Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6401

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
256805 / HA ZA 1084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Werknemer is op staande voet ontslagen bij oude werkgever, een bank. De werknemer sluit arbeidsovereenkomst met andere bank. In de voorwaardelijke ontbindingsprocedure tussen de oude werkgever en de werknemer wordt namens de oude werkgever verklaard dat over het ontslag aan de nieuwe werkgever geen nadere informatie zal worden gegeven. De oude werkgever informeert de toezichthouder van de nieuwe werkgever over het aan de werknemer gegeven ontslag. Vervolgens beëindigt de nieuwe werkgever na contact met haar toezichthouder de arbeidsovereenkomst met de werknemer. Werknemer spreekt de oude werkgever aan vanwege schending geheimhoudingsovereenkomst en uit onrechtmatige daad.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/33
JAR 2014/10
AR-Updates.nl 2013-0935
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/256805 / HA ZA 12-1084

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

tegen

naamloze vennootschap

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.H. van Baren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Van [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 april 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen [eiser] en Van [gedaagde] heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. [eiser] is op 6 juni 2011 op staande voet ontslagen nadat er naar hem een compliance onderzoek was uitgevoerd.

2.2.

[eiser] heeft de vernietigbaarheid van dit ontslag ingeroepen.

2.3.

Van [gedaagde] heeft bij de kantonrechter te Eindhoven op 4 juli 2011 een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] ingediend.

2.4.

[eiser] heeft na zijn ontslag bij Van [gedaagde] gesolliciteerd bij Rabobank Roermond-Echt (hierna: Rabobank). In verband met deze sollicitatie heeft Rabobank bij brief van 13 juli 2011 aan Van [gedaagde] informatie over de betrouwbaarheid van [eiser] gevraagd. In die brief is aan Van [gedaagde] medegedeeld dat ten aanzien van de functie die Rabobank overwoog aan [eiser] aan te bieden, de regeling integriteitsgevoelige functies kredietinstellingen van DNB-PVK en de nadere regelingen van de AFM van toepassing zijn. [eiser] had aan Van [gedaagde] op 12 juli 2011 schriftelijk onherroepelijke toestemming gegeven om relevante gegevens aan Rabobank te verstrekken. Bij brief van 26 juli 2011 heeft Van [gedaagde] het volgende aan Rabobank geantwoord:

‘(…) De heer [eiser] is op 6 juni 2011 op staande voet ontslagen bij Van [gedaagde] (…). De heer [eiser] heeft de vernietigbaarheid van dit ontslag ingeroepen. Voor een verdere toelichting verwijzen wij u graag naar de heer [eiser] zelf.’

2.5.

Tussen [eiser] en Rabobank is op of omstreeks 9 augustus 2011 een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten, ingaande 1 oktober 2011, met een proeftijd van twee maanden. De indiensttreding van [eiser] bij Rabobank is geschied onder de ontbindende voorwaarde dat uit de rechtszaak van 29 augustus 2011 geen zaken naar voren zouden komen die een negatieve screening tot gevolg hebben.

2.6.

Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek is behandeld ter terechtzitting van 29 augustus 2011 (hierna: de ontbindingszitting). In de aantekeningen die de griffier van deze zitting heeft gemaakt, is als verklaring van de toenmalige advocaat van Van [gedaagde] het volgende opgenomen:

‘(…) [eiser] heeft uitzicht op een baan bij de Rabobank. De Rabobank heeft informatie opgevraagd bij Van [gedaagde]. Van [gedaagde] heeft aan de Rabobank laten weten dat [eiser] op staande voet is ontslagen, dat [eiser] het ontslag op staande voet heeft aangevochten en de Rabobank voor nadere informatie verder naar [eiser] verwezen.

Op het moment dat de Rabobank nogmaals schriftelijk om nadere informatie vraagt, zal de Rabobank naar [eiser] worden verwezen en men zal de Rabobank wijzen op de eerdere brief die al naar de Rabobank is verzonden aangaande de informatie over de functie uitoefening, en de lengte van het dienstverband. [eiser] moet weer aan de slag kunnen. Dit zal anders zijn indien de AFM informatie opvraagt of dit bij rechterlijk bevel wordt verzocht.’

Bij beschikking van 26 september 2011 heeft de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] van € 110.000,- bruto.

2.7.

Rabobank Nederland is door De Nederlandse Bank belast met de rol van toezichthouder.

2.8.

