Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6646

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
01/825040-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing in vereniging in filiaal Lucardi Juweliers Eindhoven en medeplegen van schuldheling. Vrijspraak voor de tweede diefstal met geweld in datzelfde filiaal van Lucardi.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met ene proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 180 uren. Tevens dient veroordeelde schade te vergoeden. Rechtbank houdt rekening met jeugdige leeftijd van verdachte en haar blanco strafblad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/825040-12

Datum uitspraak: 28 november 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2012, 11 juli 2012 en 14 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 maart 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 6 september 2011 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (toen en aldaar werkzaam als assistent manager bij Lucardi Juweliers) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Lucardi Juweliers, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s)

die[slachtoffer 1] bij haar keel heeft/hebben gepakt en/of

die [slachtoffer 1] (vervolgens) omhoog heeft/hebben getrokken en/of

een hand op/tegen de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of

die [slachtoffer 1] dwingend de woorden "Stil" en/of "Waar ligt het geld"

en/of "Schiet op, schiet op" heeft/hebben toegevoegd;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 6 september 2011 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Lucardi Juweliers, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) [medeverdachte 1] en/of diens/dier

mededader(s)

die [slachtoffer 1] bij haar keel heeft/hebben gepakt en/of

die[slachtoffer 1] (vervolgens) omhoog heeft/hebben getrokken en/of

een hand over/tegen de mond van die[slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of

die [slachtoffer 1] dwingend de woorden "Stil" en/of "Waar ligt het geld"

en/of "Schiet op, schiet op" heeft/hebben toegevoegd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 06 september 2011 te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een medewerker/medewerkster van die winkel (Lucardi) aan te spreken teneinde diens aandacht af te leiden (van de zich in die winkel bevindende [medeverdachte 1]) en/of zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf zich op te houden teneinde [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) bij gevaar en/of onraad te waarschuwen en/of hulp te bieden;

(artikel 317 jo. 48 van het Wetboek van Strafrecht);

zij op of omstreeks 6 september 2011 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een winkel van Lucardi Juweliers, gevestigd[adres 2]) heeft weggenomen een Blackberry, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s)

die [slachtoffer 1] bij haar keel heeft gepakt en/of

die [slachtoffer 1](vervolgens) omhoog heeft getrokken en/of

een hand over/tegen de mond van die[slachtoffer 1] heeft gelegd en/of

die[slachtoffer 1] dwingend de woorden "Stil" en/of "Waar ligt het geld"

en/of "Schiet op, schiet op" heeft toegevoegd;

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 6 september 2011 te Eindhoven , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen Blackberry, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of diens/dier medeverdachte(n)

die [slachtoffer 1] bij haar keel heeft/hebben gepakt en/of

die [slachtoffer 1] (vervolgens) omhoog heeft/hebben getrokken en/of

een hand over/tegen de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of

die [slachtoffer 1]dwingend de woorden "Stil" en/of "Waar ligt het geld"

en/of "Schiet op, schiet op" heeft/hebben toegevoegd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 6 september 2011 te Eindhoven en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een medewerker/medewerkster van die winkel (Lucardi) aan te spreken teneinde diens aandacht af te leiden (van de zich in die winkel bevindende [medeverdachte 1]) en/of zich in de nabijheid van de plaats van het misdrijf zich op te houden teneinde [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) bij gevaar en/of onraad te waarschuwen en/of hulp te bieden;

(artikel 312 jo. 48 van het Wetboek van Strafrecht);

hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 4 september 2011 tot en met 6 september 2011 te Gouda en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een of meer kentekenplaten ([kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenpla(a)t(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 jo. 417bis Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder overweegt de rechtbank

dat uit de stukken noch uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat bij verdachte het opzet bestond op het medeplegen van deze feiten. Met name is niet gebleken dat verdachte rekening moest houden met de mogelijkheid dat er ook een Blackberry zou worden gestolen. Evenmin is gebleken dat daar vooraf iets over is afgesproken tussen verdachte en haar medeverdachten.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn:

  • -

    een proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, met proces-verbaalnummer PL2233 2011133033, afgesloten op 13 februari 2012, aantal bladzijden 451 (hierna: proces-verbaal);

  • -

    een proces-verbaal van de terechtzitting van 14 november 2013.

