Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6516

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
01/839436-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor doodslag op haar vriend in Geldrop. Zij heeft het slachtoffer in de borststreek gestoken met een mes. Voorwaardelijk opzet. Verweer noodweer, putatief noodweer en noodweerexces verworpen. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Door de opstelling van verdachte is geen verminderde toerekeningsvatbaarheid kunnen worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/839436-12

Datum uitspraak: 29 november 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [1986],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd in de PI Zuid Oost - HvB Ter Peel in Evertsoord.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 oktober 2012, 18 januari 2013, 12 april 2013, 4 juli 2013, 20 september 2013, 11 november 2013 en 15 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 september 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 09 juli 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in

het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

art. 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 09 juli 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp

voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 09 juli 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, aan een

persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft

toegebracht, door opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk

geval een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te steken,

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art. 302 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Op 9 juli 2012 te 09.38 uur werd er bij de meldkamer van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost telefonisch door een vrouw gemeld dat in de woning, gelegen aan de [adres 2] in Geldrop, een man met een mes in de hartstreek was gestoken 1.

Op 9 juli 2012 omstreeks 09.45 uur arriveerden politieambtenaren in die woning en troffen in de woonkamer een man aan. Hij lag gestrekt op zijn rug en had een verwonding boven op zijn borst, naast zijn linker tepel. Het slachtoffer ademde moeilijk en reageerde niet op aanroepen. Ook een vrouw genaamd [getuige] was in de woning aanwezig.

Op het keukenblad werd links naast een messenblok een groot model vleesmes met zwart handvat aangetroffen. Door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel werd het slachtoffer overgebracht naar het Sint Annaziekenhuis in Geldrop 2.

Aldaar werd in de ochtend van 9 juli 2012 geconstateerd dat het slachtoffer genaamd [slachtoffer] was overleden. Het lichaam van [slachtoffer] werd geschouwd door de GGD-arts K. Gan 3.

Bij pathologisch onderzoek op 13 juli 2012 werd het volgende geconstateerd.

[slachtoffer] is overleden in het Sint Annaziekenhuis in Geldrop op 9 juli 2012 te omstreeks 11.30 uur. Er was een steekkanaal in de borstholte van minimaal 6 cm iets schuin voetwaarts en rugwaarts verlopend. Er was een perforatie van de voorzijde van de linker hartkamer, de achterzijde van de linker hartkamer, de achterzijde van het hartzakje en een insteek in de onderkwab van de linker long. De linker long was samengevallen. Het letsel is bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend/klievend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes, een eenzijdig scherprandig voorwerp. Het intreden van de dood van [slachtoffer] kan zonder meer worden verklaard door functiestoornissen van het hart al dan niet met het functieverlies van de linker long door het samenvallen daarvan 4.

Het bebloede mes dat op de aanrecht van genoemde woning lag is veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN-nummer AAEL2312NL. Het lemmet had een lengte van ongeveer 20 centimeter en een breedte van ongeveer 2,5 centimeter. Het heft was zwart en had een lengte van ongeveer 13,5 centimeter en een breedte van ongeveer 2,5 centimeter 5.

Het bloed op het mes matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] met een berekende frequentie van één op één miljard 6.

Verdachte heeft ter terechtzitting van zowel 11 november 2013 als 15 november 2013 verklaard dat zij in de ochtend van 9 juli 2012 in de woning, gelegen aan de [adres 1] in Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, haar vriend [slachtoffer] met een mes in de borst heeft gestoken. Het mes heeft zij daarna op het aanrecht gelegd, waarna ze 112 heeft gebeld 7.

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, op grond waarvan de rechtbank concludeert dat verdachte degene is geweest die met het ter plaatse aangetroffen mes [slachtoffer] heeft gestoken, zal de rechtbank de volgende vragen bespreken:

  • -

    is sprake van opzettelijk handelen?

  • -

    is sprake van voorbedachte raad?

