Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6813

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
SHE-13_4160
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De burgemeester van de gemeente Heusden heeft eisers onderneming op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, met toepassing van het, niet kennelijk onredelijk, Handhavingsbeleid direct voor een jaar gesloten, omdat bij ten minste een bezoeker een handelshoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Verweerder mag een eigen, van andere gemeenten afwijkende, beleidslijn volgen. Het sluiten van eisers onderneming op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een reparatoire maatregel. De sluitingstermijn van een jaar is in dit geval niet onevenredig gelet op het beoogde doel: doorbreken van de gewoonte van drugshandelaren en -gebruikers naar de onderneming te komen. Geen persoonlijk verwijt is niet relevant. Geen klachten van omwonenden is geen reden niet te sluiten.

Wetsverwijzingen
Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang ingevolge artikel 13b Opiumwet, geldigheid: 2013-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. I.P. Sigmond),

en

de burgemeester van de gemeente Heusden, verweerder

(gemachtigden: mr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. A. Saakjan).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser, op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, gelast zijn horecagelegenheid, de Tequila Dancing Bar, gelegen aan[adres 1] (de onderneming), per direct te sluiten en gesloten te houden voor de duur van een jaar, gerekend vanaf 18 mei 2013.

Bij besluit van 8 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden dateren van 22 augustus 2013.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser is eigenaar van de onderneming. Voorts is hij fulltime controleur brandveiligheid en genereert hij inkomsten uit de verhuur van een woning aan [adres 2], waarvan hij de eigenaar is, en uit de verhuur van kamers boven de onderneming.

3.

Uit een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 14 juni 2013 blijkt dat naar aanleiding van een tip van de Criminele Inlichtingen Eenheid een Arrestatie Eenheid van de politie op 18 mei 2013 om circa 00:30 uur de onderneming van eiser heeft betreden. Bij die actie zijn in de onderneming vier mannen aangehouden. De eerste werd aangehouden wegens het bezit van cocaïne die in zijn nabijheid op de grond lag. Ook werd bij hem een bedrag van € 14.020 aangetroffen, waarnaar in het kader van witwassen nog onderzoek zal worden gedaan. De tweede werd ook aangehouden wegens het bezit van cocaïne, die in twee gripzakjes met beide een inhoud van 0,4 gram bij hem op de grond lag. De derde man werd aangehouden omdat hij in het bezit was van 1,3 gram cocaïne die verpakt zat in drie gripzakjes, die zich bevonden in zijn ondergoed. Ten slotte werd de vierde man aangehouden omdat hij stond gesignaleerd voor een aanhouding buiten heterdaad wegens een overtreding van de Opiumwet, zoals geconstateerd bij een onderzoek van de Boven Regionale Recherche Zuid-Nederland. Uit het primaire besluit blijkt dat op beveiligingsbeelden te zien was dat een aantal personen gripzakjes met harddrugs op de grond gooide, waardoor verweerder verdere aanhoudingen niet uitsluit.

4.

Naar aanleiding van de aangetroffen feiten heeft verweerder de onderneming op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet direct gesloten voor de duur van een jaar, gerekend vanaf 18 mei 2013. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit, onder verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften van 25 juni 2013, gehandhaafd.

5.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat – kort gezegd – de feiten en omstandigheden voldoende aanleiding geven eisers onderneming direct te sluiten voor de duur van een jaar, gerekend vanaf 18 mei 2013.

6.

Eiser voert in beroep aan dat – kort gezegd – verweerder het belang van handhaving van de openbare orde en eisers financieel belang verkeerd heeft gewogen. De sluiting neigt naar een punitieve sanctie. Slechts één bezoeker had een handelshoeveelheid cocaïne bij zich. Daarom is sprake van een incident en is de sluiting van een jaar disproportioneel. Aangezien eiser er alles aan heeft gedaan om de feiten te voorkomen, is hem niets te verwijten. Eiser beroept zich op het fair playbeginsel. Ten slotte wijst eiser erop dat hij de laatste jaren geen klachten van buurtbewoners meer heeft gehad.

7.

Deze beroepsgronden falen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

8.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

9.

