Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6515

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
258877 / HA ZA 13-108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Afwijzing vernietiging arbitraal vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 1, p. 24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/258877 / HA ZA 13-108

Vonnis van 20 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EQUIPE ZORGBEDRIJVEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. F.J.H.M. Berndsen te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LARIDE B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. van de Vijver te Baarn.

Partijen zullen hierna Equipe en Laride genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 april 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Laride heeft met Equipe een overeenkomst gesloten waarin zij zich verbond tot het tegen een vergoeding ontwikkelen van - kort gezegd - een gebouw waarin het nieuw hoofdkantoor van Equipe zou worden gevestigd (overeenkomst: productie 2 Equipe). Op deze overeenkomst waren de (standaard)voorwaarden De Nieuwe Regeling (hierna: DNR 2005, productie 7 Laride) van toepassing. In artikel 7.2 van de overeenkomst was opgenomen dat opzegging gedurende de zogenaamde voorbereidingsfasen slechts kon geschieden op vijf in dit artikel omschreven gronden (hierna aangeduid als de eerste t/m vijfde opzeggingsgrond).

2.2.

Bij brief van 9 augustus 2011 heeft Equipe de overeenkomst met Laride gedurende de voorbereidingsfase opgezegd (productie 1 Equipe).

2.3.

Laride is op 22 december 2011 bij het Nederlands Arbitrage Instituut te Rotterdam (hierna: NAI) een arbitrageprocedure gestart tegen Equipe, waarin Equipe verweer heeft gevoerd. Deze procedure heeft geresulteerd in het arbitraal eindvonnis van 4 december 2012 (productie 3 Equipe). Hierbij is Equipe - kort gezegd - in conventie veroordeeld aan Laride te betalen in totaal € 327.562,14 vermeerderd met wettelijke (handels)rente en de kosten van de arbitrage. De reconventionele vorderingen hebben de arbiters afgewezen. Tegen dit vonnis is geen arbitraal hoger beroep mogelijk.

3 Het geschil

3.1.

Equipe vordert  samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vernietiging van het tussen Equipe en Laride gewezen arbitrale vonnis van 4 december 2012 (NAI-nummer 3980),

  2. te verklaren voor recht dat Laride aan het arbitrale vonnis jegens Equipe geen rechten kan ontlenen,

Laride te veroordelen:

3. om aan Equipe terug te betalen al hetgeen ter uitvoering van het arbitrale vonnis door Equipe is voldaan,

4. tot betaling van de arbitrale (proces)kosten van in totaal € 53.274,22 aan Equipe,

5. in de kosten van dit geding.

3.2.

Equipe legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het arbitrale vonnis op drie gronden vernietigbaar is.

3.2.1.

In de eerste plaats heeft Equipe in haar opzeggingsbrief de vijfde opzeggingsgrond uitdrukkelijk genoemd. De arbiters hebben echter geoordeeld dat dit niet het geval was. Hun oordeel dat Equipe deze grond pas in de arbtitrageprocedure en dus tardief heeft aangevoerd, is daarom gebaseerd op een evident onjuist uitgangspunt. Daarnaast hebben arbiters nagelaten te beslissen op het essentiële verweer van Equipe dat de verwijtbaarheid in het kader van een beroep op de vijfde vernietigingsgrond niet relevant is. Het vonnis dient daarom vernietigd te worden op grond van artikel 1065 lid 1 sub d, althans sub c Rv.

3.2.2.

Ten tweede hebben de arbiters nagelaten te beslissen op het essentiële verweer van Equipe omdat zij het verweer dat artikel 7.2 van de overeenkomst de toepassing van artikel 24 DNR uitsluit hebben gepasseerd zonder dit te verwerpen. Bovendien hebben zij het passeren van dit verweer dusdanig onbegrijpelijk gemotiveerd dat dit in strijd is met artikel 1065 lid 1 sub d Rv.

3.2.3.

Tenslotte hebben arbiters nagelaten te beslissen op het essentiële verweer van Equipe dat zij uit hoofde van artikel 7.2 van de overeenkomst in het geheel geen opzeggingsvergoeding verschuldigd is. Subsidiair voert Equipe aan dat de arbiters dit oordeel niet met redenen hebben omkleed omdat zij dit niet hebben gemotiveerd.

3.3.