Ten aanzien van feit 1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit bewezen op grond van het door haar in haar schriftelijk requisitoir gestelde.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde medeplegen en bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid. In het bijzonder heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Er is geen sprake geweest van een gezamenlijke planvorming voorafgaand aan de overval. Verdachte is door de medeverdachten niet of nauwelijks betrokken bij de voorbereiding van de overval. Zij heeft slechts een winkelmedewerker afgeleid door deze naar buiten te lokken en later gedeeld in de buit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht voor haar oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 8 september 2011 aangifte gedaan en heeft als volgt verklaard.

Ik ben als assistent manager werkzaam bij Lucardi juweliers, gevestigd aan de Heuvelgalerie 145 in Eindhoven. Ik doe namens de benadeelde Lucardi aangifte. Op 6 september 2011 rond 10.00 uur was ik daar werkzaam. Terwijl ik achter het bureau in het kantoortje achter in de winkel zat, werd ik van achteren bij de keel vastgepakt en in dezelfde beweging schuin omhoog getrokken. De dader legde een hand over mijn mond en zei meerdere keren “Stil” tegen mij. Nadat de overvaller de deur van het kantoortje had dichtgedaan vroeg hij – met zijn arm nog steeds om mijn nek en zijn hand nog steeds over mijn mond – “Waar ligt het geld? Waar ligt het geld?”. Ik wees daarop naar de lade die op het bureau lag met daarin het geld. Dwingend zei hij daarop tot twee keer toe “Schiet op.” Ik pakte daarop de sleutel en opende de kluislade. Ik heb daarop het geld dat al in een sealbag was verpakt aan de man afgegeven. In de sealbag zat een bedrag van € 4.470,-. Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van dit feit (p. 196 tot en met 200 van het proces-verbaal).

[medeverdachte 2] heeft op 23 januari 2012 het volgende verklaard.

Mijn aandeel in de overval is dat ik met mijn auto heb gereden. Ik ben voor de overval naar het centraal station in Eindhoven gereden. Even later heeft een medepassagier kentekens op mijn auto gezet. Mijn nicht [verdachte] was er toen ook bij. Toen zijn we naar de stad gereden en daar zijn die twee mensen uitgestapt. Zij gingen naar de Heuvelgalerie. Ik heb toen ergens in de buurt langs de Vestdijk gewacht. We hadden toen een groepsgesprek. Dat gesprek ging over hetgeen die andere twee aan het doen waren. Ze liepen toen de Heuvelgalerie in. Ik had dat groepsgesprek dus met [verdachte] en die andere persoon. Ik wist wat er zou gaan gebeuren. [verdachte] heeft een van de medewerkers mee naar buiten gelokt. Toen is de derde persoon binnen gelopen. Die persoon ging het geld halen. We konden elkaar allemaal horen via een handsfree-set. Ik hoorde veel lawaai via de telefoon. Toen hoorde ik de derde persoon roepen “Waar ben je, waar ben je? Kom me ophalen.” Ik heb hem toen opgehaald op het terrein aan de achteruitgang van de Heuvelgalerie. Hij stapte aan de passagierszijde in. [verdachte] is even later ook weer ingestapt. We zijn toen in de richting van de snelweg naar Helmond gereden. Op een parkeerplaats langs de snelweg heeft de derde persoon de kentekens er afgehaald en die zijn daar ook weggegooid. Op die parkeerplaats is ook de buit verdeeld. Volgens mij kreeg iedereen even veel geld. We zijn toen naar het centraal station in Helmond gereden en daar hebben we de derde persoon afgezet. Daarna heb ik [verdachte] afgezet in Eindhoven. Er was dus vooraf al het plan gemaakt om Lucardi te gaan overvallen. Het idee van de overval hebben we tevoren met z’n allen uitgewerkt (p. 115 tot en met 126 van het proces-verbaal).

Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 november 2013 onder meer het volgende verklaard. Het klopt dat ik op 6 december 2011 betrokken ben geweest bij een overval op Lucardi Juweliers in Eindhoven. Mijn nicht [medeverdachte 2] vroeg mij om haar te helpen. Ik ben bij [medeverdachte 2] in haar auto gestapt. Er stapte later ook nog een jongen in die auto. Die jongen heet [medeverdachte 3]. Samen zijn we naar het winkelcentrum Eindhoven gereden. In de auto werd mij verteld wat ik moest doen. Ik moest de juwelierswinkel Lucardi binnenlopen en aldaar een medewerker aanspreken. De bedoeling was om die medewerker af te leiden. Ik wist op dat moment dat de juwelier zou gaan worden overvallen. Ik ben vervolgens de winkel ingelopen en heb toen een vrouw die daar werkzaam was aangesproken en naar buiten gelokt. Kort daarna zag ik dat [medeverdachte 3] de winkel binnenkwam. Ik hoorde vervolgens in de winkel geschreeuw van een andere medewerkster. Vervolgens ben ik de winkel uitgelopen. Op een later moment zag ik [medeverdachte 2] en de jongen in de auto nabij de Albert Heijn op de Vestdijk in Eindhoven staan. Ik ben ingestapt en we zijn weggereden. In de auto werd de buit verdeeld. De buit bedroeg ongeveer € 4.000,-. Mijn deel bedroeg ongeveer € 1.500,-. Ik droeg op de dag van de overval donkere kleding. Het zou best kunnen dat er voorafgaand aan de overval was afgesproken dat ik dergelijke donkere kleding zou dragen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het verweer van de raadsman dat geen sprake was van medeplegen van verdachte weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Uit deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte actief betrokken is geweest bij het uitvoeren van de ten laste gelegde overval. Verdachte is samen met de medeverdachten met een auto naar het winkelcentrum in Eindhoven gereden. In de auto wist verdachte dat er een overval op een juwelier zou gaan plaatsvinden. Er was van te voren afgesproken dat verdachte donkere kleding zou dragen. Verdachte heeft vervolgens in de juwelierswinkel een medewerkster afgeleid door deze aan te spreken. Na de overval zijn verdachte en de medeverdachten met de auto samen weggereden en in de auto is door hen de buit onder elkaar in gelijke mate verdeeld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte dusdanig betrokken is geweest bij de uitvoering van het ten laste gelegde dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering, zodat het primair ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 3.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit bewezen op grond van het door haar in haar schriftelijk requisitoir gestelde.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak. Daartoe heeft hij onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte heeft ontkend dat in haar bijzijn de valse kentekenplaten op de auto zijn gemonteerd. Zij is op het station Eindhoven door [medeverdachte 2] met de auto opgehaald en zij zijn direct naar de juwelier gereden. Eerst achteraf, toen de kentekenplaten na de overval van de auto werden gehaald en weggegooid, realiseerde verdachte zich dat er iets mis was met de kentekenplaten. Niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte op het moment dat zij in de auto stapte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaten van enig misdrijf afkomstig waren.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij door [medeverdachte 2] met de auto op station Eindhoven werd opgehaald, zij toen is ingestapt en zij direct naar de juwelier zijn gereden en dat zij op dat moment niet wist en niet vermoedde dat de kentekenplaten op de auto waarin zij zich op dat moment bevond van enig misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig en overweegt dienaangaande het volgende.

Op 7 september 2011 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van de diefstal van twee kentekenplaten met kenteken [kenteken], gepleegd tussen 4 september 2011 te 18.00 uur en 6 september 2011 te 17.00 uur te Gouda. Hij heeft aan niemand het recht of de toestemming gegeven dit feit te plegen (p. 327 en 328 van het proces-verbaal).

Op 14 december 2011 heeft verbalisant [verbalisant 1] het volgende gerelateerd.

