Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6700

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
253887 / HA ZA 12-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagde 1 is bestuurder van Best Business School B.V. (BBS). BBS is failliet verklaard. De curator verwijt gedaagde 1 onbehoorlijk bestuur, zowel op grond van artikel 2:10 / 2:394 BW als inhoudelijk, en stelt hem aansprakelijk voor het faillissementstekort. Gedaagde 2 is als feitelijk beleidsbepaler eveneens aansprakelijk voor het tekort, aldus de curator.

De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden van gedaagde 2 geen grond bieden voor de conclusie dat er sprake is van een feitelijk beleidsbepaler als bedoeld in artikel 2:248 lid 7 BW.

Met betrekking tot gedaagde 1 is de rechtbank van oordeel dat nu niet aan de publicatieplicht van artikel 2:394 BW is voldaan, sprake is van onbehoorlijk bestuur, wat vermoed wordt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Gedaagde 1 stelt externe oorzaak van het faillissement: negatieve berichtgeving in de media – TROS Radar – omtrent The Stewardess Academy heeft ertoe geleid dat zich geen nieuwe studenten meer meldden en bestaande studenten hun collegegeld niet meer betaalden of dat terugvorderden. Volgens de curator is geen sprake van een externe oorzaak, nu de berichtgeving in de media het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling door gedaagde 1. Er was sprake van onder meer onjuiste voorlichting door BBS met betrekking tot de opleidingen van The Stewardess Academy, nu studenten niet werd verteld dat de opleiding die zij volgden niet door het Ministerie van Onderwijs werd erkend, aldus de curator. De rechtbank ziet aanwijzingen voor het gelijk van de curator en is van oordeel dat een gebrek aan voorlichting in de omstandigheden van het geval onbehoorlijk bestuur oplevert. Gedaagde 1 wordt in de gelegenheid gesteld om in het kader van het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden van onbehoorlijk bestuur als belangrijke oorzaak van het faillissement, te bewijzen dat de studenten mondeling omtrent het niet erkend zijn van de opleiding werden geïnformeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/253887 / HA ZA 12-890

Vonnis van 27 november 2013

in de zaak van

mr. CAROLA ANTONIA MARIA DE BRUIJN in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEST BUSINESS SCHOOL B.V.,

wonende te Boxtel,

eiseres,

advocaat mr. H.J. School te Boxtel,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. L.G.M. Delahaije te Breda.

Eiseres zal hierna De Bruijn q.q. genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 februari 2013,

  • -

    de akte met producties van [gedaagden],

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2013, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Best Business School B.V. (BBS) exploiteerde een particuliere school voor beroepsopleidingen.

2.2.

[gedaagde 1] is bestuurder van BBS. Enig aandeelhouder van BBS is Simply the Best B.V., waarvan [gedaagde 1] bestuurder/enig aandeelhouder is.

2.3.

Onder de naam “The Stewardess Academy” verzorgde BBS al meer dan tien jaar de opleiding SRH: Stewardess, Receptioniste, Hostess. SRH was een niet door de overheid erkende opleiding.

2.4.

Naast de opleiding SRH werd vanaf medio 2007/2008 de opleiding Luchtvaartdienstverlener (hierna: LDV), gegeven. De opleiding LDV is wel een door de overheid erkende opleiding.

2.5.

Op 16 februari 2009 is in een uitzending van het tv-programma “Tros Radar” aandacht besteed aan de door The Stewardess Academy verzorgde opleidingen. In de uitzending kwamen leerlingen aan het woord die – kort gezegd – klaagden over onder meer het niveau en de kwaliteit van het geboden onderwijs, het ontbreken van erkenning door de overheid van de door hen gevolgde opleiding en onjuiste voorlichting over de toekomstperspectieven na het met succes afsluiten van de opleiding.

2.6.

BBS is bij vonnis van 16 november 2010 failliet verklaard.

3 Het geschil

3.1.

