Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6461

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
SHE-12_4202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kop: verkeersbesluit, verhoging maximumsnelheid 130 km/h, belangenafweging:

Samenvatting: Verhoging maximumsnelheid naar 130 km/h. Sprake van strijd met de wettelijke voorschriften. De gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft ten onrechte aan de motivering van het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het wegvak een unieke testomgeving is voor onderzoeken van TNO in het kader van verkeersveiligheid en doorstroming. Dit belang van TNO niet is opgenomen in artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994. De gedeputeerde Staten van Noord-Brabant noch TNO hebben aannemelijk gemaakt dat het belang van TNO een belang is waarop bedoelde wettelijke bepaling ziet. Verweerder had het belang van TNO dan ook niet en zeker niet uitsluitend of in overwegende mate mogen laten prevaleren boven wel in artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994 genoemde belangen, zoals het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 12/4202, SHE 12/4201, SHE 12/4196, SHE 12/4194

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2013 in de zaken tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen, Nederwetten, hierna: het college van B&W,

(gemachtigde: mr. B.A.P.M. Achterbergh),

bewonersvereniging Heikampen, hierna: de bewonersvereniging Heikampen,

(gemachtigde: R.L Moviat en J.L.M. Franssen),

[persoon 1], mede namens nader te noemen bewoners van de Zuiderklamp en de belangenvereniging Molvense Erven, hierna: [persoon 1],

(gemachtigden: mr. R.E. Wannink en mr. R.J. Boogers),

H.H.J. [persoon 2], hierna: [persoon 2],

gezamenlijk te noemen: eisers,

en

gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigden: M. Schoenmaker, ir. J.G.F. De Weijs en ir. J.H. Schipper).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: TNO, te Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist, de maximumsnelheid op de provinciale weg A270, tussen km 6.460 en km 9.750 (het wegvak) in beide richtingen te verlagen naar 100 km/h door plaatsing van de borden model A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Tegen dit besluit hebben TNO en de bewonersvereniging Heikampen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van TNO gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken, de maximumsnelheid op het wegvak per 1 september 2012 vastgesteld op 100 km/h dagelijks tussen 23.00 uur en 07.00 uur en beslist dat de daartoe voorgeschreven verkeersborden zullen worden geplaatst.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De beroepen van het college van B&W, de bewonersvereniging Heikampen, [persoon 1] en [persoon 2] zijn bij de rechtbank geregistreerd onder respectievelijk de nummers SHE 12/4202, SHE 12/4201, SHE 12/4196 en SHE 12/4194.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het college van B&W heeft op 26 februari 2013 en 27 mei 2013 aanvullende gronden

ingediend. Bij brief van 2 mei 2013 heeft verweerder op het aanvullend beroep van 26 februari 2013 gereageerd.

De bewonersvereniging Heikampen heeft op 22 augustus 2013 aanvullende gronden

ingediend

[persoon 1] heeft beroep aangetekend mede namens bewoners van de Zuiderklamp en de belangenvereniging Molvense Erven. Op 27 december 2012 heeft [persoon 1] een volmacht overgelegd van de volgende bewoners:[persoon 3] ([adres 1]), [persoon 4] ([adres 2]), [persoon 5] en [persoon 6] ([adres 3]), [persoon 7] ([adres 4]), [persoon 8] en [persoon 9] ([adres 5]), [persoon 10] ([adres 6]),[persoon 11] ([adres 7]), [persoon 12] ([adres 8]),[persoon 13] ([adres 9]), de heer en mevrouw [naam 1] [adres 10]),[persoon 14] [adres 11]), [persoon 15] en [persoon 16] [adres 12]), [persoon 17] ([adres 13]),[persoon 18] ([adres 14]), [persoon 19] en [persoon 20] ([adres 15]), [naam 2] ([adres 16]), [persoon 21] ([adres 17]), [persoon 22] en [persoon 23] ([adres 18]), [persoon 24] ([adres 19]), [persoon 25] ([adres 20]), [persoon 26] ([adres 21]), [persoon 27] ([adres 22]), [persoon 28] ([adres 23]), [persoon 29] ([adres 24]), [persoon 30] ([adres 25]),[persoon 31] ([adres 26]). Tevens is een volmacht overgelegd namens het bestuur van de Belangenvereniging Molvense Erven.

