Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6793

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
01/839404-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld voor moord en verboden wapenbezit gepleegd in Eindhoven tot een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel voor de duur van twee jaren met bijzondere voorwaarden (o.a. behandeling voor stoornis van Asperger).

Tevens dient verdachte aan nabestaanden schade te vergoeden.

Verdacht wordt sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839404-13

Datum uitspraak: 09 december 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd te: JJI De Hunnerberg.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting achter gesloten deuren van 25 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 november 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Eindhoven, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer] (geboren [1947]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hamer/moker, althans met een hard en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen, althans uitwendig mechanisch geweld op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] aangewend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Eindhoven, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, opzettelijk[slachtoffer] (geboren [1947]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hamer/moker, althans met een hard en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen, althans uitwendig mechanisch geweld op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] aangewend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het op of omstreeks 22 maart 2013 te Eindhoven, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid geld, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Eindhoven, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, opzettelijk[slachtoffer] (geboren op [1947]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hamer/moker, althans met een hard en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen, althans uitwendig mechanisch geweld op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] aangewend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 28 mei 2013 te Helmond een of meer wapens van categorie III, te weten een gas/alarmpistool (merk Vektor, model CP1, kaliber 9mm P.A.K.), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Inleiding.

Op vrijdag 22 maart 2013 werd bij de politiemeldkamer door [persoon 1] gemeld dat in zijn woning, gelegen aan de [adres 2] te Eindhoven, in het bloed de hem bekende [slachtoffer] lag. De politie heeft na aankomst in die woning het levenloze lichaam aangetroffen van een man die later bleek volledig te zijn genaamd [slachtoffer], geboren op [1947]. Uit het eerste onderzoek ter plaatse werd duidelijk dat het slachtoffer door geweld van buitenaf om het leven was gekomen.2

Op het lichaam van [slachtoffer] is sectie verricht. Het daarvan opgemaakte NFI-rapport houdt als conclusie in dat het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door fors bloedverlies en orgaanschade aan de grote en kleine hersenen, ten gevolge van meerdere letsels aan het hoofd, opgelopen bij leven door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld.3

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 22 maart 2013 te Eindhoven het slachtoffer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem meerdere malen met een moker op en tegen het hoofd te slaan.4

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de tenlastegelegde moord wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde moord. Daartoe heeft zij in de kern aangevoerd dat er – gelet ook op alle contra-indicaties – onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat de verdachte met voorbedachte rade het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Zij heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring van doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

i.

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van hetgeen hiervoor onder het kopje “inleiding” is weergegeven bewezen acht dat de verdachte op 22 maart 2013 in een woning te Eindhoven opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd door deze meermalen op/tegen het hoofd te slaan met een moker.

ii.

De vraag waar de rechtbank zich thans toe gesteld ziet en die de officier van justitie en de verdediging verdeeld houdt, is of de verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld, zoals dat in het onder 1 primair tenlastegelegde tot uitdrukking is gebracht met de bewoordingen “na kalm beraad en rustig overleg”.

iii.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

iv.

De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie in eerste instantie elke betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ontkend. Daarna past hij zijn verklaring aan, in die zin dat hij met het slachtoffer naar de woning in Eindhoven is gegaan en dat zij aldaar door twee negers zijn overvallen die ook het slachtoffer hebben gedood.

v.

Vervolgens past hij zijn verklaring wederom aan en verklaart dan dat hij gedurende een aantal maanden een aantal keren seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer tegen betaling, dat hij een aantal dagen voor het delict het slachtoffer te kennen had gegeven dat hij geen seks meer met hem wilde, dat het slachtoffer hem, verdachte, toen chanteerde door te dreigen met openbaarmaking van hun seksuele relatie op de school van de verdachte, dat verdachte dit absoluut niet wilde en dat verdachte op de dag van het delict met het slachtoffer naar de woning in Eindhoven is gegaan om daar op diens verzoek seksuele handelingen te verrichten, dat hij onderweg naar de woning besloten had om geen seks met hem te hebben en dat hij niet op school bekend wilde komen te staan als de jongen die seks had met het slachtoffer, dat hij in de woning gekomen tot het besluit kwam om het slachtoffer van het leven te beroven omdat hij geen andere oplossing meer zag en dat hij het slachtoffer vervolgens met een ter plekke gevonden moker meermalen op het hoofd heeft geslagen.5

vi.