Verweerder heeft ter nadere uitwerking van de op grond van voormeld artikel aan hem toekomende bevoegdheid op 23 oktober 2012 het ‘Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Heusden’ vastgesteld, dat, na voorafgaande publicatie, in werking is getreden op 15 november 2012 (Handhavingsbeleid). Hierin is onder meer bepaald dat sluiting van lokalen, waarin handel in harddrugs is geconstateerd in beginsel plaats vindt voor onbepaalde tijd, met een minimum van een jaar.

10.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij uitoefening van de hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomende bevoegdheid beschikt over beleidsvrijheid, waardoor de rechtbank verweerders standpunt slechts terughoudend mag toetsen.

11.

Niet in geschil is dat bij ten minste een van de bezoekers van eisers onderneming, zijnde een lokaal als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, een handelshoeveelheid cocaïne (zijnde een harddrug als bedoeld in lijst I ) is aangetroffen. Dit is reeds voldoende voor het ontstaan van verweerders bevoegdheid tot sluiting.

12.

Naar het oordeel van de rechtbank is het Handhavingsbeleid van verweerder niet kennelijk onredelijk. Eisers – niet nader onderbouwde – stelling dat in de meeste andere gemeenten ander beleid wordt gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het staat verweerder vrij om in zijn gemeente een eigen, van andere gemeenten afwijkende, beleidslijn te volgen. Overigens heeft verweerder gewezen op jurisprudentie waaruit blijkt dat diverse andere gemeenten hetzelfde beleid voeren als verweerder.

13.

Eisers stelling dat de maatregel neigt naar een punitieve sanctie volgt de rechtbank niet. Het sluiten van de onderneming op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een reparatoire maatregel, dat wil zeggen een maatregel gericht op herstel, die is bedoeld om de negatieve effecten van de handel en het gebruik van harddrugs op het openbare leven te beheersen.

14.

Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder het Handhavingsbeleid juist heeft toegepast. Van een onjuiste belangenafweging is de rechtbank niet gebleken. De door verweerder toegepaste sluitingstermijn van een jaar stemt overeen met het Handhavingsbeleid. Deze sluitingstermijn is in dit geval niet onevenredig gelet op het hiermee door verweerder beoogde doel, namelijk de gewoonte doorbreken van drugshandelaren en drugsgebruikers die naar de onderneming kwamen. Verder is hierbij van belang dat, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, sluiting van een lokaal voor een jaar ook standaard beleid is in geval van handel in softdrugs en in dit geval dus de volgens het Handhavingsbeleid minimale sluitingstermijn is toegepast. Ten aanzien van eisers stelling dat de sluitingstermijn op basis van de vondst van 1,3 gram harddrugs niet in verhouding is met de aangetroffen hoeveelheid drugs, heeft verweerder terecht opgemerkt dat ook een ander persoon in de onderneming in het bezit was van een handelshoeveelheid cocaïne van twee maal 0,4 gram. Dat sprake is van een incident vindt overigens geen bevestiging in de feiten. De inval hield namelijk verband met informatie over onder meer handel in cocaïne in de onderneming.

15.

Eisers stelling dat hem geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, is niet relevant. Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. Voorts is eiser als exploitant van de onderneming verantwoordelijk voor wat daarin plaatsvindt, zodat het op zijn weg lag ervoor te zorgen dat voldoende maatregelen werden genomen om feiten als hier aan de orde te voorkomen. De feiten geven geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van vooringenomenheid of partijdigheid zijdens verweerder. Aangaande eisers stelling dat hij de laatste jaren geen klachten meer heeft ontvangen over zijn onderneming, overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder hierin geen reden heeft hoeven zien niet tot sluiting over te gaan. Bovendien heeft verweerder aangevoerd dat in het najaar van 2011 een gesprek tussen buurtbewoners en ambtenaren van de gemeente heeft plaatsgevonden, waaruit naar voren is gekomen dat door de buurtbewoners overlast werd ervaren van onder meer eisers onderneming en haar bezoekers.

16.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

17.

Voor een proceskostenveroordeling of een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, rechter, in aanwezigheid van

P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.