Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6235

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C/01/251200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Incident (on)bevoegdheid bewijs videoconferentie of niet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/251200 / HA ZA 12-733

Vonnis in incident van 30 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[onderneming A] B.V.,

gevestigd te Oss,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. E.H.H. Schelhaas te ‘s-Hertogenbosch

tegen

de vennootschap naar Duits recht

[onderneming B],

gevestigd te Aue (Duitsland),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.F.M.J. Mathijsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [onderneming A] en [onderneming B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in het incident van 3 juli 2013

  • -

    de aktes van [onderneming B] en [onderneming A] d.d. 31 juli 2013

  • -

    de akte van [onderneming A] d.d. 28 augustus 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De verdere beoordeling in het incident

2.1.

Bij het tussenvonnis van 3 juli 2013 is [onderneming B] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over rechtstreekse bewijsverkrijging door deze rechtbank en opgave te doen van namen en adresgegevens van de getuigen. Tevens kon [onderneming B] zich erover uitlaten welke vragen zij aan de getuigen gesteld zou willen zien. [onderneming A] is in de gelegenheid gesteld om zich op dezelfde rol erover uit te laten welke vragen zij aan de getuigen gesteld zou willen zien.

2.2.

[onderneming B] heeft in haar akte van 31 juli 2013 te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het in het tussenvonnis van 3 juli 2013 door de rechtbank gegeven voorlopig oordeel dat een rechtstreekse bewijsverkrijging via videoconferentie door deze rechtbank, zoals voorgesteld door [onderneming A], de voorkeur verdient boven een rogatoire commissie, zoals verzocht door [onderneming B]. Volgens [onderneming B] wordt de voor een getuigenverhoor kenmerkende directe interactie tussen de rechtbank, partijen, raadslieden en getuigen, die wel in enquête mogelijk was, door de videoconferentie ernstig beperkt. Ook is [onderneming B] van mening dat het op voorhand opgeven van de te stellen vragen leidt tot scheefgroei in de verhouding tussen [onderneming B]’s voorbereidingsmogelijkheden op de enquête en de voorbereidingsmogelijkheden van [onderneming A] op de contra-enquête. [onderneming B] is dan ook van mening dat zij in een dusdanig nadeligere positie wordt gesteld ten opzichte van de positie van [onderneming A], dat het rechtsbeginsel van “level playing field” en “equality of arms” wordt geschonden.

[onderneming B] heeft de namen van vier in Duitsland woonachtige getuigen opgegeven. Zij heeft echter niet, zoals door de rechtbank verzocht de volledige adressen en (zo mogelijk) telefoonnummers en e-mailadressen opgegeven.

[onderneming B] heeft de rechtbank verzocht over te gaan tot het (laten) aanstellen van een rogatoire commissie bij het rechtens aan te wijzen Gerecht in de Bondrepubliek Duitsland nu (rechtstreekse) bewijsverkrijging middels een videoconferentie inbreuk maakt op de gelijke positie van partijen in de procedure. Voorts heeft [onderneming B] verzocht te worden toegelaten tot het instellen van appel tegen het vonnis, indien de rechtbank bij haar voorlopig oordeel blijft.

2.3.

[onderneming A] heeft in haar akte van 31 juli 2013 een aantal aan de getuigen te stellen vragen opgegeven. Aangezien [onderneming A] niet in de gelegenheid was om in haar akte van 31 juli 2013 te reageren op de door [onderneming B] in haar akte van 31 juli 2013 aangevoerde bezwaren, heeft [onderneming A] de gelegenheid gekregen zich bij akte daaromtrent alsnog uit te laten. In haar akte van 28 augustus 2013 heeft [onderneming A], kort gezegd, aangevoerd dat de bezwaren van [onderneming B] geen hout snijden.

2.4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Zoals [onderneming A] terecht opmerkt, was [onderneming B] niet verplicht de aan de getuigen te stellen vragen op te geven, zij kon dit doen. [onderneming B] is hierdoor niet in een nadeligere positie gesteld ten opzichte van de positie van [onderneming A].

Het beginsel van fair trial vereist dat alle bij de bodemprocedure betrokken getuigen door dezelfde rechter volgens dezelfde regels worden gehoord (HR 28-6-2013, ECLI:NL:HR:2013:36). Nu de door [onderneming A] voorgebrachte getuigen reeds door deze rechtbank zijn gehoord, zullen ook de door [onderneming B] aangedragen getuigen door deze rechtbank dienen te worden gehoord. De rechtbank zal dus geen rogatoire commissie in Duitsland aanstellen.

Uit HvJEU 6 september 2012, LJN BX7408) volgt dat de EG-bewijsverordening niet exclusief is en dat de rechtbank de in Duitsland woonachtige getuigen mag oproepen voor haar te verschijnen en hen mag horen overeenkomstig Nederlands recht.

2.5.

Aangezien § 128a Zivilprozessordnung vereist dat partijen instemmen met het horen van getuigen door middel van videoconferentie, zal thans aan [onderneming B] worden gevraagd in te stemmen met directe bewijsverkrijging door deze rechtbank en wel door het horen van de door [onderneming B] voorgedragen getuigen middels videoconferentie. Gelet op artikel 17 lid 5 in verband met artikel 4 lid 1 van de EG-bewijsverordening kan het verzoek om rechtstreekse bewijsverkrijging worden geweigerd, indien bijvoorbeeld de adressen van de te verhoren personen ontbreken. Indien [onderneming B] instemt met de videoconferentie, dient zij daarom alsnog opgave te doen van de adresgegevens van de getuigen.

2.6.

Indien [onderneming B] niet instemt met de videoconferentie, zal een datum worden bepaald voor het horen van de getuigen door deze rechtbank in de zittingslocatie ‘s-Hertogenbosch.

2.7.

Voor beide gevallen dienen partijen de verhinderdata van henzelf en dient [onderneming B] de verhinderdata van de getuigen in de maanden januari, februari, maart en april 2014 op te geven.

2.8.

Het verzoek tot het tussentijds openstellen van hoger beroep wordt afgewezen, aangezien hoger beroep thans nodeloze vertraging zou opleveren.

2.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 november 2013 voor uitlating van [onderneming B] omtrent hetgeen hiervoor onder 2.5. is overwogen en voor het opgeven van verhinderdata in de maanden januari, februari, maart en april 2014 zoals hiervoor onder 2.7 aangegeven,

3.2.

wijst het verzoek tot het tussentijds openstellen van hoger beroep af,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de hoofdzaak

3.4.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op oktober 2013.