Nadat de verdachte door de politie wordt geconfronteerd met het feit dat bij een doorzoeking in en rond de woning van de verdachte een moker is aangetroffen en dat uit door het NFI verricht DNA-onderzoek is gebleken dat er bloed van het slachtoffer op die moker is aangetroffen, legt de verdachte een wederom aangepaste verklaring af. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in:

“V:=vraag verbalisanten

O:= opmerking

A:= antwoord verdachte

(…)

O: Inmiddels heeft er dna onderzoek plaats gevonden bij het Nederlands Forensisch Instituut en zowel het bloed op jouw jas als op die moker blijkt afkomstig te zijn van[slachtoffer].

V: Hoe kan jij dat verklaren?

A: Ja, dat ik hem heb meegenomen.

V: Je zegt “ik heb hem meegenomen” wanneer precies?

A: dezelfde dag.

V: En met dezelfde dag bedoel je, de dag dat je met[slachtoffer] hebt afgesproken, dat je hem mee hebt genomen in de auto naar de woning toe naar de [adres 2] te Eindhoven.

A: Ja, hoe moet dat anders gegaan zijn.

V: Waar heb je die moker gepakt dan?

A: Die lag thuis in de schuur in een rek, in een van de twee.

V: Je bent dus op zoek gegaan naar die moker, wat was daar de reden voor?

A: Ik wist geen uitweg meer, ik wilde de moker meenemen om van [slachtoffer] af te komen.

V: Wat bedoel je daar precies mee?

A: Ik wilde gewoon van [slachtoffer] afkomen.

V: En wanneer vatte je dat plan op dan?

A: Gewoon diezelfde dag, ik wilde de hamer meenemen om van [slachtoffer] af te komen, gewoon om hem te doden.

V: Wanneer precies vatte jij dat plan op?

A: Gewoon diezelfde dag.

V: Hoe laat precies dan?

A: Ongeveer een half uur van te voren, voordat ik naar [slachtoffer] toe ging. Ik zag op dat moment geen andere uitweg meer.

(…)

A: Ik ben gewoon naar de woning gelopen met [slachtoffer]. Ik heb toen het rugzakje op mijn rug gedaan. We lopen naar binnen en [slachtoffer] loopt naar de gordijnen toe. En dan is eigenlijk hetzelfde gebeurd zoals ik heb verteld. (…) Toen ik in de woonkamer was pakte ik het rugzakje van mijn rug. Ik haalde de hamer eruit en dan is hetzelfde gegaan als toen ik al verklaard heb.

[slachtoffer] was al bezig met de gordijnen en toen heb ik die hamer uit het rugzakje gehaald.

(…)

V: Wat gebeurt er verder met de hamer op het moment dat je geslagen hebt?

A: Die doe ik weer in mijn tas, met bloed en al. De rugzak doe ik weer op mijn rug.

(…)

V: Je zegt dat je een half uur van te voren het plan opvat om die hamer mee te nemen om [slachtoffer] van het leven te beroven. Wanneer vat je nu het plan op om [slachtoffer] van het leven te beroven?

A: Ik had al een week het gevoel dat ik geen uitweg meer zag. Ik wist gewoon niet wat ik moest doen. Ik zat in de knoop, ik voelde me gewoon kut. Ik kan dat misschien omschrijven als wanhopig, ik weet dat niet precies.

(…)

V: Wat was nou de reden waar je heel erg bang voor was.

A: Ik was gewoon bang dat [slachtoffer] aan iedereen ging vertellen wat er tussen hem en mij gebeurd was.

(…)

A: (…) Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat ik gewoon niets meer met hem te maken wilde hebben maar hij zei dat hij het dan tegen iedereen zou zeggen en dat wilde ik niet. In de week voordat het gebeurd is, heb ik tegen [slachtoffer] gezegd dat ik niet meer wilde. De dag voordat het gebeurde, heb ik [slachtoffer] gebeld of [slachtoffer] heeft mij gebeld, ik weet niet precies wat er toen besproken is. We hebben voor de dag erna afgesproken. Op vrijdag 22 maart rond 12.00 uur of 13.00 uur heb ik [slachtoffer] gebeld en toen hebben we afgesproken.

