Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6229

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C/01/269028 en C/01/269092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: positie bewindvoerder in ontruimings kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis in kort geding in gevoegde zaken van 9 oktober 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/269028 / KG ZA 13-676 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.J.P.M. Peijnenburg te Eindhoven,

tegen

de stichting

STICHTING TRUDO,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/01/269092 / KG ZA 13-680 van

de stichting

STICHTING TRUDO,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CRESCENDO INKOMENS- EN VERMOGENSBEHEER B.V., in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van [eiser],

wonende te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. E. Peijnenburg te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser], Trudo en de bewindvoerder genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak tussen [eiser] en Trudo (zaaknummer / rolnummer: 269028 / KG ZA 13-676) blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Trudo

  • -

    de eis in reconventie.

Het verloop van de procedure in de zaak tussen Trudo en de bewindvoerder (zaaknummer / rolnummer: 269092 / KG ZA 13-680)

blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Trudo.

1.2.

Ten slotte is vonnis in beide zaken bepaald. Gelet op de samenhang tussen beide kort gedingen heeft de voorzieningenrechter de zaken feitelijk gevoegd. Het onder 2. genoemde feitencomplex ziet dan ook op beide zaken.

2 De feiten

2.1.

Tussen Trudo als verhuurder en [eiser] als huurder heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] te Eindhoven (hierna: de woning).

2.2.

Bij beschikking van 8 mei 2007 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen met uitzondering van inboedelgoederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [eiser] en daarbij Crescendo Inkomens- en vermogensbeheer B.V. als bewindvoerder benoemd.

2.3.

Bij vonnis van 27 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in kort geding op vordering van Trudo [eiser] veroordeeld de woning te ontruimen wegens overlast.

2.4.

Op 16 september 2011 is de woning door [eiser] ontruimd. Daarbij zijn enige goederen van [eiser], zoals een piano, in opdracht van Trudo elders opgeslagen en de overige goederen van [eiser] zijn door [eiser] - overigens met toestemming van de bewindvoerder - op een andere plaats opgeslagen.

2.5.

In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 20 december 2011 het vonnis in eerste aanleg van 27 juli 2011 vernietigd en daarbij onder meer overwogen dat naar het voorlopig oordeel van het hof [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er niet zonder meer van uitgegaan kan worden dat het aandeel van [eiser] in ongeregeldheden zodanig overheersend is geweest dat dit een ontruiming in kort geding rechtvaardigt. Een dergelijke voorziening dient naar het oordeel van het hof met terughoudendheid te worden toegepast. Wanneer sprake is van een structureel tekortschieten door een huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst, biedt in het algemeen een bodemprocedure bij de kantonrechter, waarbij zowel de ontbinding van die huurovereenkomst als de ontruiming van het gehuurde gevorderd kunnen worden, de meest gepaste procedure, ook al omdat in een bodemprocedure de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand onderzocht kunnen worden en een veroordeling tot ontruiming verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokkene, aldus het hof.

2.6.

Zowel in de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep is geen melding gemaakt van de hiervoor onder 2.2 genoemde beschikking van de kantonrechter met betrekking tot de onderbewindstelling.

2.7.

Enige tijd nadat het hof het arrest heeft gewezen is [eiser] naar de woning teruggekeerd en heeft in deze woning enige (nieuw aangeschafte) goederen geplaatst.

2.8.

Vervolgens heeft Trudo [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter waarbij (in conventie) in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst met bevel tot ontruiming is gevorderd omdat [eiser] ernstige overlast zou veroorzaken.
[eiser] heeft (in reconventie) onder meer schadevergoeding gevorderd wegens zijn (onrechtmatige) ontruiming uit de woning naar aanleiding van het eerder genoemde vonnis van de voorzieningenrechter.

2.9.

Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter (in conventie) Trudo opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat [eiser] zodanige overlast heeft veroorzaakt dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

2.10.

Op enig moment heeft de kantonrechter tijdens deze bodemprocedure kennis genomen van het feit dat ten aanzien van [eiser] bewind is ingesteld over zijn goederen met uitzondering van diens inboedelgoederen.

2.11.

