Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6303

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
905143 \ CV EXPL 13-7212
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering van diaken tegen parochie wegens onregelmatig en kennelijk onredelijk ontslag.

De diaken is niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen de parochie. Indien ten tijde van het ontslag van de diaken nog een arbeidsovereenkomst tussen hem en de parochie bestond (dit is tussen partijen in geschil) dan geldt dat de diaken met de parochie had afgesproken dat dit soort geschillen eerst aan een kerkelijk scheidsgerecht moet worden voorgelegd voordat de diaken naar de burgerlijke rechter kan stappen. Die rechtsgang heeft de diaken niet gevolgd, zodat op die grond de diaken niet-ontvankelijk is.

Daarnaast weerspreekt de diaken niet, althans onvoldoende dat het kerkelijk statuut van toepassing is op zijn relatie met de parochie, dat daarin een kerkelijke rechtsgang is opgenomen en dat hij die rechtsgang ook volgt. Die procedure was op het moment dat in het onderhavige geschil de datum van het vonnis is bepaald nog niet afgerond. De kantonrechter is van oordeel dat mocht tussen de diaken en de Parochie geen arbeidsovereenkomst bestaan, de diaken op grond van het voorgaande evenzeer niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen omdat in dat geval de diaken de in het statuut voorgeschreven rechtsgang eerst in het geheel dient te doorlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/36
AR-Updates.nl 2013-0919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zaaknummer: 904217 \ CV EXPL 13-6913Kanton Eindhoven

Zaaknummer: 905143 \ CV EXPL 13-7212

Vonnis van 14 november 2013

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te[woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. T.M.A. Vervoort,

t e g e n:

het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

De Parochie H. Antonius-Avondmaal,

gevestigd te Best,

gedaagde,

gemachtigde: mr. V.J.A.W.A. Peters.

Partijen worden hierna “[eiser]” en “de Parochie” genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  1. de dagvaarding met producties;

  2. de conclusie van antwoord met producties;

  3. de rolbeslissing van 8 augustus 2013 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  4. e aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 10 oktober 2013 (hierna: de zitting) bij gelegenheid waarvan de gemachtigde van [eiser] een productie in het geding heeft gebracht.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – kort gezegd – uitvoerbaar bij voorraad betaling van:

  1. het restant (vanaf 4 april) salaris over de maand april van € 1.239,86 netto;

  2. het salaris over de maand mei van € 1.739,86 netto;

  3. het salaris over de maand juni van € 1.739,86 netto;

  4. e eindafrekening van € 4.412,54 netto;

  5. de maximale wettelijke verhoging van 50% over de bedragen genoemd onder a, b en d;

  6. de wettelijke verhoging over het salaris over juni;

  7. de wettelijke rente over de onder a tot en met f genoemde bedragen;

  8. een schadeloosstelling ten bedrage van € 163.788,13 bruto of een andere schadeloosstelling in goede justitie te bepalen,