V: Op het moment dat je belt, heb je toen al het plan opgevat om de hamer mee te nemen?

A: Nee, dat was echt er net voor, toen ik uit school kwam, vlak voor ik naar [slachtoffer] ging.”6

vii.

De rechtbank constateert dat de verdachte met zijn even onder vi weergegeven verklaring zijn onder v weergegeven verklaring in de kern heeft gehandhaafd met uitzondering van het moment waarop hij tot het besluit kwam om het slachtoffer van het leven te beroven en waar hij de door hem gebruikte moker vandaan heeft gehaald. In zoverre wordt de onder v weergegeven verklaring dan ook door de rechtbank gevolgd en tot het bewijs gebezigd.

viii.

Wat betreft verdachtes lezing over het moment waarop hij tot het besluit kwam om het slachtoffer van het leven te beroven en waar hij de moker vandaan heeft gehaald, houdt de rechtbank hem aan zijn hiervoor onder vi weergegeven verklaring. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat de in dit proces-verbaal opgetekende verklaring van de verdachte door de politie verkeerd is geïnterpreteerd of anderszins onjuist in het proces-verbaal is vastgelegd. De rechtbank acht het evenmin aannemelijk dat de verdachte met zijn uitlatingen iets anders heeft bedoeld te zeggen dan dat bij hem in de schuur daadwerkelijk het plan postvatte om het slachtoffer om te brengen, bijvoorbeeld – naar verdachte ter terechtzitting als bedoeling van zijn verklaring uiteen heeft gezet – dat hij de moker mee naar [slachtoffer] [slachtoffer] wilde nemen om hem te dwingen te stoppen met de seksuele handelingen. In dat verband moet worden geconstateerd dat de verdachte gedurende zijn verhoren door de politie geen enkele keer heeft gerept van het motief om het slachtoffer te dwingen tot het stoppen met seksuele handelingen. Integendeel, als consequent motief voor zijn daad voert de verdachte telkens aan dat hij koste wat het kost wilde voorkomen dat het slachtoffer de tussen hun voorgevallen seksuele escapades op de school van de verdachte openbaar zou maken en dat de verdachte om die reden van [slachtoffer] [slachtoffer] af wilde zien te komen. Dat motief herhaalt hij ook in zijn hiervoor onder vi weergegeven verklaring. Bovendien volgt uit het hierboven weergegeven citaat van die verklaring dat de politie tijdens het verhoor op meerdere momenten aan de verdachte vraagt wanneer hij nu het plan opvatte om het slachtoffer van het leven te beroven en dat de verdachte, hoewel het voor hem op dat moment duidelijk moet zijn dat de politie dit als zijn plan heeft verstaan en vervolgens ampele gelegenheid tot verduidelijking heeft, op geen moment tegenover de politie verduidelijkt dat zijn plan niet was gericht op de dood van het slachtoffer.

ix.

Op grond van al het vorenstaande stelt de rechtbank vast en acht zij bewezen dat de verdachte, thuis gekomen van school en bij het zien van de moker in de schuur van zijn woning, het plan heeft opvat om het slachtoffer daadwerkelijk van het leven te beroven en dat hij vervolgens met dat doel en met de moker in zijn rugtas samen met het slachtoffer naar de woning in Eindhoven is gegaan en dat hij aldaar ter uitvoering van het door hem opgevatte plan het slachtoffer meermalen met die moker op het hoofd heeft geslagen. De hiervoor onder iii weergegeven maatstaf hanterend, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aldus met voorbedachten rade het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte rade in deze zaak in de weg staan is – in weerwil van het betoog van de verdediging – niet gebleken.

x. Dat betekent dat de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen is en dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van de politie7, de kennisgeving van inbeslagneming8 en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 25 november 2013 het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 22 maart 2013 te Eindhoven, opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer] (geboren [1947]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat

opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een moker, meermalen, op/tegen het hoofd

van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op 28 mei 2013 te [geboorteplaats] een wapen van categorie III, te weten een gas/alarmpistool (merk Vektor, model CP1, kaliber 9mm P.A.K.), voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

Twintig maanden jeugddetentie met aftrek voorarrest, een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden: toezicht van de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling voor de Stoornis van Asperger.