De Bruijn q.q. vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk is voor het totale tekort in het faillissement van BBS en [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 800.000,00 op het na afwikkeling van het faillissement bekend te worden verschuldigde bedrag. Een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van het gelegde beslag en de nakosten.

3.2.

De Bruijn q.q. legt aan het gevorderde jegens [gedaagde 1] primair bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW, subsidiair onbehoorlijke taakvervulling ex artikel 2:9 BW en meer subsidiair onrechtmatig handelen jegens BBS ten grondslag. Aan het gevorderde jegens [gedaagde 2] legt zij bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW lid 1 jo. lid 7 ten grondslag.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het onderhavige geschil draait om de afwikkeling van het faillissement van BBS. De Bruijn q.q. acht [gedaagden] aansprakelijk voor het faillissementstekort.

Bestuurdersaansprakelijkheid [gedaagde 2]

4.2.

Voor wat betreft de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] beroept De Bruijn q.q. zich uitsluitend op artikel 2:248 lid 1 jo. lid 7 BW. Artikel 2:248 lid 1 BW bepaalt dat in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In artikel 2:248 lid 7 BW is bepaald dat met een bestuurder wordt gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder.

4.3.

[gedaagde 2] is geen statutair bestuurder van BBS. De Bruijn q.q. stelt evenwel dat [gedaagde 2] (mede) beleidsbepaler is van BBS, zodat het bepaalde in artikel 2:248 lid 1 BW langs de weg van artikel 2:248 lid 7 BW op haar van toepassing is. Ter onderbouwing van de stelling dat [gedaagde 2] (mede) beleidsbepaler was in de hiervoor bedoelde zin, voert De Bruijn q.q. het volgende aan. [gedaagde 2] voerde het financiële beleid van BBS, verrichtte betalingen, verzorgde de externe communicatie en had de (mede)verantwoordelijkheid over de studenten en de opleidingen. Het besturen van BBS was een evenwichtige coproductie tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1], volgens De Bruijn q.q. Tijdens de intake van het faillissement was [gedaagde 2] de woordvoerder, alle beslissingen werden in overleg genomen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehuwd en wonen in dezelfde woning, aldus De Bruijn q.q. Ter comparitie is nog er op gewezen dat als [gedaagde 2] (ook) onderwijsovereenkomsten met studenten ondertekende, dat een aanwijzing is voor feitelijk bestuurderschap.

4.4.

[gedaagde 2] betwist uitdrukkelijk dat zij (mede) beleidsbepaler van BBS was. Om als (mede) beleidsbepaler te kwalificeren had [gedaagde 2] óf de scepter hebben moeten zwaaien over [gedaagde 1], óf had zij [gedaagde 1] gepasseerd moeten hebben bij het nemen van beleidsbeslissingen. Geen van beide is het geval. [gedaagde 1] was de bestuurder, hij stuurde [gedaagde 2] aan. [gedaagde 2] is in dienst van Best Job B.V. als managementassistente en studieadviseuse en was uitgeleend aan BBS, aldus [gedaagde 2].

4.5.

De rechtbank zal met betrekking tot [gedaagde 2], alvorens toe te komen aan de aansprakelijkheidsvraag, allereerst dienen te beoordelen of zij gelet op haar feitelijke taken en bevoegdheden als (mede-) beleidsbepaler van BBS kan worden aangemerkt.

4.6.