met veroordeling van de Parochie in de kosten van de procedure.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Hij is op
24 augustus 1993 bij de Parochie in dienst getreden, aanvankelijk als pastoraal werker en later als diaken, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is het rechtspositiereglement voor pastoraal werkers (hierna: het Rechtspositiereglement) van toepassing. In juni 2011 heeft de bisschop aan het bestuur van de Parochie laten weten dat hij voornemens is de Parochie te doen fuseren met een aantal andere parochies. Het bestuur van de Parochie heeft aan de bisschop laten weten dat de (overgrote meerheid van de) parochianen en het bestuur een fusie niet zien zitten en niet instemmen met een fusie. [eiser] heeft zich aldoor loyaal, dienstbaar en coöperatief opgesteld richting parochianen en bestuur van de Parochie, zijn werkgever. De bisschop heeft [eiser] per 4 april 2013 ontslagen. [eiser] kan zich niet verenigen met het ontslag. Hij heeft bij de bisschop en de Parochie bezwaar gemaakt.
Daar de Parochie de formele werkgever is en ook de regelgeving van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing is, richt [eiser] zich tot de kantonrechter. [eiser] vraagt zich af of de bisschop bevoegd is hem te ontslaan. Het ontslag is onregelmatig omdat de wettelijke opzegtermijn niet in acht is genomen. Volgens artikel 12 van het Rechtspositiereglement bedraagt de opzegtermijn voor werkgever twee maanden. Daarmee is geen rekening gehouden. Ook is niet opgezegd tegen het einde van de maand. [eiser] vordert daarom doorbetaling van het loon over de maanden april, mei en juni 2013. Tevens vordert hij betaling van – kort gezegd – de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Verder is het ontslag kennelijk onredelijk. [eiser] is bijna twintig jaar in dienst. Hij heeft aldoor naar grote tevredenheid gefunctioneerd. Het kan niet zo zijn dat een bisschop zonder enige vorm van overleg en zonder zich maar enigszins te bekommeren een einde maakt aan de loopbaan van [eiser], enkel en alleen omdat het standpunt van het parochiebestuur en parochianen de bisschop onwelgevallig is. Hij heeft een leeftijd van 53 jaar en is zonder enige vergoeding op straat gezet. Hij is door zijn leeftijd kansloos op de arbeidsmarkt. Dit klemt te meer omdat hij niet in aanmerking komt voor een werkeloosheidsuitkering daar de Katholieke Kerk eigenrisicodrager is. De Katholieke Kerk draagt geen premies voor werknemersverzekeringen af. [eiser] vordert, met aansluiting bij de kantonrechtersformule, een bedrag van € 163.788,18 bruto aan schade wegens kennelijk onredelijk ontslag.

2.2.

De Parochie voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.

[eiser] is op 24 augustus 1993 in dienst getreden bij de Parochie in de functie van pastoraal werker. Op 30 september 1995 is hij door de bisschop van ’s-Hertogenbosch gewijd tot diaken van het bisdom. Daarmee valt hij onder het rechtstreekse gezag van de bisschop en is de op basis van zijn benoeming als pastoraal werker tussen de Parochie en hem bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden komen te vervallen. Er bestaat met de benoeming als diaken ook geen gezagsverhouding meer tussen de Parochie en [eiser], hetgeen ook moge blijken uit de benoemingsbrief, waarin de bisschop de leiding over de Parochie aan de diaken en de pastoor toevertrouwt. Door het ontbreken van een gezagsverhouding is er geen arbeidsovereenkomst en is het BW niet van toepassing. Dit moge ook blijken uit het feit dat op het honorarium vanaf de diakenwijding geen werknemersverzekeringen zijn ingehouden of afgedragen. De diaken is in de Parochie werkzaam enkel op basis van zijn benoeming/zending door de bisschop, die vrijelijk een kerkelijk ambt kan toewijzen dan wel iemand daaruit kan verwijderen, zonder tussenkomst van de Parochie. Hoewel tussen de Parochie en [eiser] een rechtsrelatie bestaat, wordt deze niet beheerst door Nederlands arbeidsrecht, maar door het kerkelijk recht. Op geen enkele wijze heeft de Parochie aan [eiser] ontslag aangezegd. Het is de bisschop die het ontslag heeft gegeven. [eiser] is daarom niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens de Parochie.

Mocht al geconcludeerd worden tot het bestaan van een dienstbetrekking tussen [eiser] en de Parochie en daarmee van de toepasbaarheid van het Rechtspositiereglement dan nog dient [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien het Rechtspositiereglement in artikel 42 bepaalt dat geschillen van rechtspositionele aard voorgelegd dienen te worden aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor Rechtspositionele Aangelegenheden dat een voor partijen bindende uitspraak doet en dat bij geschillen van kerkrechtelijke aard conform het kerkelijk recht hiërarchisch beroep ingesteld dient te worden. Slechts beslissingen over de geschillen kunnen aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd (artikel 42 lid 4 Rechtspositiereglement).