Opzet.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] door hem met een mes in de borst te steken.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet in deze zaak niet het probleem vormt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft het slachtoffer met een mes, waarvan het lemmet een lengte van ongeveer 20 centimeter en een breedte van ongeveer 2,5 centimeter had, in de borstkas ter hoogte van de hartstreek gestoken. Dit handelen bergt naar algemene ervaringsregels de (zeer) aanmerkelijke kans in zich dat daardoor dodelijk letsel wordt veroorzaakt. Uit het letsel zoals omschreven in voormeld pathologisch onderzoek - kort gezegd een steekkanaal in de borstholte van minimaal 6 centimeter, perforatie van verschillende delen van het hart en een insteek in de long - blijkt dat verdachte zo diep heeft gestoken dat zij door die steek ook daadwerkelijk het hart en andere vitale lichaamsdelen heeft geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachtes steekhandeling zozeer gericht op de dood van het slachtoffer – dat zij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans op zijn overlijden heeft doen ontstaan en deze kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank ten minste het voorwaardelijk opzet gehad om het slachtoffer [slachtoffer] te doden.

Voorbedachte raad.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is voor het feit dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de stukken die zich in het dossier bevinden, noch uit het onderzoek ter terechtzitting, kan worden afgeleid dat is vast komen te staan dat verdachte de reëel de mogelijkheid heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Omdat niet blijkt dat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zal. Verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit.

Gelet hierop en gezien hetgeen hiervoor is overwogen inzake het opzet van verdachte, acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(subsidiair) op 09 juli 2012 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet eenmaal met een mes

in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

De officier van justitie heeft – op de gronden zoals weergeven in haar schriftelijk requisitoir – zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

De raadsman heeft – op de gronden zoals weergegeven in zijn schriftelijk pleidooi – aangevoerd dat verdachte uit (putatief) noodweer heeft gehandeld.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdachte de gang van zaken aannemelijk maakt die ten grondslag ligt aan de gestelde noodzakelijke verdediging tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding.

In deze zaak heeft verdachte gesteld dat zij tijdens een ruzie met het latere slachtoffer met kracht bij de keel is gegrepen, en dat zij vervolgens bij de keel achterover en (nagenoeg) van de grond af werd geduwd. Zij stelt dat zij vreesde voor haar leven en met het mes, het enige voorwerp dat zij kon pakken, het latere slachtoffer van zich af probeerde te houden door hem éénmaal te steken met dat mes.

De rechtbank stelt allereerst vast dat er in de streek van de hals/nek bij verdachte geen letsel is aangetroffen dat ondersteuning oplevert voor deze door verdachte gestelde gang van zaken. Ter zitting is door de deskundige dr. Van Venrooij verklaard dat er door hem op 11 juli 2012 geen letsel is aangetroffen in de halsstreek van de verdachte.

Op foto DSC_6384.JPG, die is genomen tijdens het onderzoek door dr. Van Venrooij, is echter wel een roodverkleuring zichtbaar van de huid in de hals van verdachte. Door Van

Venrooij is ter zitting aangegeven dat het waarschijnlijk geen blauwe plek/ hematoom betreft, maar dat het waarschijnlijk gaat om erytheem. Erytheem is, zo verklaart Van Venrooij, een roodverkleuring in/van de huid die na ontstaan uiterlijk binnen 24 uur weer verdwijnt 8. Ook getuige-deskundige [getuige-deskundige 1], senior technisch rechercheur, heeft ter zitting verklaard dat zij op 9 juli 2012 bij nauwgezet onderzoek aan het (geklede) lichaam van verdachte geen letsel of andere relevante sporen heeft waargenomen in de halsstreek van verdachte. Zij geeft aan dat er geen roodverkleuring in de halsstreek aanwezig was op 9 juli 2012. Tenslotte heeft verdachte tegen [getuige-deskundige 1] op 9 juli 2012 niet gezegd dat zij letsel had en/of dat zij krachtig bij haar keel was gepakt en opgetild 9. Van Venrooij heeft verder aangegeven dat hij vanuit zijn eerdere ervaringen bij letselonderzoek meer en ander letsel in de halsstreek had verwacht indien de door verdachte geschetste geweldshandelingen op haar hals zouden zijn uitgeoefend 10.

Verdachte heeft de eerste dagen na het steekincident een geheel andere lezing van de feiten gegeven. Er zou sprake zijn geweest van een indringer en zij zou het slachtoffer reeds gewond op de grond liggend hebben aangetroffen 111213. Deze verklaring heeft zij niet alleen afgelegd in haar eerste contacten met hulpdiensten en politie, maar ook in de eerste politieverhoren als verdachte. Zij is aanvankelijk in deze lijn blijven verklaren, ook nadat zij in verzekering was gesteld. Verdachte heeft in latere verhoren als verklaring gegeven dat zij aanvankelijk dacht dat het wel mee zou vallen met de verwondingen van het slachtoffer en dat hij geen aangifte zou doen. Ook wijt zij de onjuiste verklaringen aan het feit dat zij in shock zou zijn geweest.