Op 6 september 2011 te 09:03:08 uur ontvangt de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [medeverdachte 2] een sms-bericht van de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Vervolgens worden er met de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 2] enkele sms-berichten verzonden waarbij deze telefoon zich bevindt op de Veldmaarschalk Montgomerylaan te Eindhoven. Omstreeks dezelfde tijd (09:04:09 uur) blijkt dat de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] van [medeverdachte 2] zich eveneens bevindt op de Veldmaarschalk Montgomerylaan te Eindhoven en rijdt in de richting van het centrum waar ook het station en de Vestdijk zijn gelegen. Om 09:16:22 uur bevindt de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] zich wederom op de Veldmaarschalk Montgomerylaan maar nu in tegengestelde rijrichting. De beide locaties op de Veldmaarschalk Montgomerylaan zijn gelegen tussen de Tetrodestraat en het station te Eindhoven.

Op 6 september 2011 te 09:43:58 uur bevindt de Volkswagen Golf met de gestolen kentekenplaten [kenteken] zich op de Kloosterdreef te Eindhoven. Kort hierop, ergens tussen 10:11 uur en 10:21 uur, vindt de overval op de juwelier Lucardi plaats.

Op 6 september 2011 om 10:27:04 uur, kort na de overval, bevindt de Volkswagen Golf met de gestolen kentekenplaten [kenteken] zich op de Veldmaarschalk Montgomerylaan te Eindhoven ter hoogte van de Onze Lieve Vrouwenstraat rijdende richting de Europalaan. Op 6 september 2011 te 10:33:49 uur wordt de Volkswagen Golf met de gestolen kentekenplaten [kenteken] waargenomen op de A270 Eisenhowerlaan te Eindhoven in de richting van de Collse Hoefdijk te Nuenen. Op 6 september 2011 te 10:34:59 uur wordt de Volkswagen Golf met de gestolen kentekenplaten [kenteken] waargenomen op de Collse Hoefdijk te Nuenen ter hoogte van de Smits van Oyenlaan met als rijrichting Geldrop. Deze locatie is gelegen op een afslag van de N270 Eisenhowerlaan in de richting van Helmond. Hierna wordt de Volkswagen Golf met de gestolen kentekenplaten niet meer gesignaleerd.

Op 6 september 2011 te 11:20:26 uur wordt de Volkswagen Golf van [medeverdachte 2] met het kenteken [kenteken] waargenomen op de Prins Hendriklaan te Helmond. De Volkswagen Golf wordt vervolgens op meerdere plaatsen gesignaleerd en rijdt vanuit Helmond richting Eindhoven met als laatste locatie te 12:03 uur de Veldmaarschalk Montgomerylaan te Eindhoven (p. 242 tot en met 243 van het proces-verbaal).

Verdachte heeft op 19 januari 2012 bij de politie over dit feit het volgende verklaard.

Op de vraag hoe het ging die ochtend van 6 september 2011, het volgende. Ik nam vanuit Roermond de trein naar station Eindhoven. Op het station in Eindhoven zag ik mijn nicht [medeverdachte 2] bij de taxistandplaats staan. Direct na mij stapte ook [medeverdachte 3] in de auto van [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] had kentekenplaten bij zich en hij heeft die kentekenplaten ergens in Eindhoven verwisseld. Daarna reden we naar Lucardi in de Heuvelgalerij. Ik ben even later (de rechtbank begrijpt: na de overval) weer in de auto van [medeverdachte 2] gestapt. We zijn ook nog gestopt om de kentekenplaten er vanaf te halen (p. 182 tot en met 183 van het proces-verbaal).

Op 22 januari 2012 hebben verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en[verbalisant 4] het volgende gerelateerd.

