Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6730

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
SHE 13/3313
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3622, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag die partijen verdeeld houdt, of er causaal verband is aangetoond tussen de door eiseres gestelde (inkomens)schade en de planologische maatregel, beantwoordt de rechtbank ontkennend.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenrapport, dat het eindadvies van de door verweerder ingeschakelde deskundige: het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur, niet juist zou zijn of op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat het onvoldoende zou zijn gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3313

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2013 in de zaak tussen

VLN Handelsonderneming B.V. te Nuland,

eiseres,

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen),

en

de raad van de gemeente Maasdonk,

verweerder,

(gemachtigde: P.H.F.M. van Dongen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 (het primaire besluit), verzonden 2 april 2012, heeft verweerder het verzoek van eiseres van 16 december 2002 om planschadevergoeding in de vorm van inkomensschade afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2013, verzonden op 23 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Van de zijde van verweerder is geen verweerschrift ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door de heer [persoon A], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.

Bij brief van 16 december 2002 heeft eiseres bij verweerder een verzoek ingediend, gericht op het verkrijgen van een planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het verzoek heeft betrekking op de inwerkingtreding (op 20 januari 1998) van het op 11 maart 1997 door verweerder vastgestelde en door gedeputeerde staten (GS) bij besluit van 17 oktober 1997 gedeeltelijk goedgekeurde bestemmingsplan “A59 Maasdonk”, op grond waarvan de aanleg van de autosnelweg A59 met ondoorzichtige geluidsschermen over een totale lengte van 1500 meter ten zuiden van de Rijksweg (voorheen N50) mogelijk is geworden.

3.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om planschadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO afgewezen, onder verwijzing naar het door zijn deskundige, de Stichting advisering onroerende zaken (SAOZ) ter zake uitgebrachte advies van februari 2006. Tegen dit afwijzende besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, waarbij zij verweerder tevens heeft verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft hiermee ingestemd.

4.

Bij uitspraak van 9 september 2008 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank
’s-Hertogenbosch het ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van verweerder van 28 november 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.

Verweerder heeft hierop hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS). Bij uitspraak van 8 juli 2009 heeft de ABRS dit hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop die uitspraak rustte, bevestigd.

6.

Naar aanleiding van deze uitspraak van de ABRS heeft het college aan verweerder en de andere betrokken partijen voorgesteld om -in afwijking van de gemeentelijke 'Procedureverordening planschadevergoeding 1994', waarin de SAOZ als vaste planadviseur is aangewezen- een nieuw advies te vragen aan het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (KOB). Het advies van het KOB van 29 november 2011 strekt ertoe dat verweerder het verzoek om vergoeding van planschade (c.q. inkomensschade) van eiseres afwijst, aangezien er geen sprake is van een aantoonbaar negatieve invloed van de litigieuze planologische ontwikkeling op de bedrijfsexploitatie van eiseres.

Bij het primaire besluit van 27 maart 2012 heeft verweerder overeenkomstig het advies van het KOB het verzoek om vergoeding van planschade (c.q. inkomensschade) van eiseres afgewezen.

7.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 26 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van planschade in de vorm van inkomensschade, gehandhaafd.

8.

De rechtbank stelt vast dat het beroep uitsluitend ziet op het verzoek om vergoeding van planschade in de vorm van inkomensschade, waarbij het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Niet (langer) in geschil is dat geen sprake is van voorzienbaarheid van de planologische ontwikkeling, noch dat de vestigingslocatie van eiseres in planologische zin aan zichtbaarheid heeft ingeboet. Vast staat dat sprake is van een planologische verslechtering.

Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of causaal verband bestaat tussen de door eiseres gestelde (inkomens)schade en de planologische maatregel.

9.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op grond van de jurisprudentie in geval van inkomensschade gekeken dient te worden naar de boekcijfers van tenminste drie jaren vóór en drie jaren volgend op de daadwerkelijke verwezenlijking van de gestelde schadeveroorzakende ontwikkeling. Aangezien in 2005 de feitelijke wegombouw heeft plaatsgevonden, heeft het KOB een vergelijking gemaakt van de jaarcijfers over 2002 tot en met 2004 en 2006 tot en met 2008. Het KOB heeft daarbij (de) twee bedrijfsactiviteiten van eiseres op zichzelf bekeken en beoordeeld.

Wat betreft de handel in bedrijfsauto’s wordt op basis van de overgelegde jaarcijfers geconcludeerd dat de omzet in de jaren na de wegombouw exponentieel is gegroeid. Eiseres heeft hierover opgemerkt dat het KOB er daarbij geen rekening mee heeft gehouden dat het bij bedrijfsauto's om dure voertuigen gaat die voor een belangrijk deel via internet worden verkocht en waarbij de winstmarges klein zijn. Eiseres vermeldt echter niet wat de omzetstijging betekent voor de winst en onderbouwt evenmin waarom het KOB niet of niet zonder meer had mogen uitgaan van de cijfers in de winst- en verliesrekening. Hetgeen eiseres stelt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het KOB op basis van de overgelegde jaarcijfers tot een verkeerde conclusie is gekomen. Uitgegaan wordt dus van een exponentiële groei van de omzet ter zake van de handel in bedrijfsauto's.

10.

Wat betreft de handel in (auto)onderdelen is door het KOB, anders dan eiseres stelt, geconcludeerd dat objectief beschouwd de wegombouw niet heeft geleid tot een wezenlijke verslechtering van het bedrijfsresultaat. Ook acht het KOB onvoldoende aangetoond dat de verkoop van dit bedrijfsonderdeel uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk was. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen dat deze bedrijfsactiviteit voor de verkoop in grote mate afhankelijk is van passerende vrachtwagenchauffeurs. Naar zijn aard is een groothandel in bedrijfswagenonderdelen immers niet gericht op spontane aankopen door passanten. Aannemelijker is dat dergelijke veelal grote en relatief dure onderdelen door professionele ondernemers via internet of telefoon worden besteld en daarna opgehaald.

11.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenrapport, dat het eindadvies van het KOB niet juist zou zijn of op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat het onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Onder meer de overgelegde facturen van goederen die in de afbouwfase van deze bedrijfsactiviteit versneld en (dus) met kortingen zouden zijn verkocht, bieden daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen steun. De rechtbank vermag ook niet in te zien waarom de verkoop van camera’s voor vrachtwagens, die in 2007 in de Europese Unie verplicht zijn gesteld, niet tot het gewone bedrijfsresultaat zouden moeten worden gerekend.

Naar vaste jurisprudentie van de ABRS, bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6224, mag een bestuursorgaan afgaan op het advies van de daartoe benoemde deskundige als dit advies objectief en onpartijdig is en daaruit blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies daarvan ten grondslag zijn gelegd, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. Verweerder mocht zich bij zijn besluitvorming dan ook baseren op de, door het KOB, uitgebrachte adviezen.

12.

Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt eveneens niet. In het bestreden besluit is reeds ingegaan op de stelling dat het bedrijf van eiseres vergelijkbaar zou zijn met het naastgelegen bedrijf (autobedrijf Nuland), dat immers ook in de automotive actief is. Bij dat bedrijf gaat het om detailhandel, waarvan aannemelijk is dat het bedrijf (meer) afhankelijk is van passanten.

13.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep niet slaagt, zodat het ongegrond moet worden verklaard.

14.

Er bestaat geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, noch om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk als voorzitter en mr. A.H.N. Kruijer en

mr. H.M.J.G. Neelis als leden, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.