanhef en eerste lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ook staat niet ter discussie dat de huidige totale oppervlakte van de bijgebouwen op het perceel met 113,79 m2 de - op grond van artikel 3.2.2., sub b, van de planregels vastgestelde - maximale oppervlakte van 75 m2 voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen overschrijdt.

- Eiser stelt zich op het standpunt dat de gezamenlijke oppervlakte van de op het perceel aanwezige bijgebouwen voor de renovatie 103 m2 was. Deze bijgebouwen waren bij verweerder bekend en toegestaan. Eiser is bereid om de op het perceel aanwezige garage en/of het tuinhuisje te verwijderen. Eiser zou op die manier weer onder de 103 m2 aan bijgebouwen komen.

- Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de vorige eigenaar van het perceel de daarop reeds opgerichte berging in 1999 aan verweerder heeft gemeld. Bij verweerder zijn hierover geen andere gegevens bekend dan de stukken die eiser bij zijn beroepschrift heeft overgelegd, omdat het dossier is vernietigd.

Volgens verweerder is de schuur/berging door eiser volledig gerenoveerd en uitgebreid met 18 m2. Hierdoor geldt volgens verweerder die melding niet meer.

De totale oppervlakte van de gerenoveerde schuur/berging is na de uitbreiding 83,79 m2. Zelfs indien eiser de garage en het tuinhuisje sloopt, komt hij volgens verweerder nog niet onder de op grond van de beleidsregels toegestane maximale oppervlakte van 75 m2.

- Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft op 29 november 2013 een gesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden om te bezien of eiser, onder voorwaarde van de afbraak van een deel van de bijgebouwen, van verweerder alsnog toestemming zou kunnen krijgen voor het gebruik van de nieuw opgerichte schuur/berging.

Verweerder heeft te kennen gegeven dat de totale oppervlakte aan bijgebouwen, als het door eiser gedane voorstel voor afbraak van een tuinhuisje van 12 m2 zou worden gerealiseerd, niet alleen de maximaal toegestane oppervlakte van 75 m2 overschrijdt, maar ook een oppervlakte van 100 m2. Dit is de oppervlakte die in de toekomst eventueel zou kunnen worden toegestaan, als verweerder het voornemen van de overheid om het beleid voor mantelzorg te versoepelen zou overnemen (maximaal 100 m2 vergunningsvrij ten aanzien van mantelzorg).

Volgens verweerder is er overigens geen sprake van een oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen van iets meer dan 100 m2. Er is namelijk ook nog sprake van een uitbouw aan de woning. In totaal komt de bestaande oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen daarmee op ongeveer 140 m2 bruto vloeroppervlakte.

- De rechtbank heeft, naar aanleiding van de toezending van de nadere informatie door verweerder op 3 december 2013 en de brief van eiser van 30 november 2013, geen reden gezien om het onderzoek te heropenen.

De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de op het moment van sluiting van het onderzoek bij haar bekende informatie. Met de omstandigheid dat, volgens verweerder, ook nog een uitbouw op het erf aanwezig is, zal derhalve geen rekening worden gehouden. Verweerder heeft die uitbouw niet eerder in de beoordeling van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken betrokken.

- Verweerder komt, bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning, een ruime beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank kan de beslissing op een dergelijke aanvraag slechts terughoudend toetsen.

- Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser aan de melding door de vorige eigenaar geen rechten meer kan ontlenen. Deze melding betrof de oude schuur/berging en niet de oppervlakte die door bijbehorende bouwwerken in beslag werd genomen.

Gelet op de omstandigheid dat de instemming met de aanwezigheid van de oude schuur/berging ook al een afwijking van het bestemmingsplan behelsde, kan het niet toestaan van een grotere afwijking van het bestemmingsplan door oprichting van een nieuwe schuur/berging, die blijkens het verhandelde ter zitting - anders dan op de bouwtekening aangegeven - ongeveer 18 m2 groter is dan de oude berging, niet onredelijk worden geacht.

Verweerder heeft, onder deze omstandigheden, in redelijkheid vastgehouden aan artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels, op grond waarvan de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij woningen niet meer dan 75 m2 mag bedragen. Ook indien het tuinhuisje wordt verwijderd, wordt deze oppervlakte ruimschoots overschreden.

De omstandigheid dat eiser is doorgegaan met oprichting van de schuur/berging en deze nagenoeg heeft voltooid, in de veronderstelling dat sprake was van een van rechtswege verleende vergunning, dient voor eisers risico te blijven en kan geen invloed hebben op de door de rechtbank te nemen beslissing.

- Eiser heeft aangegeven dat het kabinet wil dat het mogelijk wordt om vergunningsvrije bouwwerken voor een periode van maximaal tien jaar te gebruiken als mantelzorgwoning. Een dergelijk bijgebouw in de tuin mag maximaal 100 m2 groot zijn. Verweerder kan op dit beleid anticiperen.

- Verweerder heeft ter zitting aangegeven hieraan niet te hebben getoetst, omdat die bewoning een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft.

- De rechtbank acht aanvaardbaar dat verweerder met de mogelijke toekomstige bewoning van de schuur/berging geen rekening heeft gehouden. Eiser heeft de omgevingsvergunning namelijk aangevraagd met het oog op het renoveren van een schuur/berging (hetgeen eiser ter zitting heeft bevestigd) en niet voor het bouwen van een mantelzorgwoning. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet kunnen en ook niet hoeven toetsen aan beleid in het kader van de mantelzorg, waarvoor overigens ook nu al specifieke beleidsregels gelden. Dat de aanvraag niet is gedaan ten behoeve van het gebruik daarvan als mantelzorgwoning kan ook worden afgeleid uit de omstandigheid dat bij de bouw geen rekening is gehouden met bouwkundige eisen die aan woongebouwen worden gesteld.

De omstandigheid dat eiser de schuur/berging in de toekomst wellicht voor mantelzorg wil gebruiken, gaat de omvang van het geschil dan ook te buiten. Reeds hierom kan de daarop betrekking hebbende beroepsgrond niet slagen.

- Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser voert aan dat veel van zijn buren een bijgebouw van meer dan 75 m2 op hun perceel hebben.

- Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Eiser heeft geen onderbouwing van zijn stelling gegeven. Niet heeft dan ook kunnen blijken dat de situaties van de buren vergelijkbaar zijn met de situatie van eiser. Niet is uitgesloten, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, dat de door eiser bedoelde percelen een andere bestemming hebben dan het perceel van eiser. Ook is gesteld, noch gebleken, dat aan deze buren een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik is verleend. De beroepsgrond slaagt niet.

- Eiser voert tot slot aan dat de vergunningsaanvraag een verzoek tot het wijzigen van het bestemmingsplan impliceert. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij in deze zaak het bestemmingsplan niet aanpast, aldus eiser.

- Art. 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt - samengevat - dat, in gevallen waarin de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in strijd is met het bestemmingsplan, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De wet biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in gevallen als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo dient te bezien of wijziging van het bestemmingsplan gewenst/noodzakelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

- Gelet op voorafgaande is het beroep ongegrond.

- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M.M. Belt - Brouns, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.