Voorts gehele toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ) is niet mogelijk omdat er niet voldaan is aan het gevaarcriterium. Denkbaar is wel een jeugddetentie voor de tijd van achttien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk en daaraan verbonden de door de deskundigen voorgestelde bijzondere voorwaarden.

Subsidiair is de raadsman van oordeel dat als er toch een PIJ dient te worden opgelegd dat deze dan alleen voorwaardelijk dient te worden opgelegd met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat verdachte gelet op zijn leeftijd ten tijde van het plegen van het delict (17 jaar), wordt berecht binnen de kaders van het jeugdstrafrecht. De vraag of bij de strafbepaling het sanctierecht voor meerderjarigen moet worden toegepast is onderwerp van bespreking geweest. De rechtbank ziet echter, mede gelet op het hieronder weergegeven advies daarover van psycholoog R. Metze en psychiater F. van Broekhoven, noch in de persoonlijkheid van verdachte, noch in de ernst van het feit of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, grond om het sanctierecht voor meerderjarigen toe te passen. De gedragsdeskundigen kiezen uitdrukkelijk voor het jeugdstrafrecht. Dit heeft tot gevolg dat ook voor een zo’n ernstig feit als moord het strafmaximum van twee jaar jeugddetentie geldt en dat bij de strafoplegging meer dan bij volwassenen, rekening wordt gehouden met de gevolgen van de strafoplegging voor de ontwikkeling van de jeugdige.

De rechtbank heeft verder in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord.Teneinde te voorkomen dat het slachtoffer in de openbaarheid zou brengen dat hij met de verdachte seksuele omgang had, heeft de verdachte het plan opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven. Hij heeft vervolgens ook daadwerkelijk uitvoering aan dat plan gegeven door het slachtoffer meerdere malen met een moker op en tegen het hoofd te slaan. Aldus heeft de verdachte op brute wijze het slachtoffer van het leven beroofd. Verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor zijn eigen problemen en zich geen rekenschap gegeven van wat de dood van het slachtoffer voor anderen betekende.

Verdachte heeft het slachtoffer beroofd van het meest kostbare en wezenlijke bezit dat de mens heeft. Door het doden van het slachtoffer heeft de verdachte ook een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare. Hoe zwaar dit verlies de nabestaanden valt heeft de partner van het slachtoffer tijdens het onderzoek ter terechtzitting verwoord. Ook de eigenaar van de woning waar het slachtoffer door de verdachte om het leven is gebracht en die het slachtoffer badend in het bloed heeft aangetroffen, zal waarschijnlijk nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden.

Door de gewelddadig moord is de rechtsorde zeer ernstig geschokt. Een moord brengt in de directe omgeving van het slachtoffer en in de maatschappij meer in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

De rechtbank zal bij de strafoplegging in strafmatigende zin meewegen dat ook verdachte nog lang de gevolgen zal ondervinden van zijn handelen. Hij zal moeten leren leven met het besef dat hij een ander mens heeft gedood. De gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat verdachte als gevolg van alles wat er is gebeurd een posttraumatische stress-stoornis heeft. Verdachte heeft ter terechtzitting meermalen uitdrukkelijk zijn spijt betuigd en hoewel verdachte door de hieronder beschreven Stoornis van Asperger niet steeds in staat is om zich te uiten en zijn gevoelens adequaat te verwoorden, komt de rechtbank zijn berouw oprecht voor.

.

Ook houdt de rechtbank rekening met hetgeen omtrent de persoonlijkheid van de verdachte is beschreven in het rapport en het aanvullend rapport van de psychiater F. van Broekhoven en in het rapport en het aanvullend rapport van de psycholoog R. Metze, alsmede de door deze gedragsdeskundigen, de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting gegeven toelichting.