De rechtbank overweegt dat voor zover de door De Bruijn q.q. opgesomde werkzaamheden van [gedaagde 2] als bestuurstaken zouden kunnen worden beschouwd – wat door [gedaagde 2] wordt betwist – dat niet genoeg is om [gedaagde 2] als (mede) beleidsbepaler in de zin van artikel 2:248 lid 7 BW aan te merken. Daarvan is alleen sprake als [gedaagde 2] door haar beleidsbepalende handelingen het formele bestuur feitelijk terzijde stelde en dus als het ware op de plaats van dat bestuur ging zitten, of dat door het formele bestuur wordt gedoogd dat de feitelijke bestuurder (mede) het beleid bepaalt. Er dient sprake te zijn van een zodanige machtspositie dat [gedaagde 2] het beleid (mede) kon bepalen en dat haar handelingen moeten worden geacht te zijn gedaan in het kader van het door haar zelf bepaalde beleid in plaats van conform instructies van het formele bestuur of onder de paraplu van het formele bestuur. Uit de stellingen van De Bruijn q.q. volgt echter niet meer dan dat [gedaagde 2] mogelijk bestuurstaken verrichtte. Dat daarbij sprake was van een machtspositie van [gedaagde 2] in de hiervoor bedoelde zin is niet gesteld. De Bruijn q.q. heeft op dit punt niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Voor bewijslevering is daarom geen plaats.

4.7.

Nu [gedaagde 2] niet kan worden aangemerkt als (mede) beleidsbepaler in de zin van artikel 2:248 lid 7 BW, is de grondslag komen te ontvallen aan de jegens haar ingestelde vordering. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Bestuurdersaansprakelijkheid [gedaagde 1]

4.8.

De Bruijn q.q. legt aan het gevorderde jegens [gedaagde 1] primair bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 lid 1 BW ten grondslag. Zij stelt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde 1] als bestuurder van BBS. Volgens De Bruijn q.q. was de administratie van BBS niet op orde (artikel 2:10 BW). Uit de boekhouding kon niet op enig moment snel inzicht worden verkregen in de debiteuren- en crediteurenpositie van de vennootschap en daarmee samenhangend de vermogenspositie van de vennootschap. De administratie van verschillende vennootschappen was in één ruimte opgeslagen en het kostte veel moeite inzichtelijk te maken welke administratie van welke vennootschap was. Voorts zijn er grote verschillen tussen de in de jaarstukken opgenomen posten en de onderliggende grootboekkaarten. Daarnaast is de publicatieverplichting van artikel 2:394 BW geschonden, doordat de jaarrekeningen over 2006-2008 te laat zijn gedeponeerd. De jaarrekening over 2008 is gedeponeerd op 4 juni 2010, die over 2007 is gedeponeerd op 14 juli 2009. De jaarrekening over 2006 is opgemaakt op 12 maart 2008, maar pas gedeponeerd op 1 juli 2010.

4.9.

In artikel 2:248 lid 2 BW is neergelegd dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 of 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de jaarrekening over 2008 te laat is gepubliceerd. [gedaagde 1] wijt dit aan een geschil met de accountant, maar wat daar ook van zij, dat ontslaat [gedaagde 1] niet van zijn verantwoordelijkheid op dit punt. Met betrekking tot de jaarrekeningen over 2006 en 2007 stelt [gedaagde 1] dat die wel tijdig zijn gedeponeerd. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde 1] naar twee aangetekende brieven aan de Kamer van Koophandel waarin opheldering wordt gevraagd over de onjuist geregistreerde data van deponering (prod. 31 CvA). De rechtbank constateert dat de overgelegde brieven alleen de jaarrekening over 2006 betreffen. Als op grond van die brieven al aangenomen kan worden dat de jaarrekening over 2006 tijdig is gedeponeerd, dan blijft nog steeds overeind staan dat die van 2007 niet tijdig is gedeponeerd. De conclusie is dan ook dat nu de jaarstukken over 2007 en 2008 niet tijdig zijn gedeponeerd, niet aan de verplichting uit artikel 2:394 BW is voldaan. Daarmee staat vast dat het bestuur (lees: [gedaagde 1]) zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Het verwijt ter zake de boekhoudplicht behoeft gelet op het vorenstaande verder geen bespreking, omdat de hiervoor vastgestelde onbehoorlijke taakvervulling reeds het wettelijk vermoeden oplevert dat deze een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

4.11.