Van [gedaagde] heeft eind september 2011 aan de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland medegedeeld dat bij Rabobank een (ex-)werknemer werkzaam was, dat Van [gedaagde] deze (ex-)werknemer op staande voet had ontslagen vanwege voor Van [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter. De Directeur Toezicht van Rabobank Nederland heeft naar aanleiding van deze mededeling Rabobank gevraagd of zij referenties had ontvangen van Van [gedaagde] inzake [eiser].

2.9.

Rabobank heeft op 29 september 2011 telefonisch nadere referenties opgevraagd bij Van [gedaagde]. Onder bijvoeging van de beschikking op het voorwaardelijk ontbindingsverzoek heeft Van [gedaagde] op 30 september 2011 het volgende geantwoord:

‘De heer [eiser] is op 6 juni jl. bij Van [gedaagde] Bankiers opstaande voet ontslagen. Het moge duidelijk zijn dat Van [gedaagde] hiertoe slechts overgaat bij zeer ernstige gedragingen die voor onze organisatie onacceptabel zijn. Tijdens de zitting bij de kantonrechter op 29 augustus jl. is dit door Van [gedaagde] uitgebreid toegelicht.

De kantonrechter heeft inmiddels een beschikking (…) uitgesproken. Voor inzage in de beschikking verwijzen wij naar de bijlage.’

2.10.

De Directeur Toezicht van Rabobank Nederland heeft deze informatie ontvangen van Rabobank en heeft Rabobank geadviseerd afscheid te nemen van [eiser].

2.11.

Bij brief van 24 november 2011 heeft Rabobank aan [eiser] onder verwijzing naar het in de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding, de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] met ingang van 25 september 2011, bevestigd en daarbij als toelichting weergegeven dat de directie de geschiktheid van [eiser] voor een carrière binnen Rabobank heeft heroverwogen. [eiser] en Rabobank hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is neergelegd dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en waarbij aan [eiser] een beëindigingsvergoeding van € 55.000,- is toegekend.

2.12.

In een bodemprocedure bij de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch heeft [eiser] gevorderd om te verklaren voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen hem en Van [gedaagde] nietig is en heeft hij onder meer aanspraak gemaakt op betaling van loon en nakoming van verplichtingen uit een met hem getroffen pensioenregeling. Bij vonnis van 26 juli 2012 zijn de vorderingen van [eiser] toegewezen. Van [gedaagde] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2013 is voormeld vonnis vernietigd en zijn de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen.

3 Het geschil

3.1.1.

[eiser] vordert  samengevat – een verklaring voor recht dat Van [gedaagde] jegens hem tekort is geschoten in de nakoming van de op 29 augustus 2011 gesloten geheimhoudingsovereenkomst, althans heeft gehandeld in strijd met artikel 7:611 BW, althans jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door eind september 2011 uit eigener beweging contact te hebben opgenomen met de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland en hem te informeren over enige aangelegenheid betreffende [eiser] en/of door zich bij brief van 30 september 2011 schriftelijk tegenover Rabobank negatief over [eiser] te hebben uitgelaten en aan Rabobank de beschikking van de kantonrechter te hebben toegestuurd en/of door Rabobank, na haar informatieverzoek op 29 september 2011, niet te hebben doorverwezen naar [eiser], met veroordeling van Van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 745.936,51, vermeerderd met rente en kosten.

3.1.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering - kort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Partijen hebben op de comparitie van 29 augustus 2011 een geheimhoudingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat Van [gedaagde] geheimhouding zal betrachten over de achtergronden van het ontslag op staande voet. Niettemin heeft Van [gedaagde] eind september 2011 uit eigener beweging contact opgenomen met de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland en hem geinformeerd over het verleden van [eiser]. Daarbij heeft Van [gedaagde] negatieve uitlatingen over [eiser] gedaan. Bij brief van 30 september 2011 heeft Van [gedaagde] zich schriftelijk tegenover Rabobank negatief over [eiser] uitgelaten, onder toezending van de ontbindingsbeschikking en Van [gedaagde] heeft Rabobank na haar verzoek van 29 september 2011 niet doorverwezen naar [eiser]. Van [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen tot geheimhouding en doorverwijzing van Rabobank naar [eiser].

Door zonder noodzaak, wetende dat banken argwanend zijn tegenover werknemers met het stempel ‘integriteitsonderzoek’ en met het kennelijke doel [eiser] te schaden, in strijd met haar toezeggingen, in strijd met de op 29 augustus 2011 gemaakte afspraken, vertrouwelijke en negatieve uitlatingen te doen aan Rabobank, heeft Van [gedaagde] gehandeld in strijd met hetgeen een goed werkgever betaamt.