De hiervoor genoemde rapporten houden onder meer het volgende in:

Rapport psychiater:

“Bij onderzochte is er sprake van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De ziekelijke stoornis is te omschrijven als de Stoornis van Asperger en een posttraumatische stress-stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als een disharmonisch intelligentieniveau en een verwerkingssnelheid van zwakbegaafd niveau.

De Stoornis van Asperger, het disharmonische intelligentieniveau en de zeer trage verwerkingssnelheid waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De posttraumatische stress-stoornis is het gevolg van het ten laste gelegde en was dus niet aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

De Stoornis van Asperger beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene zat in zijn beleving gevangen in een onoplosbaar dilemma dat bestond uit toegeven aan het verzoek van het slachtoffer en zichzelf aldus verloochenen of de vernedering ondergaan van het bekend worden van de seksuele contacten.

Betrokkene werd bij de tenlastegelegde feiten ernstig beperkt in zijn gedragskeuzes en gedragingen.

Betrokkene was op de hoogte van het ontoelaatbare van het tenlastegelegde, maar was op grond van zijn rigiditeit en beperkte emotieherkenning, welke kenmerken zijn van de Stoornis van Asperger, onvoldoende in staat om zijn wil conform een dergelijk besef te bepalen. Er is dus sprake van een doorwerking van de stoornis van Asperger in het ten laste gelegde. Ondergetekende geeft de rechtbank in overweging om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ter preventie van het lage risico op recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene wordt behandeling van de Stoornis van Asperger geadviseerd.

Als juridisch kader wordt geadviseerd een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat onderzochte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering ook als dat inhoudt dat onderzochte zich onder behandeling stelt van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

Traumabehandeling middels een bewezen effectieve methode zoals EMDR kan in combinatie met de behandeling van de Stoornis van Asperger plaatsvinden in de forensisch-psychiatrische polikliniek de Catamaran in Eindhoven, onderdeel van GGzE.

Behandeling wordt noodzakelijk geacht. Deze kan ambulant plaatsvinden. De verwachting is dat betrokkene hieraan zal meewerken. Indien dit niet het gevat is of betrokkene de behandeling voortijdig wil afbreken garandeert een PIJ dat betrokkene alsnog wordt behandeld.”

Aanvullend rapport psychiater:

“Resultaat kan binnen twee jaar verwacht worden. Betrokkene heeft misschien de indruk gewekt berekenend en gevoelloos te werk te zijn gegaan bij de tenlastegelegde feiten en direct in de uren daarna en tijdens de verhoren waarbij hij vaak ontkende. Betrokkene is echter geen psychopaat, bij hem ontstaat mogelijk deze indruk door zijn rigide denkstijl, egocentrische denkstijl en gebrekkige emotiebeleving. Betrokkene kon niet loskomen uit een patroon van eerst ontkennen en daarna bekennen ondanks het feit dat hij zich realiseerde dat hij hiermee een slechte indruk maakte.. Daarnaast is uit de literatuur bekend dat van adolescenten die in de overgangsfase tussen kind en volwassene verkeren niet automatisch kan worden verwacht dat zij maatschappelijk aanvaardde morele emoties tonen zoals spijt en berouw wanneer zij in een strafrechtelijk proces verkeren. Verder is bekend dat “we juist bij de groep die zich op jonge leeftijd schuldig maakt aan ernstige ‘volwassen ‘feiten, veelal te maken hebben met een gebrekkig zelfstandig oordeelsvermogen”. In het geval van betrokkene speelt dit laatste ook al door zijn ontwikkelingsstoornis te we ten de Stoornis van Asperger, wat vaak ook een achterstand in ontwikkeling van oordeelsvermogen inhoudt.”

Rapport psycholoog:

“In de periode waarin het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden, was bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van de stoornis van Asperger en van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een zwakbegaafde verwerkingssnelheid.

Tengevolge van het tenlastegelegde heeft betrokkene een Posttraumatische stress-stoornis ontwikkeld.

Factoren voortkomend uit betrokkene’s ziekelijke stoornis (Stoornis van Asperger) en zijn gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (zwakbegaafde verwerkingssnelheid)zijn van invloed geweest op zijn handelswijze ten tijde van het ten laste gelegde. Zijn rigiditeit in denken ten gevolge van de Stoornis van Asperger heeft voorkomen dat er alternatieve oplossingen bedacht konden worden.