Het bestuur kan het vermoeden dat het onbehoorlijk bestuur – wat vaststaat – een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest trachten te weerleggen. Het is aan de bestuurder om aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. [gedaagde 1] voert daartoe het volgende aan.

4.12.

Volgens [gedaagde 1] is BBS ten onder gegaan aan de mediahetze die in gang is gezet door een vijftal ontevreden cursisten. In plaats van het gesprek met BBS aan te gaan, hebben de cursisten ervoor gekozen om de media in te schakelen. In de media – met name de uitzending van Tros Radar op 16 februari 2009 – werd het beeld geschetst van een veel te dure opleiding waar men niets aan had. Als gevolg van de negatieve publiciteit kwamen reeds ingeschreven studenten geen onderwijs meer volgen en betaalden geen collgegegeld meer. De instroom van nieuwe studenten stagneerde volledig. Vanaf oktober 2009 zijn geen nieuwe studenten meer ingeschreven. Bestaande studenten voerden procedures tegen BBS naar aanleiding van wat in de media werd gemeld over de opleiding tot stewardess. BBS was voor haar inkomsten volledig afhankelijk van de collegegelden, zodat het vorenstaande, gecombineerd met de niet rooskleurige economische situatie, resulteerde in een liquiditeitstekort en het faillissement van BBS.

4.13.

De Bruijn q.q. weerspreekt niet dat BBS voor haar inkomsten volledig afhankelijk was van collegegelden. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de instroom van studenten in oktober 2009 tot nul was gereduceerd. De vraag is of de terugval in studenten is aan te merken als een externe oorzaak van het faillissement die te wijten is aan iets anders dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.

4.14.

[gedaagde 1] beantwoordt die vraag bevestigend, omdat de terugval in studenten volgens hem is veroorzaakt door onterechte negatieve media-aandacht. Dat de aandacht in de media een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de terugval van studenten staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Gesteld noch gebleken is dat al sprake was van een afname van het aantal studenten voor de uitzending van Tros Radar. De Bruijn q.q. stelt dat geen sprake is van een externe oorzaak in de hier bedoelde zin: het wegvallen van de inkomstenbron naar aanleiding van de aandacht in de media is volgens haar te wijten aan de wijze waarop [gedaagde 1] zijn bestuurstaak heeft vervuld. Volgens De Bruijn q.q. was er sprake van misleidende voorlichting aan nieuwe studenten en waren de opleidingen niet goed ingericht en van gebrekkige kwaliteit. De aandacht in de media had voorkomen kunnen worden als [gedaagde 1] zijn taak als bestuurder op behoorlijke wijze had vervuld, aldus De Bruijn q.q.

4.15.

De Bruijn q.q. heeft ter onderbouwing van haar stellingen – misleidende voorlichting, opleidingen niet goed ingericht en van gebrekkige kwaliteit – onder meer drie rapporten van de onderwijsinspectie in het geding gebracht (prod. 5 dagv.). De rapporten dateren van 21 oktober 2009, 9 maart 2010 en 6 september 2010 en zien zowel op de opleiding SRH als LDV. Van deze rapporten acht de rechtbank alleen het rapport van 21 oktober 2009 van belang voor de beoordeling van het onderhavige geschil. Vast staat immers dat na oktober 2009 geen nieuwe studenten meer zijn ingeschreven bij BBS. Hoe de situatie na oktober 2009 was, is daarom niet relevant. Het rapport van 21 oktober 2009 ziet evenwel op onderzoek dat is verricht in de periode vóór oktober 2009, naar aanleiding van de aandacht in de media eerder dat jaar.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van 21 oktober 2009 niet volgt dat de kwaliteit en inrichting van de opleidingen LDV en SRH als geheel onvoldoende was. Weliswaar wordt op een aantal punten een onvoldoende gescoord, maar daar staan evenzoveel (zo niet meer) relevante punten tegenover waarop wel een voldoende wordt gescoord. Dat betekent echter niet dat het rapport in het geheel geen steun biedt voor de stellingen van De Bruijn q.q. Een belangrijk geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of studenten voldoende duidelijk werden voorgelicht over het feit dat de opleiding SRH niet erkend was door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De onderwijsinspectie schrijft op pagina 16 van het rapport aangaande de informatievoorziening van de opleiding SRH het volgende:

De inspectie beoordeelt de informatievoorziening als geheel als onvoldoende. Dit is voornamelijk gebaseerd op de voorlichting in de laatste tijd dat de cursus nog actief werd aangeboden. In die periode werd naast informatie over de cursus SRH ook gestart met de opleiding Luchtvaartdienstverlener. De crebo-erkende opleidingen Receptionist (crebo 10398), Medewerker Reizen & Toeristische Informatie (crebo 10397) en Gastheer/Gastvrouw (crebo 10399) zijn namelijk modules van de erkende opleiding Luchtvaartdienstverlener. Daardoor is er grote verwarring ontstaan omdat deelnemers van de opleiding SRH ervan uitgingen dat zij deelnamen aan die erkende onderdelen. De instelling heeft wel gaandeweg de informatievoorziening verbeterd, maar de basis, in de vorm van informatie over de opleiding Luchtvaartdienstverlener bevatte verwarrende elementen, tegenstrijdigheden en onjuistheden. De verwarring werd versterkt doordat deelnemers van SRH en Luchtvaartdienstverlener op dezelfde dag les hebben gehad.

Het vorenstaande citaat uit het rapport van de onderwijsinspectie biedt steun aan de stelling van De Bruijn q.q. dat de informatievoorziening aangaande het niet erkend zijn van de opleiding SRH niet op orde was.

4.17.

De Bruijn q.q. heeft voorts een groot aantal rechterlijke uitspraken overgelegd (prod. 5 dagv.), waaruit blijkt dat een aantal onderwijsovereenkomsten tussen BBS en studenten is vernietigd op grond van dwaling. In vrijwel al die procedures was (mede) aan de orde dat de student een onjuiste voorstelling van zaken had ter zake het al dan niet erkend zijn van de opleiding SRH. De oorzaak van die onjuiste voorstelling van zaken was in alle gevallen gelegen in de door BBS verstrekte informatie, of juist het gebrek daaraan. Hoewel de betreffende vonnissen geen gezag van gewijsde toekomt voor wat betreft de onderhavige procedure, vormen zij wel een indicatie omtrent de juistheid van de berichtgeving in de media op dit punt.

4.18.

Bij betwisting door de curator van de externe oorzaak van het faillissement is het aan de bestuurder om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit blijkt dat van onbehoorlijke taakvervulling ter zake de gestelde externe oorzaak van het faillissement geen sprake is. Ter comparitie heeft [gedaagde 2], die vanwege gezondheidsproblemen van [gedaagde 1] namens hem het woord voerde, verklaard dat in de informatie die de studenten kregen niet was vermeld dat de opleiding die werd aangeboden voor € 4.200,00 (SRH) niet erkend was. De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt gedoeld op de studiegids van The Stewardess Academy (prod. 12 dagv.) nu (niet voldoende gemotiveerd) is gesteld noch gebleken dat studenten nog andere informatie ontvingen. Voorts is niet gebleken dat de betreffende studiegids enkel betrekking had op de opleiding LDV en niet op de opleiding SRH. Niettemin stelt [gedaagde 1] dat de voorlichting aan de studenten wel duidelijk was.

4.19.