Voorts voert de Parochie aan dat geschillen tussen de kerk en haar gewijde bedienaren worden geregeld door het statuut (in dit geval het Kerkelijk Wetboek en de particulier kerkelijke wetgeving). Het bisdom, de Parochie en de diaken zijn gebonden aan het statuut. Tegen een decreet van de kerkelijke overheid (in deze het ontslag) staat bezwaar en beroep open bij de kerkelijke overheid en kerkelijke administratieve rechter (Congregatie voor de Clerus) aan wie volgens het kerkelijk recht de geschillenbeslechting is opgedragen. [eiser] dient eerst die rechtsgang te volgen, hetgeen hij door indiening van bezwaar en beroep ook heeft gedaan en is derhalve in zijn vordering bij de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk.

2.3.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna – voor zover nodig voor de beoordeling – ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of erkend en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

3.1.1.

Op 24 augustus 1993 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan op grond waarvan [eiser] per 1 september 1993 bij de Parochie in dienst trad als pastoraal werker. In de arbeidsovereenkomst is bepaald:

“(…)
Het Rechtspositiereglement voor pastoraal werkers in het bisdom van ’s-Hertogenbosch, alsmede de daarbij behorende bijlagen of regelingen, maken deel uit van deze overeenkomst. Partijen verklaren met de inhoud van voornoemd Rechtspositiereglement en de daarin genoemde bijlagen of regelingen bekend te zijn en hiermee akkoord te gaan.

(…)”

3.1.2.

Artikel 42 van het Rechtspositiereglement geeft een bijzondere regeling in geval van geschillen. Daarin is onder meer bepaald:

“(…) 2.a. Behalve geschillen en/of interpretatievragen van kerkrechtelijke aard als bedoeld in lid 3 worden alle overige geschillen en/of interpretatievragen van rechtspositionele aard, welke betrekking hebben op het rechtspositiereglement, de bijlagen of de regelingen of de arbeidsovereenkomst, voorgelegd aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden, dat een voor partijen bindende uitspraak doet. (…)

3.a. Ten aanzien van geschillen en/of interpretatievragen van kerkrechtelijke aard, welke betrekking hebben op de betekenis, de rechtskracht en/of de bevoegdheden op grond van kerkelijk recht ten aanzien van het rechtspositiereglement (…) of de arbeidsovereenkomst wordt conform het kerkelijk recht hiërarchisch beroep ingesteld.

4. Beslissingen over geschillen, als bedoeld in lid 2 en 3, kunnen altijd ter beoordeling worden voorgelegd aan de rechter. (…)”

3.1.3.

Op 30 september 1995 is [eiser] door de bisschop van ’s-Hertogenbosch gewijd tot diaken van het bisdom. In een brief van diezelfde datum schrijft de bisschop van
’s-Hertogenbosch aan [eiser]:

“(…) In vervolg op uw wijding tot permanent diaken van het bisdom ’s-Hertogenbosch op zaterdag 30 september jl. benoem ik u bij deze met ingang van 1 oktober 1995 tot permanent diaken van de parochies (onder andere de Parochie, kantonrechter) overeenkomstig canon 517 par. 2 C.I.C. Voor het pastorale werk dat u als pastoraal werker de afgelopen twee jaar (…) met toewijding hebt verricht wil ik u van harte danken. Ik draag u op om samen met de zeereerwaarde pater [naam], pastoor van beide parochies (onder andere de Parochie, kantonrechter) (…) de gelovigen van de u mede toevertrouwde parochies te leiden en te helpen door het Woord van God te verkondigen (…). De beide besturen heb ik van uw benoeming in kennis gesteld. (…)”

3.1.4.

Bij brief van 3 april 2013 van het Bisdom van ’s-Hertogenbosch (hierna: het Bisdom) is [eiser] per 4 april 2013 ontslagen als diaken van de Parochie.

3.1.5.