Betrokkene heeft op een gegeven moment de moker gezien en enkel het beeld van de moker nog in zijn hoofd gehad, wederom een uitingsvorm van zijn rigiditeit in denken, ten gevolge van de Stoornis van Asperger. Er wordt verondersteld dat betrokkene zich onvoldoende in het perspectief van het slachtoffer heeft kunnen verplaatsten, vanwege de Stoornis van Asperger. Betrokkene lijkt vervolgens door zijn negatieve emoties, boosheid en angst, die hij eerder onvoldoende ervaren heeft, overspoeld te zijn. Wat voor een waas heeft gezorgd waarbij betrokkene niet meer in staat tot helder nadenken en moreel redeneren; hij was niet in staat de reikwijdte van zijn gedragingen in te zien en daar passende verantwoording voor te dragen en tot andere gedragskeuzes te komen. De laagbegaafde verwerkingssnelheid van betrokkene heeft er ten tijde van het tenlaste gelegde wellicht voor gezorgd dat betrokkenes visueel-motorische coördinatie tekort schoot, waardoor hij niet stopte nadat hij het slachtoffer één klap met de moker had gegeven, maar meerdere keren geslagen heeft.

De genoemde gebrekkige ontwikkeling van betrokkenes geestvermogens waren in sterke mate van invloed op het moment van het ten laste gelegde.

Betrokkene is op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in sterk verminderde mate in staat zijn wil conform dat besefte bepalen.

De protectieve factoren beïnvloeden de risicofactoren op een gunstige manier.

Om de ontwikkeling van betrokkene op een positieve manier te beïnvloeden en de kans op recidive, voor zover het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, (nog verder) te minimaliseren, wordt gedacht aan behandeling van de Posttraumatische stress-stoornis (middels Eye Movement Desensitization and Reprocessing, EMDR) en behandeling ten aanzien van de Stoornis van Asperger in de vorm van het aanbieden van psycho-educatie, met expliciet aandacht aan het ervaren en aangeven van emoties en grenzen op seksueel gebied. Deze behandeling zou kunnen aangegaan worden bij een forensische jeugdpsychiatrische polikliniek zoals Catamaran, polikliniek voor forensische jeugdpsychiatrie, onderdeel van de GGzE.

Daarnaast wordt begeleiding vanuit de jeugdreclassering geadviseerd. Er wordt geadviseerd ambulante behandeling binnen een voorwaardelijk PIJ-kader aan te bieden.

Op basis van de Wegingslijst wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd: betrokkene disfunctioneert in het dagelijks leven niet dusdanig door zijn psychopathologie, maar het tenlastegelegde vloeit voort uit de psychopathologie, te weten de Stoornis van Asperger (en laagbegaafde verwerkingssnelheid). De ernst van het tenlastegelegde is hoog, het geweldsrecidive wordt echter als laag ingeschat. Er wordt dus niet meteen gedacht aan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Ontwikkelingsmogelijkheden van betrokkene zijn aanwezig, hij wordt als leerbaar in geschat en lijkt open te staan voor de benodigde interventies. Het is in het belang van de ontwikkeling van betrokkene dat hij zijn schooltraject kan behouden/vervolgen. Dit pleit tegen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Het sociale netwerk van betrokkene wordt als bovengemiddeld steunend verondersteld, wat ook pleit tegen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De behandelmogelijkheden van betrokkenes problematiek worden gezien in een ambulante setting. Ambulante behandeling biedt mogelijkheden tot vermindering van de posttraumatische stressklachten, vermindering van het probleemgedrag

in de mate dat het mogelijk is bij de Stoornis van Asperger en verdere vermindering van het delictrecidive. Binnen twee jaar zou dit voldoende resultaat kunnen opleveren. De noodzaak van een gedwongen kader valt te betwijfelen, betrokkene lijkt gemotiveerd. Echter gezien de ernst van het tenlastegelegde wordt behandeling als noodzakelijk gezien en is het geïndiceerd een stok achter de deur te hebben.