Van [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en, door bewust [eiser] in diskrediet te brengen, in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig tegenover [eiser].

Als gevolg van het tekortschieten en onrechtmatig handelen van Van [gedaagde] heeft [eiser] schade geleden. Door de mededeling van Van [gedaagde] aan Rabobank Nederland heeft Rabobank de screening van [eiser] heropend. De enkele heropening van de screening zou voor [eiser] mogelijk nog niet schadelijk zijn geweest, indien Van [gedaagde] zich vervolgens zou hebben onthouden van het doen van schadelijke uitlatingen over [eiser] en het toesturen van de ontbindingsbeschikking. De informatie die Van [gedaagde] aan Rabobank heeft toegestuurd is uiteindelijk bij Rabobank Nederland terecht gekomen en dat heeft er toe geleid dat de arbeidsoverenkomst is opgezegd.

De schade, die aan Van [gedaagde] kan worden toegerekend, bestaat tot een bedrag van € 720.936,52 in inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en tot een bedrag van € 25.000,- in immateriële schade.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk door hem gemaakte advocaatkosten nu Van [gedaagde] heeft gehandeld met het oogmerk om [eiser] te schaden.

De gewraakte gedragingen van Van [gedaagde] hebben zich in september en oktober 2011 voorgedaan, op welk moment het verzuim is ingetreden. In verband daarmee wordt wettelijke rente gevorderd vanaf 1 november 2011.

3.2.

Van [gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.1.

In de eerste plaats zal beoordeeld worden of er tussen partijen een geheimhoudingsovereenkomst is gesloten, zoals door [eiser] gesteld en door Van [gedaagde] betwist.

[eiser] heeft gesteld dat partijen tijdens de zitting van de kantonrechter hebben afgesproken dat Van [gedaagde] tegenover Rabobank geheimhouding zou betrachten en dat Van [gedaagde] Rabobank in het geval van een tweede informatieverzoek zou doorverwijzen naar [eiser]. [eiser] heeft geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat partijen met elkaar een overeenkomst zijn aangegaan en dat de uitlatingen van Van [gedaagde] tijdens de ontbindingszitting er op gericht waren enige verplichting, laat staan een verplichting tot ‘absolute geheimhouding’ zoals [eiser] heeft gesteld, tegenover [eiser] aan te gaan. De ontbindingsprocedure zag op beëindiging van de arbeidsovereenkomst middels ontbinding, al dan niet met toekenning van enige vergoeding aan [eiser]. Zoals [eiser] ter comparitie heeft verklaard, heeft de kantonrechter tijdens de ontbindingszitting partijen de gelegenheid gegeven om te kijken of zij de zaak konden regelen, bleek vervolgens dat Van [gedaagde] niet wilde regelen en heeft Van [gedaagde] gezegd dat zij zich zou onthouden van het geven van informatie aan Rabobank. Voor zover dat al als een afspraak tussen partijen zou moeten worden gezien, zijdens Van [gedaagde] is ter comparitie verklaard dat de advocaat van [eiser] iets wilde afspreken over communicatie, levert dat nog geen (geheimhoudings)overeenkomst op.

4.1.2.

Nu er van een overeenkomst, laat staan een geheimhoudingsovereenkomst geen sprake is, kan er van een tekortschieten van Van [gedaagde] in de nakoming van een dergelijke overeenkomst evenmin sprake zijn.

4.2.

Volgens [eiser] heeft Van [gedaagde] in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW gehandeld door aan Rabobank in strijd met de op 29 augustus 2011 gemaakte afspraken, in strijd met haar toezeggingen, zonder enige noodzaak, wetende dat banken argwanend zijn tegenover werknemers met een stempel “integriteitsonderzoek” en met het kennelijk doel om [eiser] te schaden, vertrouwelijke en negatieve uitlatingen te doen.