Op 17 juli 2013 heeft de gemachtigde van [persoon 1] een aanvullend beroepschrift ingediend. In dit aanvullend beroepschrift heeft hij aangegeven op te treden voor[persoon 1], [persoon 29], [persoon 19], [persoon 24], [persoon 25], [persoon 11], [persoon 10], [persoon 15] en [persoon 21]. Op 21 augustus 2013 heeft de gemachtigde van [persoon 1] de gronden nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Het college van B&W heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.P.M. Achterbergh. De bewonersvereniging Heikampen heeft zich laten vertegenwoordigen door R.L Moviat. [persoon 1] is in persoon verschenen en heeft alle bewoners die een volmacht hebben ondertekend en de Belangenvereniging Molvense Erven vertegenwoordigd. De gemachtigden van [persoon 1] hebben ter zitting alleen de negen hiervoor genoemde personen vertegenwoordigd. [persoon 2] is verschenen in persoon.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. TNO heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.I. Miener en N. Zornig.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. De provinciale weg A270 is in beheer en onderhoud bij verweerder. Per 1 september 2012 is het RVV 1990 gewijzigd, als gevolg waarvan de algemene maximumsnelheid op autosnelwegen in Nederland is verhoogd van 120 km/h naar 130 km/h. Naar aanleiding daarvan heeft het college van B&W verweerder verzocht kritisch te kijken naar de maximumsnelheid op het wegvak.

2.

Verweerder heeft bij het primaire besluit de maximumsnelheid voor het wegvak aanvankelijk verlaagd naar 100 km/h. In dat besluit noemt verweerder 100 km/h de aangewezen snelheid uit oogpunt van het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van de weggebruikers en passagiers, het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van verkeer en het voorkomen of beperken van door verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade. Verweerder overweegt daarbij dat verhoging van de maximumsnelheid naar 130 km/h de verkeersveiligheid, overlast, hinder of schade naar verwachting negatief beïnvloedt en een verlaging van de snelheid meer in de rede ligt.


Bezwaren

3.

TNO en de bewonersvereniging Heikampen hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. TNO heeft aangevoerd dat door een verlaging van de maximumsnelheid naar 100 km/h de A270 niet meer geschikt is als unieke testomgeving voor onderzoeken in het kader van verkeersveiligheid en doorstroming. Voor TNO is het noodzakelijk op het wegvak te kunnen testen bij 130 km/h. De bewonersvereniging Heikampen heeft bezwaar gemaakt tegen verwachte geluidhinder en ziet het liefst dat de maximumsnelheid wordt vastgesteld op 80 km/h of dat de bestaande geluidwal wordt aangepast.

4.

In het bestreden besluit is verweerder tegemoetgekomen aan de bezwaren van TNO door het primaire besluit in te trekken en de maximumsnelheid op het wegvak per 1 september 2012 vast te stellen op 100 km/h dagelijks tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Dat betekent dat de maximumsnelheid voor het resterende deel van elk etmaal 130 km/h is.

Ontvankelijkheid en procesbelang

5.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het college van B&W, [persoon 1] en [persoon 2] niet ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat zij geen bezwaarschrift hebben ingediend tegen het primaire besluit.

6.

In artikel 7:1, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd dat degene aan wie het recht is toegekend beroep in te stellen bij de administratieve rechter eerst bezwaar dient te maken. In artikel 6:13 Awb is echter een uitzondering gemaakt voor een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Een dergelijke uitzondering doet zich hier voor. Het college van B&W, [persoon 1] en [persoon 2] hebben immers aangevoerd dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit, omdat zij zich met de inhoud daarvan konden verenigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij tegen het primaire besluit geen bezwaar hebben gemaakt. Hun beroepen zijn ontvankelijk.

7.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen procesbelang hebben, aangezien zij met het instellen van beroep niet kunnen bereiken wat zij beogen, te weten een lagere maximumsnelheid dan waartoe verweerder heeft besloten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij het (lands)belang van TNO dusdanig zwaarwegend acht, dat niet aan de belangen van eisers tegemoet kan worden gekomen door een andere maximumsnelheid op het wegvak vast te stellen.

8.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat procesbelang kan ontbreken als een eiser met een beroepsprocedure niet kan bereiken wat hij wil. Dat is hier niet het geval. Procesbelang ontbreekt niet louter door de mededeling van verweerder dat hij niet voornemens is om als gevolg van een uitspraak in beroep terug te komen op een eerder genomen besluit. De beroepsprocedure dient er juist toe om vast te stellen of verweerder naar het oordeel van de rechter terug zou moeten komen op een eerder genomen besluit. Daaraan doet niet af dat de rechtbank bij de toetsing van verkeersbesluiten een terughoudende rol is toebedeeld. Eisers hebben procesbelang.

9.