Er zijn geen argumenten die aanleiding geven tot het toepassen van het meerderjarigenstrafrecht, aangezien er aanwijzingen zijn voor een (lichte) achterstand in ego-ontwikkeling.”

Aanvullend rapport psycholoog:

“Er lijken naast de ernst van het tenlastegelegde geen argumenten te bestaan die aanleiding geven tot het toepassen van het meerderjarigenstrafrecht. Er zijn juist meerdere argumenten die toe passing van het jeugdstrafrecht ondersteunen: Bij betrokkene is sprake van een ontwikkelingsstoornis (stoornis van Asperger) en daarmee samenhangend een laagbegaafde verwerkingssnelheid. Hierdoor heeft betrokkene een gebrekkig zelfstandig oordeelsvermogen evenals een gebrekkig besef van wat men met een feit teweeg zou kunnen brengen. Het betreft een eerste geweldsdelict waar betrokkene van verdacht wordt. Het recidive risico is laag en wordt verwacht verder te verminderen als betrokkene behandeling aangaat. Behandeling dient idealiter in het kader van jeugdstrafrecht plaats te vinden, aangezien daar meer kennis en ervaring is op het gebied van ontwikkelingsstoornissen in de adolescentiefase en ouders automatisch betrokken worden hij de behandeling. Betrokkene en ouders tonen zich gemotiveerd ten aanzien van de behandeling en er wordt verwacht dat behandeling binnen twee jaar afgerond kan worden. Verder wordt verondersteld dat behandeling in een volwassen omgeving risico op verharding bij betrokkene met zich mee kan brengen.”

De rechtbank neemt de aanbevelingen, de conclusies en de gronden waarop die berusten

en zoals die in hiervoor genoemde rapporten zijn opgenomen over en maakt die tot de hare. Dat betekent onder meer dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte het bewezenverklaarde feit in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat, ook al is dit niet in het belang van een meest gunstige ontwikkeling van verdachte, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een jeugddetentie. Gelet op de ernst van het feit, verdachte heeft zich met het plegen van de moord schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, zal de rechtbank verdachte een jeugddetentie opleggen van geruime duur en wel voor de duur van twintig maanden.

De rechtbank stelt vast dat alle deskundigen de oplegging van een PIJ-maatregel adviseren.

De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een PIJ=maatregel is voldaan.

- Het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

- Gelet op de hiervoor genoemde rapportages van de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist.

- Voorts is de rechtbank van oordeel dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

Verder stelt de rechtbank vast dat de PIJ-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

De rechtbank zal bepalen dat die PIJ-maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. Voor de motivering voor de keuze voor de voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt verwezen naar het hetgeen de psycholoog daarover in het hiervoor weergegeven advies heeft overwogen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Het standpunt van de officier van justitie.

Gehele toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s,77x, 77y, 77z, 77aa, 289

Wet wapens en munitie art. 26 en 55.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

Moord

T.a.v. feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

Jeugddetentie voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1 primair:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar].

Bepaalt dat deze maatregel, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van

de GGzE te Eindhoven of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor de Stoornis van Asperger.

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen hem in het kader van jeugdreclassering te geven door of namens het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant te Eindhoven.

Verleent opdracht aan voornoemd Bureau om aan de veroordeelde terzake van de

naleving van deze bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen.

T.a.v. feit 1 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 6159,18 subsidiair 65 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] van een bedrag van EUR 6.159, 18 (zegge:

zesduizend eenhonderdnegenenvijftig EURO en achttien eurocent ), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat

uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , van een bedrag van EUR 6.159,18 (zegge: zesduizend eenhonderdnegenenvijftig EURO en achttien eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter en kinderrechter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. F. Schneider, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 9 december 2013.

Mr. Schneider is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Zeeland- West Brabant en Brabant Zuid-Oost, genummerd PL 1308121730.0394 AMB.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 793 van het dossier.

3 Het rapport van het NFI d.d. 19 april 2013, opgemaakt door de deskundige P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, opgenomen als bijlage bij voornoemd dossier.

4 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 november 2013.

5 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 99-100, p. 114-117.

6 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, p. 157-159 van het dossier.

7 Proces-verbaal van politie, p. 866-867 van het dossier.

8 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 1510 van het dossier.