De uitlatingen die Van [gedaagde] bij brief van 30 september 2011 heeft gedaan houden onder meer in dat [eiser] op 6 juni 2011 bij Van [gedaagde] op staande voet was ontslagen en dat Van [gedaagde] daartoe slechts overgaat bij zeer ernstige gedragingen die voor haar organisatie onacceptabel zijn. Het ontslag op staande voet was door Van [gedaagde] al bij brief van 26 juli 2011 aan Rabobank bekend gemaakt, zodat Van [gedaagde] van het doen van deze mededeling geen verwijt kan worden gemaakt. Het is eigen aan een dergelijk ontslag dat daartoe slechts bij zeer ernstige gedragingen kan worden overgegaan, zoals ook blijkt uit de wettelijke bepalingen dienaangaande, zodat de toevoeging van die strekking niet in strijd met goed werkgeverschap kan worden geacht. Dat Van [gedaagde] de ontbindingsbeschikking aan Rabobank heeft toegezonden is evenmin in strijd met goed werkgeverschap althans brengt die toezending niet mee dat Van [gedaagde] schadeplichtig zou zijn tegenover [eiser]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eiser] ter comparitie heeft verklaard dat hij de heer[A] van Rabobank heeft gebeld toen de beschikking was gegeven, dat hij hem in grote lijnen heeft gezegd wat er in de ontbindingsbeschikking stond en dat hij het hele verhaal open en eerlijk heeft verteld, ook het standpunt van Van [gedaagde] zoals dat in de beschikking stond. Van [gedaagde] heeft derhalve door toezending van de beschikking geen andere informatie aan Rabobank verstrekt dan [eiser] zelf al had gedaan.

Van handelen in strijd met goed werkgeverschap en aansprakelijkheid uit dien hoofde is derhalve geen sprake.

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat Van [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met een wettelijke plicht als neergelegd in de Wbp.

Hij heeft daartoe onder meer, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6 Wbp, gesteld dat Van [gedaagde] zonder enige noodzaak en in strijd met de geheimhoudingsovereenkomst zijn persoonsgegevens, vergezeld van negatieve suggesties, heeft verstuurd aan Rabobank en dat Van [gedaagde] daarnaast telefonisch persoonsgegevens heeft verstrekt aan Rabobank Nederland, hetgeen niet te verenigen is met de zorgvuldigheid die de wet eist. Voorts heeft [eiser] gesteld dat alle persoonsgegevens die Van [gedaagde] aan Rabobank heeft verstrekt, bij Van [gedaagde] bekend zijn in verband met zijn (voormalig) dienstverband. Volgens [eiser] is dit het doel waarvoor deze gegevens aan Van [gedaagde] zijn verstrekt en is het doel niet om een andere bank te voorzien van negatieve informatie over [eiser].

Van [gedaagde] heeft tot haar verweer onder meer aangevoerd dat [eiser] toestemming als bedoeld in artikel 8 onder a Wbp heeft gegeven om aan Rabobank relevante gegevens te verstrekken in het kader van het integriteitsonderzoek en dat is voldaan aan het vereiste van doelbinding als bedoeld in artikel 9 Wbp.

De gegevens waar [eiser] in dit verband op doelt betreffen de mededelingen van Van [gedaagde] over [eiser] aan Rabobank en Rabobank Nederland als hiervoor onder 2.8 en 2.9 genoemd. Nu het hier om gegevens gaat die [eiser] betreffen moeten deze gegevens worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van de Wbp.

[eiser] heeft Van [gedaagde] onherroepelijk schriftelijk toestemming gegeven om in verband met het door Rabobank uit te voeren integriteitsonderzoek relevante gegevens te verstrekken. Aan het bepaalde in artikel 8 onder a Wbp voor het verstrekken van persoonsgegevens is daarmee voldaan. Niet gebleken is dat [eiser] deze toestemming heeft ingetrokken. Dat het telefonisch verstrekken van persoonsgegevens aan Rabobank Nederland niet te verenigen is met de zorgvuldigheid die de wet vereist, is door [eiser] niet onderbouwd zodat daaraan verder voorbij zal worden gegaan.

Anders dan [eiser] heeft gesteld valt niet in te zien dat de verstrekking van zijn gegevens aan Rabobank en Rabobank Nederland neerkomt op een verwerking van zijn persoonsgegevens op een wijze die niet verenigbaar is met de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen. Dat de gegevens mede zijn verzameld om een toekomstige werkgever en een toezichthouder te informeren over het verloop van het dienstverband en de omstandigheden waaronder dit is beëindigd, volgt immers uit de omstandigheid dat [eiser] aan Van [gedaagde] toestemming heeft gegeven om in het kader van een integriteitsonderzoek relevante gegevens aan Rabobank als toekomstige werkgever te verstrekken en de op de ontbindingszitting gedane uitlatingen van Van [gedaagde], waarop [eiser] uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan, erop neerkomend dat aan de toezichthouder gegevens over het ontslag op staande voet kunnen worden verstrekt. Van verstrekking van persoonsgegevens van [eiser] in strijd met de doeleinden waarvoor deze zijn verkregen is geen sprake.