Op 6 september 2011 werd bij de overval gebruik gemaakt van gestolen kentekenplaten met het kenteken [kenteken]. Uit onderzoek door middel van ARS camera’s was gebleken dat het vluchtvoertuig op de A270 tot aan de afslag Nuenen/Geldrop was voorzien van kenteken [kenteken]. Na deze afslag was het kenteken niet meer waargenomen door de camera’s. Door [verdachte] (verdachte) werd verklaard dat de kentekens ergens langs de snelweg, Rijksweg A270, naar Helmond waren verwijderd en weggegooid. Dit zou op een parkeerplaats zijn gebeurd. Op 20 januari 2012 werden door mij, verbalisant [verbalisant 2], op parkeerplaats Vaarle langs de Rijksweg A270 de kentekenplaten met kenteken [kenteken] aangetroffen (p. 276 van het proces-verbaal).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit genoemde bewijsmiddelen dat verdachte wist dat er een overval op een juwelier ging plaatsvinden waarbij zij een rol had, de kentekenplaten voorafgaand aan de overval, in het bijzijn van verdachte, door medeverdachte [medeverdachte 3] op de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn gemonteerd en dat deze na de overval, wederom in haar bijzijn, door hem van die auto zijn verwijderd en vervolgens weggegooid. De verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd sluit immers aan bij de bevindingen als in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen gerelateerd. Aan haar andersluidende verklaring ter zitting dat zij voorafgaande aan de overval niet bij het vervangen van de kentekenplaten aanwezig zou zijn geweest, gaat de rechtbank derhalve voorbij. Voorts overweegt de rechtbank dat het verwisselen van kentekenplaten voorafgaande aan het plegen van een gepland strafbaar feit waarbij een auto wordt gebruikt, doorgaans tot doel heeft te voorkomen dat via het oorspronkelijke kenteken van die auto de dader(s) kan (kunnen) worden getraceerd. Van een andere reden is de rechtbank ook in het onderhavige geval niet gebleken. Dat daarbij veelal gebruik wordt gemaakt van gestolen kentekenplaten die alsdan niet (direct) tot de dader(s) zijn te herleiden, acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid.

Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank tezamen en in vereniging met haar medeverdachten de kentekenplaten voorhanden gehad terwijl zij ten tijde van het voorhanden hebben daarvan op zijn minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die kentekenplaten afkomstig waren van enig misdrijf. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in vereniging heeft schuldig gemaakt aan schuldheling.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(1. primair)

op 6 september 2011 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] (toen en aldaar werkzaam als assistent manager bij Lucardi Juweliers) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan Lucardi Juweliers, welk geweld hierin bestond dat verdachte en haar mededaders:

die [slachtoffer 1] bij haar keel hebben gepakt en

die [slachtoffer 1] (vervolgens) omhoog hebben getrokken en

een hand op/tegen de mond van die [slachtoffer 1] hebben gelegd en

die [slachtoffer 1] dwingend de woorden "Stil" en/of "Waar ligt het geld" en "Schiet op, schiet op" hebben toegevoegd;

(3.)

in de periode van 4 september 2011 tot en met 6 september 2011 te Eindhoven en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, twee kentekenplaten ([kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die kentekenplaten redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 3 gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering en reclasseringstoezicht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte buitengewoon kwetsbaar is. Zij heeft veel spijt van haar handelen en is erg begaan met de slachtoffers. In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging verzet zich niet tegen een proeftijd van twee jaren. Verder kan aan verdachte nog een taakstraf van maximale duur worden opgelegd. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou zware psychische gevolgen voor verdachte hebben. Daarbij is een dergelijke straf, gezien het tijdsverloop, thans niet meer passend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij tezamen met haar medeverdachten uit puur winstbejag een overval heeft gepleegd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] blijkt dat de overval voor haar een traumatische ervaring is geweest en een grote impact heeft gehad en nog steeds heeft op haar leven. De overval heeft voorts grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap. Het kennelijke gemak waarmee verdachte en haar medeverdachten tot het plegen van deze overval zijn overgegaan is zorgwekkend en roept binnen de maatschappij gevoelens van onveiligheid op. Voorts heeft verdachte zich in vereniging schuldig gemaakt aan schuldheling. De rechtbank zal dit alles in het nadeel van verdachte betrekken.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting op emotionele wijze spijt betuigd voor haar handelen. Deze spijtbetuiging kwam op de rechtbank oprecht over. Ook houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit werd veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van als hierna te melden. Mede gezien het tijdsverloop zal de rechtbank een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Bij haar oordeel heeft de rechtbank in acht genomen de hierna aan verdachte nog op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