Verweerder heeft betoogd dat het belang van eisers niet is te onderscheiden van het belang dat een ieder heeft bij het bestreden besluit, zodat eisers niet rechtstreeks belanghebbend zijn en daarom niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank volgt dit betoog niet. Ter zitting is vast komen te staan dat eisers opkomen voor het belang van omwonenden van woningen die dicht tot zeer dicht langs het wegvak liggen. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat eisers een bijzonder individueel belang hebben dat zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van anderen, zodat eisers als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt.

Hoorplicht

10.

Het college van B&W heeft betoogd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Dit betoog slaagt. In artikel 7:2, eerste lid, Awb is bepaald dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord voordat het beslist op het bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft nagelaten het college van B&W in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De stelling van verweerder, dat het college van B&W niet gehoord hoefde te worden omdat het geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit, snijdt geen hout. Het college van B&W had niet alleen als belanghebbende moeten worden aangemerkt omdat het opkomt voor de belangen van zijn burgers die dicht tot zeer dicht bij het wegvak wonen, maar a fortiori omdat verweerder het primaire besluit op verzoek van het college van B&W heeft genomen. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

11.

De rechtbank ziet zich met het oog op een finale beslechting van het geschil vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

Wegenverkeerswet 1994

12.

In artikel 15 lid 1 Wegenverkeerswet (WVW 1994) is bepaald dat de plaatsing van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer wordt in de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval vermeld welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij moet worden aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994 luidt als volgt.

1.

De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2.

De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

13.

Uit het systeem van de WVW 1994 en de krachtens die wet vastgestelde regelen valt af te leiden dat verkeersbesluiten ten doel moeten hebben het verkeer en de daarmee samenhangende aspecten te reguleren. Daarbij dient het algemeen belang uitgangspunt te zijn, maar behoren in het kader van een zorgvuldige voorbereiding ook individuele belangen te worden betrokken. Verweerder komt bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

14.

In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat aan dat besluit de belangen ten grondslag liggen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994 met uitzondering van het belang opgenomen in artikel 2, eerste lid, onder b WVW 1994. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder aangegeven dat het wegvak een unieke testomgeving is voor onderzoeken van TNO in het kader van verkeersveiligheid en doorstroming. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat dit belang van TNO in overwegende mate, zo niet uitsluitend aan de motivering van het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen. Ter zitting heeft verweerder immers aangegeven dat hij het (lands)belang van TNO dusdanig zwaarwegend acht, dat niet aan de belangen van eisers tegemoet kan worden gekomen door een andere maximumsnelheid op het wegvak vast te stellen. Verweerder en TNO hebben ter zitting nog aangegeven dat de activiteiten van TNO de veiligheid op de weg in het algemeen en in de toekomst ten goede komt.

15.

De rechtbank overweegt dat dit belang van TNO niet is opgenomen in artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994. Verweerder noch TNO hebben aannemelijk gemaakt dat het belang van TNO een belang is waarop bedoelde wettelijke bepaling ziet. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder dat belang van TNO – wat daarvan zij – dan ook niet en zeker niet uitsluitend of in overwegende mate mogen laten prevaleren boven wel in artikel 2, eerste en tweede lid WVW 1994 genoemde belangen, zoals het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. Dat geldt temeer omdat deze belangen door eisers uitdrukkelijk naar voren zijn gebracht en voor verweerder redengevend zijn geweest om bij het primaire besluit de maximumsnelheid voor het wegvak te verlagen naar 100 km/h.

16.

Nu verweerder zijn verkeersbesluit heeft genomen met inachtneming van een ander belang dan waarop de WVW 1994 ziet, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, behoeft daarom geen bespreking.

17.

Het beroep zal, gelet op het voorgaande, gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Voor het, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand laten van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding.

18.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers elk het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

19.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan het college van B&W en [persoon 1] vast op elk € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Ten aanzien van bewonersvereniging Heikampen veroordeelt de rechtbank – met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage – verweerder in de proceskosten (reiskosten) ten bedrage van € 56,40 (op basis van openbaar vervoer 2e klas, Nuenen – 's-Hertogenbosch en vice versa). Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van [persoon 2] is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op aan het college van B&W en de bewonersvereniging Heikampen elk het betaalde griffierecht van € 310,- te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op aan [persoon 1] en [persoon 2] elk het betaalde griffierecht van € 156,- te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan het college van B&W;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 56,40 te betalen aan bewonersvereniging Heikampen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan [persoon 1].


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.G. van den Broek, voorzitter, mr. H.M.H. de Koning en mr. F.M. Tadic, leden, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen-Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.