Laride voert gemotiveerd verweer en concludeert primair tot het in stand laten van het arbitrale vonnis, subsidiair tot een slechts partiële vernietiging, te weten voor zover het de opzegvergoeding ex artikel 33 lid 2 DNR 2005 betreft, in beide gevallen met de veroordeling van Equipe in de kosten van dit geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank overweegt dat Equipe aan haar vorderingen zowel schendingen van artikel 1065 lid 1 onder c Rv als artikel 1065 lid 1 onder d Rv ten grondslag heeft gelegd, waarbij zij in het kader van de eerste bepaling heeft gesteld dat de arbiters hebben nagelaten te beslissen op een aantal door Equipe aangevoerde essentiële verweren. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat, wil een arbitraal vonnis op deze grond vernietigbaar zijn, de vraag hoe expliciet de uitspraak van een arbiter moet zijn op een bepaald aan zijn oordeel onderworpen punt, afhangt van de aard van dat punt gezien in het geheel van de aan hem onderworpen rechtsstrijd1.

4.2.

Ten aanzien van de tweede bepaling heeft Equipe gesteld dat het vonnis op een aantal punten niet met redenen is omkleed. De rechtbank neemt voor de beoordeling van de in dit kader aangevoerde stellingen het door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2006 geschetste beoordelingskader tot uitgangspunt2. De Hoge Raad stelde hierin voorop dat hij al in een eerdere beschikking had geoordeeld dat vernietiging op deze grond slechts mogelijk is wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering3. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft dit oordeel in het arrest uit 2004 aldus gepreciseerd dat met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld moet worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen4. In het arrest van 22 december 2006 heeft de Hoge Raad tenslotte overwogen dat dit criterium door de rechter met terughoudendheid moet worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed.

De eerste vernietigingsgrond.

4.3.

Equipe heeft voor deze vernietigingsgrond gesteld dat zij de vijfde opzeggingsgrond wel degelijk heeft genoemd in de opzeggingsbrief van 9 augustus 2011 en dat de arbiters, door hieraan voorbij te gaan, aan hun motivering dat het beroep op deze vijfde grond in de arbitrageprocedure tardief is geweest, een evident onjuist uitgangspunt ten grondslag hebben gelegd. De rechtbank verwerpt dit standpunt van Equipe. Feitelijk berust haar stelling namelijk op een andere uitleg van de opzeggingsbrief dan die de arbiters hebben gehanteerd. Wat er van de juistheid van deze uitleg ook zij, arbiters hebben de brief zo uitgelegd dat daarin de vijfde opzeggingsgrond niet werd genoemd en hierop hun oordeel gegrond dat Equipe de vijfde grondslag tardief, want pas in de arbitrageprocedure, heeft aangevoerd. Met deze uitleg hebben zij hun oordeel dan ook gemotiveerd. Van een zodanig gebrekkig gemotiveerd arbitraal vonnis dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld is op dit punt dan ook geen sprake. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat de uitleg van de opzeggingsbrief door de arbiters de rechtbank ook niet onbegrijpelijk voorkomt. De verdere stelling van Equipe dat arbiters vervolgens niet zouden hebben beslist op een door Equipe in dit kader opgeworpen verweer snijdt ook geen hout. Arbiters hebben immers (gemotiveerd) beslist dat Equipe geen beroep toekwam op de vijfde opzeggingsgrond. Dit brengt met zich dat zij niet behoefden in te gaan op de stelling dat bij een beroep op deze grond verwijtbaarheid geen rol meer zou spelen. Voor de beslissing van de arbiters was dit verweer immers niet langer relevant. Ook het in dit kader gedane beroep op artikel 1065 lid 1 onder c Rv, faalt dus.

De tweede vernietigingsgrond.

4.4.