Bij eindvonnis van 22 augustus 2013 heeft de kantonrechter na het horen van zeven getuigen in conventie de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld om de woning met medeneming van zijn inboedel binnen een maand na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen.
Ter zake van de onderbewindstelling overweegt de kantonrechter in conventie:

“De kantonrechter merkt nog op dat gebleken is dat ten aanzien van [eiser] bewind is ingesteld over alle goederen met uitzondering van diens inboedelgoederen. Nu de vordering is gebaseerd op gedragingen van niet vermogensrechtelijke aard van [eiser] en ziet op ontbinding en ontruiming van het gehuurde, acht de kantonrechter Trudo ontvankelijk in haar vorderingen jegens [eiser].”

In reconventie heeft de kantonrechter Trudo veroordeeld tot betaling van € 6.750,- vanwege de onrechtmatige ontruiming hangende het hoger beroep in de kort gedingprocedure.
Ter zake van de onderbewindstelling overweegt de kantonrechter in reconventie:

“De kantonrechter is inmiddels gebleken dat met betrekking tot [eiser] een bewind is ingesteld over alle goederen met uitzondering van diens inboedelgoederen. Nu hier sprake is van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad en de vordering voorts ziet op schade aan inboedelgoederen, acht de kantonrechter geen termen aanwezig om in deze stand van de procedure aan het ingestelde bewind nog procesrechtelijke consequenties te verbinden.”

2.12.

Op 9 september 2013 heeft Trudo het vonnis in de bodemprocedure laten betekenen en daarbij de gerechtelijke ontruiming aangezegd op 10 oktober 2013 om 9.00 uur.

2.13.

[eiser] heeft naar aanleiding van het door de kantonrechter gewezen vonnis Trudo nog niet aangesproken op betaling van de schadevergoeding en Trudo heeft daar ook uit eigen beweging nog geen gevolg aan gegeven.

3 Het geschil

In de zaak tussen [eiser] en Trudo (zaaknummer / rolnummer: 269028 / KG ZA 13-676)



In conventie

3.1.

[eiser] vordert in dit kort geding, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. Trudo te verbieden tot ontruiming van de woning van [eiser] over te gaan zolang niet in hoger beroep arrest is gewezen dat in kracht van gewijsde is gegaan;

2. Trudo te gelasten om, althans voor de duur van de procedure in hoger beroep, aan [eiser] terstond een huurovereenkomst aan te bieden voor de huidige woning, zulks op de huidige condities en onder de huidige voorwaarden, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;
3. de termijn te bepalen waarop de dagvaarding in hoger beroep moet worden uitgebracht;

subsidiair
4. Trudo te verbieden tot ontruiming van de woning van [eiser] over te gaan, al dan niet onder nader door de voorzieningenrechter te stellen voorwaarden;
5. Trudo te gelasten zich te onthouden van elk beperkend dan wel bezwarend handelen of nalaten dat het woongenot van [eiser] aantast;
een en ander onder oplegging van een dwangsom voor het geval Trudo de onder sub 2 en sub 5 genoemde vorderingen overtreedt en met veroordeling van Trudo in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt dat de kantonrechter in de bodemprocedure bijna alleen studenten uit de aan de woning van [eiser] grenzende studentenwoning heeft gehoord en het geleverde bewijs onjuist heeft gewaardeerd.
Bovendien stelt [eiser] dat de bewindvoerder in de procedure die leidde tot het vonnis van 22 augustus 2013 in het geding had moeten worden betrokken in welk verband hij verwijst naar uitspraken van diverse rechtbanken en hoven waaruit blijkt dat over dit aspect weinig rechtseenheid bestaat en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld waarvan de beantwoording moet worden afgewacht.

Tot slot stelt [eiser] dat hij als gevolg van de ontbinding van de huurovereenkomst en (dat vooral) de ontruiming opnieuw in een positie zal geraken dat hij daklozenopvang behoeft gedurende langere tijd. [eiser] is weliswaar na het arrest van het hof van de “sanctielijst” verwijderd maar het leed is al geschied omdat hij al bekend staat als “zwart schaap”. Deze situatie - zo begrijpt de voorzieningenrechter – levert volgens [eiser] een noodtoestand op.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingegaan.



In reconventie

3.4.

Trudo vordert in dit kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [eiser] te verbieden tot tenuitvoerlegging van het vonnis ten aanzien van de reconventionele vordering over te gaan zolang niet in hoger beroep onherroepelijk op deze vordering is beslist;
2. [eiser] te veroordelen om uiterlijk 10 oktober 2013 de door Trudo opgeslagen zaken, welke eigendom zijn van [eiser] op te halen onder verbeurte van een dwangsom voor het geval hij nalaat aan het gevorderde te voldoen;
een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.5.