De rechtbank is verder van oordeel dat aan verdachte, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Voor wat betreft de aan verdachte op te leggen bijzondere voorwaarde in het kader van deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen door de reclassering is geadviseerd in haar rapportage van 15 oktober 2013. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebaat is bij ondersteuning vanuit de reclassering. De rechtbank zal bepalen dat verdachte zich gedurende de hierna te noemen proeftijd bij de reclassering verder dient te melden ter voortzetting van het toezicht dat loopt sedert de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op 3 februari 2012, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd aan de hierna in het dictum nader te noemen algemene en bijzondere voorwaarden houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare handelingen tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoon van verdachte geen aanknopingspunten voor het opleggen van een kortere proeftijd dan twee jaren.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat aan verdachte een taakstraf van aanzienlijke duur opgelegd dient te worden.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals hiervoor is overwogen en in het dictum nader zal worden omschreven, alsook een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien verdachte deze taakstraf niet naar behoren uitvoert.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (ten aanzien van feit 1 primair).

Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van

€ 1.509,20, bestaande uit € 759,20 voor materiële schade en € 750,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.204,20, vermeerderd met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft afwijzing van de vordering voor het overige deel (kosten logies en bewassing ten bedrage van € 305,00) gevorderd.

De raadsman heeft zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 454,20 voor materiële schade (fysiotherapie en psychotherapie) en een bedrag van € 750,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Omdat verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ten opzichte van de benadeelde ingevolge artikel 6:102, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten voor logies en bewassing ten bedrage van

€ 305,00, omdat de rechtbank dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd acht. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij Lucardi Kin B.V. Juweliersbedrijf (ten aanzien van feit 1 primair).

Benadeelde partij Lucardi Kin B.V. Juweliersbedrijf voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 10.604,00, voor materiële schade (€ 4.470,00 voor weggenomen geld, € 1.195,00 voor kosten interventie en € 4.939,00 voor kosten ter zake van extra inzet van personeel).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.665,00 (€ 4.470,00 voor weggenomen geld, € 1.195,00 voor kosten interventie) en daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering gevorderd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op het weggenomen geld kan worden toegewezen. Het overige deel van de vordering dient afgewezen te worden, omdat dat deel onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 5.665,00 (weggenomen geld en kosten interventie). De kosten voor trauma-interventie acht de rechtbank voldoende onderbouwd met de bij de vordering gevoegde factuur.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Omdat verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ten opzichte van de benadeelde ingevolge artikel 6:102, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten ter zake van extra inzet van personeel ten bedrage van € 4.939,00, aangezien de beoordeling of er sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 60a, 312, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1 primair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van schuldheling;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaren één of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd bij de Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch, gevestigd Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, verder zal melden ter voortzetting van het toezicht dat loopt sedert de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op 3 februari 2012, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;

heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden; deze voorlopige hechtenis is op 3 februari 2012 reeds geschorst;

legt op de volgende maatregelen:

maatregel van schadevergoeding van € 1.204,20 subsidiair 22 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.204,20 (zegge: twaalfhonderdvier euro en twintig eurocent), bestaande uit € 454,20 voor materiële schade en € 750,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

haar mededader(s) is betaald;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.204,20 (zegge: twaalfhonderdvier euro en twintig eurocent), bestaande uit € 454,20 voor materiële schade en € 750,00 voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) haar mededader(s) is betaald;

bepaalt dat verdachte van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij of (een van) zijn mededader(s) heeft/hebben voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is;

maatregel van schadevergoeding van € 5.665,00 subsidiair 63 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Lucardi Kin B.V. Juweliersbedrijf van een bedrag van € 5.665,00 (zegge: vijfduizend zeshonderdvijfenzestig euro), voor materiële schade;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) haar mededader(s) is betaald;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Lucardi Kin B.V. Juweliersbedrijf van een bedrag van € 5.665,00 (zegge: vijfduizend zeshonderdvijfenzestig euro), voor materiële schade;

bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) haar mededader(s) is betaald;

bepaalt dat verdachte van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij of (een van) zijn mededader(s) heeft/hebben voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.J.O. de Vries, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 28 november 2013.