De rechtbank verwerpt de stelling van Equipe dat de arbiters niet zijn ingegaan op haar (essentiële) verweer dat artikel 7.2 van de overeenkomst artikel 24 DNR zou uitsluiten. Arbiters hebben immers overwogen dat zij dit geschilpunt in het midden zullen laten en wel met de motivering dat “honorering van dit standpunt zou leiden tot een voor Equipe nadeliger uitkomst dan wanneer het standpunt van Laride wordt gevolgd”. Zij hebben dus geoordeeld dat dit verweer geen bespreking meer behoefde en zijn daarmee wel degelijk en ook voldoende expliciet ingegaan op dit verweer van Equipe. De rechtbank volgt Equipe ook niet in haar nog ter comparitie ingenomen stelling, waaruit de rechtbank begrijpt dat arbiters in de visie van Equipe nimmer een essentieel verweer mogen passeren zonder dit expliciet te verwerpen. De vraag hoe expliciet de uitspraak van de arbiter moet zijn op een bepaald aan zijn oordeel onderworpen punt, hangt immers af van de aard van dat punt gezien in het geheel van de aan hun oordeel onderworpen rechtsstrijd, zodat niet in zijn algemeenheid te zeggen is dat arbiters altijd gehouden zijn - al dan niet essentiële - verweren expliciet te verwerpen. In het geval een bepaald verweer niet (langer) de toewijzing van een vordering kan blokkeren, staat het arbiters vrij dit verder als niet (langer) relevant te passeren, zoals arbiters in deze zaak hebben gedaan.

4.5.

De volgende vraag is of de arbiters met voornoemde motivering hun beslissing op dit punt voldoende met redenen hebben omkleed zoals bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder d Rv. Equipe heeft te dien aanzien gesteld dat bovengenoemde motivering op één lijn gesteld kan worden met een in het geheel niet gemotiveerd arbitraal vonnis. Ook hier is de rechtbank van oordeel, uitgaande van de terughoudende toetsing zoals beschreven onder r.o. 4.2., dat de motivering van de arbiters op dit punt niet op één lijn kan worden gesteld met een geheel ongemotiveerd vonnis. Equipe meent dat deze beslissing onjuist is, maar dat maakt niet dat aan het criterium van artikel 1065 lid 1 onder d Rv is voldaan. Het feit dat Laride geen nakoming heeft gevorderd in de arbitrageprocedure doet hieraan niet af. Impliciet is in de motivering van de arbiters te lezen dat zij hebben gedacht aan de situatie dat Laride - bij het volgen van het standpunt van Equipe - een schadevergoeding had kunnen vorderen gebaseerd op (het missen van) volledige nakoming door Equipe en Equipe dan slechter af zou zijn geweest.

De derde vernietigingsgrond.

4.6.

De rechtbank verwerpt tenslotte de derde (primair en subsidiair) door Equipe aangevoerde vernietigingsgrond. Equipe heeft daartoe gesteld dat de arbiters niet hebben beslist op het primaire verweer dat zij op grond van artikel 7.2, vijfde opzeggingsgrond van de overeenkomst, geen opzeggingsvergoeding verschuldigd zou zijn. Zoals de rechtbank al bij de bespreking van de eerste vernietigingsgrond heeft overwogen, hebben arbiters in hun vonnis beslist dat Equipe op deze opzeggingsgrond geen beroep toekwam. In het licht van die eerdere beslissing behoefden zij dus bij de berekening van de hoogte van de opzeggingsvergoeding niet langer in te gaan op de stelling dat Equipe uit hoofde van die bepaling geen vergoeding verschuldigd was, nu de verwerping van die stelling al besloten lag in die eerdere beslissing. Daarmee is deze verwerping door de arbiters ook met redenen omkleed in de zin van artikel 1057 Rv.

4.7.

Slotsom is dat de drie tegen het arbitraal vonnis aangevoerde vernietigingsgronden falen. De vorderingen van Equipe zullen daarom worden afgewezen.

4.8.

Equipe zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op het feitelijk belang van deze zaak (inclusief de arbitrale proceskosten ruim € 380.000,00) zal de rechtbank liquidatietarief VI toepassen. De kosten aan de zijde van Laride worden aldus begroot op:

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal €  5.836,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Equipe in de proceskosten, aan de zijde van Laride tot op heden begroot op € 5.836,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.

1 Hoge Raad 9 januari 2004, LJN: AK8380 of NJ 2005, 190, r.o. 3.5.2

2 Hoge Raad 22 december 2006, LJN: AZ1593 of NJ 2008, 4

3 verwijzend naar: Hoge Raad 25 februari 2000, LJN: AA4947 of NJ 2000, 508

4 verwijzend naar: Hoge Raad 9 januari 2004, LJN: AK8380 of NJ 2005, 190