De slotsom van het voorgaande is dat Van [gedaagde] niet heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Wbp.

4.4.

[eiser] heeft gesteld dat Van [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het in hoge mate waarschijnlijk en voorzienbaar was dat [eiser] zijn proeftijd niet door zou komen na de verrichte zwartmakerij, dat de gevolgen voor [eiser] ernstig zouden zijn en dat het voor Van [gedaagde] niet bezwaarlijk was om zich te onthouden van de gewraakte mededelingen.

Van [gedaagde] heeft betwist dat zij [eiser] bewust in diskrediet heeft gebracht, dat het niet zo waarschijnlijk was dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] zou worden beëindigd, dat er geen sprake is van zwartmakerij en dat zij zich niet had kunnen onthouden van de mededeling op het tweede verzoek, gelet op de afspraken en verplichtingen van banken, zoals neer gelegd in haar Algemene Gedragscode, de Wet financieel toezicht en besluiten die daaruit voortvloeien, en het belang van [eiser].

4.4.1.

Van [gedaagde] kan niet worden geacht onzorgvuldig te hebben gehandeld door Rabobank op 30 september 2011 te hebben geïnformeerd op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Aan [eiser] is rechtsgeldig ontslag op staande voet verleend. Een dergelijk ontslag kan blijkens het bepaalde in artikel 7: 677 BW worden gegeven als er sprake is van een dringende reden, onder meer zoals genoemd in artikel 7:678 BW. De mededeling van Van [gedaagde] aan Rabobank, inhoudende dat zij enkel tot ontslag op staande voet overgaat bij zeer ernstige gedragingen die voor haar organisatie onacceptabel zijn, komt neer op weergave van het wettelijke criterium en kan daarom anders dan [eiser] heeft gesteld, niet worden aangemerkt als zwartmakerij. Voor wat betreft het meesturen door Van [gedaagde] aan Rabobank van de ontbindingsbeschikking geldt dat [eiser] volgens eigen zeggen zelf Rabobank van de volledige inhoud van de ontbindingsbeschikking, inclusief het standpunt van Van [gedaagde], op de hoogte heeft gesteld. Voorts staat vast dat de arbeidsovereenkomst is gesloten onder de ontbindende voorwaarde dat uit de ontbindingsprocedure geen informatie zou komen die tot een negatieve screening van [eiser] zou leiden, zoals [eiser] aan Van [gedaagde] tijdens de ontbindingszitting kenbaar had gemaakt, zodat aannemelijk was dat Rabobank zich nog nader zou informeren over de inhoud en uitkomst van de ontbindingsprocedure. Daarbij komt nog dat de advocaat van [eiser] ter comparitie heeft opgemerkt dat voor [eiser] niet eens zozeer de brief van Van [gedaagde] van 30 september 2011 het schadelijkst was, maar de mededelingen van Van [gedaagde] over [eiser] aan Rabobank Nederland. Het meesturen van de ontbindingsbeschikking aan Rabobank, waarvan de inhoud haar door toedoen van [eiser] al bekend was, kan daarom niet in strijd worden geacht met de zorgvuldigheid die Van [gedaagde] tegenover [eiser] in acht had te nemen.

4.4.2.

Voor wat betreft de mededeling van Van [gedaagde] aan Rabobank Nederland geldt dat het, gelet op de aandacht die onbetwist binnen de financiële wereld voor compliance bestaat, de inhoud van de mededelingen en de verhouding tussen Rabobank en Rabobank Nederland als haar toezichthouder, niet onwaarschijnlijk was dat deze mededelingen gevolgen zouden kunnen hebben voor het dienstverband van [eiser] bij Rabobank, in die zin dat Rabobank zou afzien van het aangaan dan wel voortzetten van het dienstverband met [eiser]. Het was voorzienbaar dat Rabobank Nederland naar aanleiding van de mededelingen van Van [gedaagde] navraag over [eiser] zou doen bij Rabobank en zich met Rabobank zou verstaan over het al dan niet in dienst nemen of houden van [eiser]. De gevolgen daarvan zouden voor [eiser] verstrekkend en schadelijk kunnen zijn. Uit de interne en externe regelgeving waarop Van [gedaagde] zich heeft beroepen volgt niet dat zij gehouden was haar eigen toezichthouder in kennis te stellen van het feit dat [eiser] bij Rabobank in dienst zou treden en evenmin volgt daaruit dat Van [gedaagde], al dan niet op verzoek van haar toezichthouder, gehouden was aan Rabobank Nederland te melden dat [eiser] als zijnde een bij haar op staande voet ontslagen werknemer in dienst ging treden bij Rabobank. Dat Van [gedaagde] zich daartoe niet gehouden achtte kan ook worden afgeleid uit de inhoud van haar uitlating tijdens de ontbindingszitting, meer in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat Van [gedaagde] geen verdere informatie aan Rabobank zou verstrekken, dat [eiser] weer aan de slag zou moeten kunnen en dat er alleen in het geval de AFM informatie zou opvragen of er een rechterlijk bevel zou worden gegeven, niet volstaan zou worden met een doorverwijzing naar [eiser]. Van een verzoek van AFM of een rechterlijk bevel was geen sprake.

