Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6675

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
SHE-13_3552
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op IVA-uitkering omdat eiseres weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/3552

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2013 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer),

gen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

(gemachtigde: mr. T.P.A.W. Hanenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres met ingang van 31 december 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 100.

Bij besluit van 6 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende, niet weersproken, feiten.

2.

Op 3 januari 2011 heeft eiseres zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld voor haar werk als cliëntmanager/consultant vanwege toegenomen klachten van het linkerbeen.

3.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat eiseres weliswaar volledig maar niet tevens duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

4.

Eiseres voert aan dat verweerder haar medische beperkingen heeft onderschat. Zij stelt daartoe dat de verzekeringsartsen van verweerder ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de combinatie van aandoeningen en klachten en beperkingen die hieruit voortvloeien. Verweerder erkent, zij het niet op alle door eiseres genoemde punten, dat eiseres meer beperkt is dan in bezwaar is vastgesteld. Daartoe wijst verweerder op een naar aanleiding van het beroep door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde rapportage van 7 oktober 2013 en een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van gelijke datum.

5.

De rechtbank acht het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig, gelet op de in diens rapportages vermelde onderzoekshandelingen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de naar aanleiding van het beroep opgestelde FML en overweegt daartoe dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op kenbare en plausibele wijze de beschikbare medische informatie in zijn heroverweging heeft betrokken. Hij heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom hij de medisch adviseur van eiseres niet op alle door hem genoemde punten volgt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres geen nieuwe objectief medische informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft voor bedoelde twijfel. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiseres niet onderbouwd heeft weersproken dat nergens uit blijkt dat de sensibiliteitsstoornis zich pas laat heeft ontwikkeld. Gelet hierop heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat, uitgaande van de door eiseres in de periode 2003 tot juni 2010 verrichte werkzaamheden, deze stoornis kennelijk niet van een orde of omvang was dat deze haar hinderde bij hand/vingergebruik, tastzin en computeren. Voor het oordeel dat eiseres meer beperkt is dan vastgelegd in de FML van 7 oktober 2013 bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

6.

Eiseres voert aan dat haar volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en dat zij daarom recht heeft op een IVA-uitkering. Zij stelt daartoe dat verweerder in strijd met de Richtlijn Duurzaamheid niet gericht navraag heeft gedaan bij de behandelend sector naar het doel dat met de behandeling wordt nagestreefd. Tevens stelt eiseres onder verwijzing naar een brief van 3 september 2013 van Blixembosch dat op medisch vlak, psychisch vlak en ten aanzien van de beperkingen in het dagelijks functioneren geen veranderingen zijn opgetreden. Wel wordt een individueel behandeltraject gestart om het hanteren van de klachten te verbeteren, maar dit is niet gericht op herstel of verbetering van functioneringsmogelijkheden, aldus eiseres. Verweerder voert hierover aan dat nergens in het beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ staat genoemd, laat staan als voorwaarde wordt gesteld, dat informatie bij de behandelaar moet worden ingewonnen en gericht navraag moet worden gedaan naar het doel van de behandeling. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet de prognose van de revalidatiearts, dat eiseres op onderdelen kan verbeteren, gelet op de aard van de ontvangen therapieën (fysio- en ergotherapie) met name gericht zijn op afname van klachten en toename van de functionele mogelijkheden. Fysio- en ergotherapie zijn, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nu eenmaal geen therapieën die slechts worden ingezet om met klachten te leren leven.

7.

De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Voor de bezwaarverzekeringsarts, die in bezwaar een inschatting dient te maken, geldt dat deze, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar aan de orde zijn, dient te beoordelen of de inschatting van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.

8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom de volledige arbeidsongeschiktheid van eiseres volgens hem niet tevens duurzaam is. Met ingang van 19 december 2012 zou eiseres starten met revalidatiebehandeling, welke naar verwachting drie dagen per week gedurende 6 tot 9 maanden zou worden gegeven. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep mocht gelet op de gegeven therapieën (onder andere ergo- en fysiotherapie) in combinatie met het langdurige, intensieve traject zonder meer worden verwacht dat eiseres binnen het jaar minder beperkingen van het houdings- en bewegingsapparaat zou hebben. Daarbij is gewezen op een brief van 15 november 2012 van de revalidatiearts, volgens welke eiseres zeker op onderdelen kan verbeteren, maar niet klachtenvrij zal worden. Hoewel in bedoelde brief niet is vermeld binnen welke periode de revalidatiearts deze verbetering verwachtte, kan dit wel worden opgemaakt uit de zich onder de stukken bevindende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou de revalidatiebehandeling naar verwachting 6 tot 9 maanden worden gegeven. Op basis hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat in het eerste jaar herstel bij eiseres kon worden verwacht. Voor het oordeel dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep speculatief is waar hij stelt dat de prognose van de revalidatiearts met name gericht moet zijn op afname van klachten en toename van de functionele mogelijkheden, bestaat geen grond. De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit verband stelt, fysiotherapie en ergotherapie geen therapieën zijn slechts om te worden ingezet om met de klachten te leren leven. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de verzekeringsarts bezwaar en beroep over voldoende informatie om een standpunt te bepalen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van eiseres. Voor het oordeel dat hij gerichte navraag had moeten doen bij de revalidatiearts alvorens op het bezwaar te kunnen beslissen, bestaat dan ook geen grond. Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor twijfel aan de juistheid van de gemaakte inschatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat Blixembosch heeft besloten de revalidatie na enkele maanden te beëindigen vanwege een tijdelijke ontsteking in de SI-gewrichten maakt dit oordeel niet anders.

9.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres met ingang van 31 december 2012 volledig en niet tevens duurzaam arbeidsongeschikt is.

10.

Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

11.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat met de, naar aanleiding van het beroep, verder aangescherpte FML de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt, aanleiding voormeld gebrek in het bestreden besluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet in voormelde omstandigheid wel reden verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten worden begroot op € 944,00.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.A. Habraken-Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.