De rechtbank stelt vast dat er door getuigen geen melding is gemaakt dat verdachte verschijnselen zou hebben vertoond die passen bij een shock. Zij wordt beschreven als rustig en als iemand die de ernst begreep van de situatie rond het letsel van het slachtoffer 1415. De rechtbank acht de verklaring van verdachte voor haar aanvankelijk gelijkblijvende onjuiste verklaringen ook niet logisch: zij verklaart namelijk dat zij er aanvankelijk van uitging dat het letsel van het slachtoffer relatief licht zou zijn. Binnen enkele uren na haar aanhouding wordt verdachte echter verteld dat het slachtoffer is overleden. Zij blijft in daaropvolgende verhoren dan nog bij haar aanvankelijke verklaring. Bovendien is evenmin logisch dat de aanvankelijke verwachting van verdachte, dat sprake was van licht letsel, bij haar leidt tot een shock. De mededeling dat het slachtoffer was overleden, heeft geen gevolg gehad voor de inhoud van haar verklaringen.

Tijdens de reconstructie heeft verdachte de gelegenheid gehad om de feitelijke gang van zaken uiteen te zetten die, volgens haar, voorafging aan de steek met het mes. De wijze waarop verdachte stelt te hebben gestoken, komt niet overeen met de richting van het steekkanaal. Op de wijze zoals zij zegt te hebben gestoken, zou het steekkanaal van beneden naar boven moeten lopen. Tenslotte is uit forensisch onderzoek een stand van de hand afgeleid aan het heft van het mes waarmee is gestoken. Het gaat daarbij, gelet op de foto’s I en II, die als bijlage zijn gevoegd bij een rapport dactyloscopisch onderzoek van de Dienst IPOL d.d. 5 december 2012, om een zogenaamde bovenhandse steek. Deze stand is anders dan verdachte aangeeft. Er zijn geen sporen aangegeven die er op duiden dat verdachte, voor zij stak, het mes heeft overgepakt in haar hand. De aangetroffen en beschreven vingerafdrukken duiden in elk geval niet op een dergelijke handelwijze met het mes 16.

Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt, aangezien de feiten die verdachte ten grondslag legt aan haar verweer niet aannemelijk zijn geworden.

Doordat er geen sprake was van noodweer, kan het verweer ter zake putatief noodweer-verder onbesproken blijven. Uit niets is gebleken dat er sprake is geweest van (andere) feiten en/of omstandigheden waardoor verdachte in redelijkheid mocht menen dat zij zich had te verdedigen tegen een (dreigende) onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding.

Er zijn evenmin andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van verdachte.

De officier van justitie heeft – op de gronden zoals weergeven in haar schriftelijk requisitoir – zich op het standpunt gesteld dat er ook geen sprake is geweest van een noodweerexcessituatie.

De raadsman heeft – op de gronden zoals weergegeven in zijn schriftelijk pleidooi – subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Doordat er, zoals hiervoor overwogen, geen sprake was van een noodweersituatie, kan ook het noodweer-excesverweer verder onbesproken blijven.

Er zijn evenmin andere feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede teruggave van 2 telefoons aan de broer van het slachtoffer en een iPhone 3 aan verdachte. Verder heeft de officier van justitie verzocht om het forensisch beslag (de kleding van het slachtoffer en van verdachte) formeel aan het dossier toe te voegen.

De officier van justitie heeft bij de hoogte van haar strafeis met name betrokken de bijzondere ernst van het feit en het onbeschrijfelijke leed dat de nabestaanden is aangedaan. Voorts heeft ze gewezen op de noodzaak van een strafmaat die leidt tot generale en speciale preventie en tevens een passende mate van vergelding vormt.

Het schriftelijk requisitoir is aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2013 gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft van het slachtoffer het meest kostbare bezit, zijn leven, afgenomen. Hij was pas 24 jaar oud en had redelijkerwijs nog een lang leven voor zich. Ook aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook tot uitdrukking kwam in de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. Zij moeten verder leven zonder hun zoon en broer. Daarbij komt dat het voor de familie en overige nabestaanden door de proceshouding van verdachte nog steeds onduidelijk is wat er die ochtend precies is gebeurd en wat het motief van verdachte is geweest. Dit alles heeft nog steeds ingrijpende gevolgen voor het leven van de nabestaanden en belemmert hen ernstig in hun dagelijks functioneren.

De GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn heeft op 23 oktober 2012 een psychologisch rapport omtrent verdachte opgesteld. Als gevolg van een aantal tegenstrijdigheden in de opstelling van verdachte kon er niet gekomen worden tot een gedegen beantwoording van de aan de psycholoog gestelde vragen en tot goed onderbouwde diagnostische overwegingen.

Vervolgens is verdachte in het Pieter Baan Centrum geplaatst voor een klinische observatie. Zij heeft daar echter haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. Het Pieter Baan Centrum heeft daardoor niet alle onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. Het Pieter Baan Centrum heeft op basis van het psychologisch rapport van Van Toorn en op basis van de deelname van verdachte aan alle activiteiten op de afdeling wel over verdachte gezegd dat er bij haar geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische stoornis in engere zin, zoals een psychotische stoornis, een stemmings- of angststoornis of autisme. Evenmin zijn er aanwijzingen voor grove intellectuele tekorten.

De verdachte heeft het door voornoemde opstelling de rechtbank onmogelijk gemaakt om afdoende inzicht te krijgen in haar persoonlijkheid en (eventueel) rekening te houden met daar aan mogelijk te relateren strafverminderende omstandigheden.

De rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur een passende bestraffing oplevert.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank geeft in overweging om in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling nadrukkelijk aandacht te besteden aan de door de psycholoog Van Toorn en het Pieter Baan Centrum aangegeven aandachts- en zorgpunten aangaande de persoon(lijkheid) van verdachte.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan [persoon], zijnde de broer van het slachtoffer

[slachtoffer] en aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Verder acht de rechtbank het van belang dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbende wordt gelast van de inbeslaggenomen kleding en het schoeisel van het slachtoffer [slachtoffer] en van de inbeslaggenomen kleding en het schoeisel van verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 287.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair wordt tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Teruggave van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- een Samsung S8000 telefoon en een Samsung Sgh D600 telefoon aan [persoon], zijnde de broer van het slachtoffer [slachtoffer] en

- een Iphone 3 aan verdachte.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen kleding en het schoeisel van het slachtoffer [slachtoffer] en van de inbeslaggenomen kleding en het schoeisel van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 29 november 2013.

1 Relaas verbalisant[verbalisant 1], p. 9 van het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost met nummer 2012100795, aantal doorgenummerde bladzijden 1901. Hierna te noemen: politiedossier.

2 Relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], p. 58 tot en met 61 van het politiedossier.

3 Relaas verbalisanten [verbalisant 4] en[verbalisant 5]. p. 87 van het politiedossier.

4 Een rapport van het NFI naar aanleiding van pathologisch onderzoek met zaaknummer 2012.07.10.012, afgesloten d.d. 13 juli 2012.

5 Relaas verbalisanten [verbalisant 6],[verbalisant 7] en [verbalisant 7], proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL 2219 2012100795-25 d.d. 3 augustus 2012.

6 Een rapport van het NFI naar aanleiding van DNA-onderzoek met zaaknummer 2012-07.10.012, afgesloten d.d. 3 augustus 2012.

7 Verklaring verdachte, proces-verbaal terechtzitting van 11 november 2013 en 15 november 2013.

8 Verklaring H.N.J.M. van Venrooij, proces-verbaal terechtzitting van 15 november 2013.

9 Verklaring [getuige-deskundige 1], proces-verbaal terechtzitting van 15 november 2013.

10 Verklaring H.N.J.M. van Venrooij, proces-verbaal terechtzitting van 15 november 2013.

11 Relaas verbalisant [verbalisant 8], p. 54 tot en met 57 van het politiedossier.

12 Verklaring verdachte, p. 325 tot en met 331 van het politiedossier.

13 Verklaring verdachte, p. 332 tot en met 338 van het politiedossier.

14 Verklaring [getuige 2], p. 115 tot en met 118 van het politiedossier.

15 Verklaring[getuige 3], p. 112 tot en met 114 van het politiedossier.

16 Een rapport dactyloscopisch onderzoek van de Dienst IPOL, d.d. 5 december 2012.