In de opleidingsovereenkomsten wordt volgens [gedaagde 1] een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de erkende opleiding LDV en het schooldiploma SRH. Dit volgt de rechtbank niet. [gedaagde 1] doelt op de door hem als onderdeel van prodcutie 28 bij antwoord overgelegde onderwijsovereenkomst. De raadsman van [gedaagde 1] heeft ter comparitie betoogd dat daarop twee keuzes staan: SRH en LDV. Volgens de raadsman staat bij SRH duidelijk dat het geen erkende opleiding betreft. Dat staat er echter niet met zoveel woorden. Wat er wel staat is dat het diploma LDV erkend is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij SRH staat niets vermeld omtrent erkenning. Dit zou kunnen worden gezien als een impliciete mededeling dat de opleiding SRH niet erkend is, maar de rechtbank is van oordeel dat dit, gelet op de overige inhoud van het formulier bezien in samenhang met de studiegids onvoldoende duidelijk is. In de opleidingsovereenkomst wordt uitsluitend bij de optie SRH gesproken over Steward(ess) en Grondsteward(ess), terwijl deze termen in de studiegids van The Stewardess Academy (prod. 12 dagv.) op pagina 6 en 38 uitdrukkelijk zijn gekoppeld aan de opleiding Luchtvaartdienstverlener.

4.20.

[gedaagde 1] wijst er voorts op dat op de intake vragenlijst is aangegeven dat SRH een schooldiploma betreft en LDV een erkende opleiding is. Op het betreffende formulier (onderdeel van productie 28 bij antwoord) staat onder het kopje “erkenning” het volgende:

Slagen voor de opleiding SRH deel 1 geeft recht op het schooldiploma

Stewardess / Grondstewardess.

De opleiding SRH deel 1 + deel 2 (o.a. de talen) geeft recht op het erkende MBO-diploma Luchtvaartdienstverlener niveau 4 met Crebonummer 10654.

De rechtbank is van oordeel dat hierdoor niet de gewenste duidelijkheid wordt verschaft. De tekst is opgenomen onder het kopje “erkenning”. Voorts wordt gesproken over een “schooldiploma” bij SRH. Niet valt in te zien hoe een student hieruit had moeten afleiden dat het diploma niet erkend zou zijn, zeker niet nu wordt gesproken over het schooldiploma in combinatie met de termen stewardess / grondstewardess. Zoals hiervoor reeds is aangegeven worden deze termen immers in de studiegids van The Stewardess Academy (prod. 12 dagv.) op pagina 6 en 38 uitdrukkelijk gekoppeld aan de term “luchtvaartdienstverlener.”

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat de bestuurder van een onderwijsinstelling dient zorg te dragen voor heldere, eenduidige informatieverstrekking aan studenten omtrent de al dan niet erkenning door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de opleiding die zij wensen te volgen. Is dat niet het geval dan loopt de onderwijsinstelling het risico dat reeds betaalde lesgelden moeten worden terugbetaald wanneer studenten zich met succes op vernietiging van de onderwijsovereenkomst wegens onjuiste voorlichting kunnen beroepen. Tevens bestaat dan het risico dat zich geen (of minder) nieuwe studenten zullen aanmelden omdat berichtgeving in de media omtrent een kwestie als hier aan de orde zich snel kan verspreiden en een kettingreactie op gang kan brengen die niet of slechts met veel moeite tot stilstand kan worden gebracht. Beide hiervoor bedoelde gevaren hebben zich in het onderhavige geval gemanifesteerd. Aangezien BBS voor wat betreft haar inkomsten volledig afhankelijk was van lesgelden en verder blijkbaar niet over enig actief beschikte, moet het voor iedere weldenkende bestuurder duidelijk zijn dat het risico op een faillissement onder vorenstaande omstandigheden allesbehalve denkbeeldig is. De hiervoor geschetste omstandigheden rechtvaardigen dan ook de conclusie dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling doordat de informatieverstrekking niet op orde was, tenzij [gedaagde 1] alsnog het tegendeel aannemelijk weet te maken.

4.22.

In dat verband heeft [gedaagde 2] ter comparitie verklaard dat aan de studenten duidelijk werd uitgelegd dat de voor € 4.200,00 aangeboden opleiding een niet-erkende opleiding was. De Bruijn q.q. heeft ter comparitie haar stelling gehandhaafd dat [gedaagde 1] heeft verzwegen dat de opleiding SRH niet erkend is. De rechtbank ziet aanleiding om [gedaagde 1], in het kader van het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak was van het faillissement, toe te laten te bewijzen dat de studenten er bij de intakegesprekken op werden gewezen dat de opleiding SRH niet door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap was erkend.