Van [gedaagde] moet derhalve worden geacht te hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij tegenover [eiser] in acht had te nemen door Rabobank Nederland dat mede te delen dat bij Rabobank een (ex-)werknemer werkzaam was, dat Van [gedaagde] deze (ex-) werknemer op staande voet had ontslagen vanwege voor Van [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter.

4.5.

De stellingen van [eiser] ter zake het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van Van [gedaagde] en de door hem geleden schade komen er op neer dat meergenoemde mededeling van Van [gedaagde] aan Rabobank Nederland tot gevolg heeeft gehad dat de arbeidsovereenkomst tussen Rabobank en hem is beëindigd, omdat Rabobank Nederland naar aanleiding van die mededelingen nadere gegevens over [eiser] aan Rabobank heeft gevraagd en vervolgens op basis van die gegevens Rabobank heeft geadviseerd het dienstverband met [eiser] te beëindigen waarna Rabobank daartoe is overgegaan. Volgens [eiser] heeft de door Van [gedaagde] veroorzaakte inmenging van Rabobank Nederland ertoe geleid dat Rabobank de arbeidsovereenkomst met hem heeft beëindigd en zou Rabobank zonder die inmenging niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn overgegaan. Van [gedaagde] heeft dit oorzakelijk verband betwist.

Dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] zonder de inmenging van Rabobank Nederland niet zou hebben plaatsgevonden kan niet zonder meer worden aangenomen. De indiensttreding van [eiser] bij Rabobank had immers plaatsgevonden onder de ontbindende voorwaarde dat uit de rechtszaak van 29 augustus 2011 geen zaken naar voren zouden komen die een negatieve screening tot gevolg zouden hebben. Dit impliceert dat voortzetting van het dienstverband met Rabobank afhankelijk was van informatie die uit de ontbindingsprocedure naar voren zou komen. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij die informatie aan Rabobank had verstrekt en dat Rabobank op grond van die informatie geen aanleiding zag de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar nu dat is weersproken door Van [gedaagde], is dat niet komen vast te staan.

Het ligt op de weg van [eiser] om aan te tonen dat Rabobank de arbeidsovereenkomst met hem heeft beëindigd als gevolg van de door Van [gedaagde] veroorzaakte inmenging in zijn dienstverband met Rabobank. [eiser] heeft bewijs aangeboden en zal in de gelegenheid worden gesteld dit bij te brengen.

4.6.

De schade waarvan [eiser] vergoeding heeft gevorderd betreft onder meer het inkomen dat hij stelt te hebben gederfd nu zijn dienstverband met Rabobank niet tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft voortgeduurd. Vast staat dat er tussen Rabobank en [eiser] een arbeidsovereenkomst bestond voor de duur van één jaar. Volgens [eiser] zou hij na afloop van deze overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gekregen, hetgeen door Van [gedaagde] is betwist. Indien het causale verband komt vast te staan, ligt het op de weg van [eiser] om hiervan bewijs bij te brengen. Om proceseconomische redenen zal hij zal hiertoe thans reeds overeenkomstig zijn aanbod in de gelegenheid worden gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiser] op te bewijzen:

  • -

    dat zijn dienstverband met Rabobank is beëindigd als gevolg van de mededeling van Van [gedaagde] aan Rabobank Nederland dat er bij Rabobank een (ex-)werknemer van Van [gedaagde] werkzaam was, dat Van [gedaagde] deze (ex-)werknemer op staande voet had ontslagen vanwege voor Van [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter;

  • -

    dat Rabobank het dienstverband met [eiser] na afloop van de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar zou hebben voortgezet tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [eiser];

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 november 2013 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2013 tot en met februari 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.