Bij brief van 5 april 2013 heeft [eiser] bezwaar gemaakt bij het Bisdom tegen zijn ontslag zoals aangezegd bij de brief genoemd onder 3.1.4.

3.1.6.

Bij brief van15 april 2013 heeft [eiser] bezwaar gemaakt bij de Parochie tegen zijn ontslag. In die brief stelt [eiser] – kort gezegd – dat sprake is van onregelmatig ontslag alsmede dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

3.1.7.

Bij brief van 8 mei 2013 van het Bisdom aan [eiser] heeft het Bisdom beslist dat het bezwaar tegen zijn ontslag ongegrond is. In de brief is ook vermeld dat tegen voornoemde beslissing van het Bisdom beroep kan worden aangetekend bij de bisschop van ’s-Hertogenbosch, die het beroep naar de bevoegde hiërarchisch hogere instantie te Rome moet doorzenden.

3.1.8.

[eiser] heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van 8 mei 2013 van het Bisdom. Zijn beroep is doorgestuurd naar de hiërarchisch hogere instantie te Rome. Ten tijde van de zitting was die procedure nog niet afgerond.

3.1.9.

Bij brief van 30 mei 2013 heeft het Bisdom namens de Parochie gereageerd op de brief van 15 april 2013 van [eiser] aan de Parochie (zie hiervoor onder 3.1.6.).

3.2.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgerlijke rechter (de kantonrechter) bevoegd is om over het onderhavige geschil te beslissen. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat het door hem gevorderde bedrag van € 4.412,54 (zie hiervoor onder 2.1.d) is voldaan. Die vordering zal derhalve worden afgewezen.

3.3.

Aan de door [eiser] opgeworpen vraag of de bisschop bevoegd was hem te ontslaan omdat de Parochie zijn werkgever was, gaat de kantonrechter voorbij. Ter zitting heeft [eiser] verklaard te berusten in het gegeven ontslag, zodat niet aan de door hem opgeworpen vraag wordt toegekomen.

3.4.

Tussen partijen is onder meer het volgende in geschil:

  • -

    Bestond ten tijde van het ontslag tussen [eiser] en de Parochie een arbeidsovereenkomst?

  • -

    Dient [eiser] eerst een kerkelijke rechtsgang te volgen en in hoeverre leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen?

3.5.

De Parochie voert op verschillende gronden aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil stelt de kantonrechter het volgende voorop. Ingevolge artikel 2:2 BW worden kerkgenootschappen geregeerd door hun eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. De Parochie valt onder het bepaalde in artikel 2:2 lid 1 BW. Dit brengt met zich mee dat als in een statuut de geschillenbeslechting is opgedragen aan de kerkelijke rechter de partijen bij een geschil dat kerkrechtelijke en/of civielrechtelijke aspecten heeft in beginsel deze rechtsgang dienen te volgen. Indien niet eerst die rechtsgang wordt gevolgd, leidt dit in beginsel tot niet-ontvankelijkheid. Zwaarwegende omstandigheden kunnen maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de rechtzoekende te vergen de kerkelijke rechtsgang te volgen. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat het statuut voor het betreffende geschil geen voorschriften bevat of dat de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van procesrecht.

3.6.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] – zoals uit zijn stellingen blijkt – de tussen hem en de Parochie bestaande arbeidsovereenkomst ten grondslag. De Parochie stelt, zoals gezegd, dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en dat de Parochie [eiser] niet heeft ontslagen zodat [eiser] in zijn vorderingen jegens de Parochie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voorts voert de Parochie aan dat mocht al sprake zijn van een dienstbetrekking [eiser] ook niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vorderingen, omdat alsdan – kort gezegd – artikel 42 van het Rechtspositiereglement een aparte procedure voorschrijft.