4.23.

Wanneer [gedaagde 1] er niet in slaagt het hiervoor bedoelde tegenbewijs te leveren staat vast dat de studenten onvoldoende zijn geïnformeerd. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank met De Bruijn q.q. van oordeel dat dan sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde 1]. De subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van de vordering behoeven dan verder geen bespreking meer.

4.24.

Wanneer [gedaagde 1] erin slaagt het hiervoor bedoelde tegenbewijs te leveren, is het bewijsvermoeden als hiervoor in r.o. 4.10-4.11 bedoeld ontzenuwd. Als vast komt te staan dat BBS de studenten tijdens de intakegesprekken op de hoogte heeft gesteld van het niet-erkende karakter van de opleiding SRH, dan is de berichtgeving in de media die van het tegendeel uitgaat onjuist geweest. Van de terugval in studenten valt [gedaagde 1] dan geen verwijt te maken. De primaire grondslag van de vordering faalt dan.

4.25.

Met betrekking tot de subsidiaire grondslag, aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat BBS failliet is gegaan door de terugval in studenten. Zoals de rechtbank hiervoor in 4.14 al heeft overwogen, is de terugval in studenten het gevolg van de aandacht in de media. In het hiervoor in 4.24 geschetste geval treft [gedaagde 1] daarvan geen verwijt. Dat de opleidingen van BBS verder niet aan de eisen voldeden, zoals De Bruijn q.q. stelt, is verder niet van belang, nu niet is gebleken dat dat tot schade voor BBS heeft geleid. Hetzelfde geldt voor de meer subsidiaire grondslag van de vordering, aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.

4.26.

Voor het geval dat in de onderhavige procedure uiteindelijk zal worden vastgesteld dat [gedaagde 1] op grond van onbehoorlijke taakvervulling aansprakelijk is voor het faillissementstekort van BBS, overweegt de rechtbank met betrekking tot het gevorderde voorschot thans reeds als volgt. De Bruijn q.q. vordert een voorschot van € 800.000,00 op het nog nader vast te stellen faillissementstekort. Volgens de curator is aan voorlopig erkende concurrente crediteuren een bedrag aangemeld van € 204.670,12. De boedelkosten bedragen tot de datum van de comparitie circa € 50.000,00, aldus De Bruijn q.q. Voorts is er een vordering van € 587.451,00 van Simply the Best op BBS. Dit betreft een andere vennootschap van [gedaagde 1]. De rechtbank overweegt dat zij deze laatste vordering buiten beschouwing zal laten bij de bepaling van een eventueel toe te kennen voorschot. Deze vordering is namelijk door De Bruijn q.q. op de lijst van voorlopig betwiste concurrente vorderingen geplaatst en een verzoek van De Bruijn q.q. bij brief van 28 januari 2011 om nadere onderbouwing van de vordering van Simply the Best is blijkbaar zonder gevolg gebleven. Voorts is nog sprake van een verschil van mening tussen De Bruijn q.q. en deurwaarderskantoor Van Lith over de door Van Lith geïncasseerde gelden op openstaande debiteuren van BBS en de daarmee gepaard gaande kosten. Niet valt uit te sluiten dat daaruit nog enig actief naar de boedel zal vloeien. De rechtbank zal in een later stadium van de procedure nog bepalen of zij verdere informatieverstrekking door partijen nodig acht.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [gedaagde 1], in het kader van het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak was van het faillissement, toe te bewijzen dat de studenten er bij de intakegesprekken op werden gewezen dat de opleiding SRH niet door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap was erkend,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 december 2013 voor uitlating door [gedaagde 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde 1], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde 1], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. O.R.M. van Dam in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.