Ter zitting heeft [eiser] in reactie daarop weersproken dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en heeft hij (onder verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep) aangevoerd dat het geestelijke karakter van de functie niet in de weg staat aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat nu er een arbeidsrechtelijke relatie bestaat de kantonrechter bevoegd is. Hij heeft meer vertrouwen in de burgerlijke rechtsgang dan in de kerkelijke rechtsgang. Bovendien, althans zo begrijpt de kantonrechter het betoog van [eiser], verdient [eiser] de bescherming van het BW gezien de problemen waarin hij terecht is gekomen.

3.7.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Indien als uitgangspunt moet worden genomen dat tussen [eiser] en de Parochie nog een arbeidsovereenkomst bestond op het moment van zijn ontslag, dan geldt dat [eiser] onvoldoende weerspreekt dat alsdan het Rechtspositiereglement van toepassing is. Daarin is een bijzondere rechtsgang opgenomen in geval van – kort gezegd – geschillen en/of interpretatievragen van rechtspositionele aard, welke betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst. Die geschillen moeten worden voorgelegd aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden (zie hiervoor onder 3.1.2). De kantonrechter begrijpt uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht dat die procedure niet is gevolgd. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.5. leidt dit ertoe dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat hij eerst die rechtsgang had moeten volgen. Gesteld noch gebleken is dat er zwaarwegende omstandigheden zijn die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken om van [eiser] te vergen die kerkelijke rechtsgang te volgen. Bovendien kunnen beslissingen van het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. In zoverre wordt [eiser] ook niet de gang naar de burgerlijke rechter onthouden. Een dergelijke beslissing is er echter (nog) niet. Het feit dat [eiser] meer vertrouwen heeft in de burgerlijke rechter is onvoldoende om zwaarwegende omstandigheden aan te nemen. Hetzelfde geldt voor de niet nader gemotiveerde problemen die [eiser] stelt te hebben. De kantonrechter laat overigens in het midden of ten tijde van het ontslag tussen [eiser] en de Parochie nog een arbeidsovereenkomst bestond, te meer omdat geschillen en interpretatievragen van rechtspositionele aard welke betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst aan het Bisschoppelijk Scheidsgerecht voor rechtspositionele aangelegenheden dienen te worden voorgelegd.

3.8.

Indien als uitgangspunt moet worden genomen dat tussen [eiser] en de Parochie geen arbeidsovereenkomst meer bestond, geldt het volgende. De Parochie stelt dat [eiser] als diaken in de Parochie enkel werkzaam is op basis van zijn benoeming/zending door de bisschop en dat de relatie tussen de Parochie en [eiser] wordt beheerst door kerkelijk recht. De Parochie en de diaken zijn gebonden aan het statuut (in dit geval het Kerkelijk Wetboek en de particuliere kerkelijke wetgeving) en dat statuut bevat regels in geval van geschillen tussen de kerk en haar dienaren, aldus de Parochie. Het betoog van de Parochie dient voorts zo te worden begrepen dat [eiser] door het volgen van de procedure van de kerkelijke geschillenbeslechting erkent dat hij gebonden is aan het statuut en de daarin genoemde rechtsgang. [eiser] weerspreekt niet, althans onvoldoende dat het statuut van toepassing is, dat daarin een kerkelijke rechtsgang is opgenomen en dat hij die rechtsgang ook volgt. Die procedure was op het moment dat in het onderhavige geschil de datum van het vonnis is bepaald nog niet afgerond. De kantonrechter is van oordeel dat mocht tussen [eiser] en de Parochie geen arbeidsovereenkomst bestaan, [eiser] op grond van het voorgaande evenzeer niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen omdat in dat geval [eiser] de in het statuut voorgeschreven rechtsgang eerst in het geheel dient te doorlopen. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter naar haar oordeel in rechtsoverweging 3.5.

3.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Parochie tot op heden vastgesteld op nihil. Het Bisdom heeft namens de Parochie verweer gevoerd en niet is gebleken dat sprake is van een gemachtigde in de zin van artikel 238 lid 2 Rv.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering tot betaling van de eindafrekening van € 4.412,54 af;

verklaart [eiser] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Parochie tot op heden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2013.