Indien en voorzover in dit geschil een inhoudelijke beoordeling plaatsvindt over de positie van de bewindvoerder, stelt Trudo dat de bodemrechter [eiser] ten aanzien van de ingestelde vorderingen ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Daarom moet het door Trudo gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging van het vonnis ten aanzien van de veroordeling van Trudo in reconventie om schade te vergoeden worden toegewezen totdat deze schadevergoeding onherroepelijk vaststaat.

Verder heeft Trudo nog steeds zaken van [eiser] opgeslagen. Trudo heeft kosten van opslag in de bodemprocedure gevorderd zodat dit voor [eiser] aanleiding had moeten zijn deze zo spoedig mogelijk op te halen uit de opslag. Ook in verband met de nu aan de orde zijnde ontruiming heeft Trudo [eiser] verzocht deze zaken op te halen dan wel voor betaling van de opslagkosten zorg te dragen. Trudo wenst deze zaak af te wikkelen en is niet bereid om nog langer voor opslag van [eiser] zorg te dragen zonder dat er enige betaling van de opslagkosten plaatsvindt of zekerheid voor betaling van deze kosten bestaat.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingegaan.

In de zaak tussen Trudo en de bewindvoerder van [eiser] (zaaknummer / rolnummer: 269092 / KG ZA 13-680)


Trudo vordert in dit kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. de bewindvoerder van [eiser] te veroordelen om de op basis van het vonnis in de bodemzaak met zaaknummer 802769 en rolnummer 12-293, gewezen tussen Trudo en [eiser] uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van de woning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] te gehengen en gedogen en voorts om uiterlijk 10 oktober 2013 uit de woning alle tot onder het bewind vallende zaken te (doen) verwijderen;
een en ander met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten waaronder nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.

3.7.

Trudo stelt voorop dat de vorderingen zoals deze in de bodemprocedure zijn ingesteld terecht enkel tegen [eiser] zijn ingesteld en [eiser] voor zichzelf in die procedure kon optreden. Als de voorzieningenrechter zou oordelen dat de bewindvoerder in de bodemprocedure betrokken had moeten zijn, stelt Trudo dat in dat geval enkel een vordering tot het gehengen en gedogen jegens de bewindvoerder had kunnen worden ingesteld.

Aangezien de bewindvoerder nimmer heeft aangegeven een toe te wijzen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet te gehengen en te gedogen, bestond er voor Trudo geen reden tot het instellen van een dergelijke vordering.

Zekerheidshalve, mede gelet op het standpunt van [eiser], betrekt Trudo de bewindvoerder in dit geding met de vordering dat de bewindvoerder het (ontruimings)vonnis van de kantonrechter zal gehengen en gedogen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Aan de orde zijn twee kort gedingen. Gelet op de grote samenhang tussen beide zaken heeft de voorzieningenrechter besloten de zaken feitelijk te voegen en een vonnis te wijzen.

In de zaak tussen [eiser] en Trudo (zaaknummer / rolnummer: 269028 / KG ZA 13-676)

in conventie

4.1.

De voorzieningenrechter stelt de maatstaf van de beoordeling van een geschil als het onderhavige voorop. In een executiegeschil met betrekking tot een voor voorlopige tenuitvoerlegging vatbaar vonnis als hier aan de orde, kan de rechter slechts staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om (in afwachting van de uitslag van het hoger beroep) tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984/145).

De beoordelingsruimte van de rechter in een executie kort geding is dus (zeer) beperkt.

4.2.

Voorzover [eiser] zich beklaagt over het feit dat de kantonrechter hoofdzakelijk studenten uit de aan de woning van [eiser] grenzende studentenwoning als getuigen heeft gehoord en de wijze waarop de kantonrechter het aangeleverde bewijs heeft gewaardeerd, kan dit betoog hem gelet op de onder 4.1 genoemde maatstaf niet baten. Trudo heeft in de bodemprocedure zeven getuigen doen horen. Uit het vonnis (r.o. 2.3) blijkt dat [eiser] bij brieven heeft aangegeven de getuigenverhoren niet bij te wonen en hij heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen gebruik gemaakt van zijn recht om (van zijn kant) getuigen te horen. De inhoud van de afgelegde verklaringen en de overige door de kantonrechter aangehaalde feiten en omstandigheden rechtvaardigen bepaald niet de conclusie dat sprake is van een klaarblijkelijke (juridische) misslag.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het oordeel van de kantonrechter dat Trudo in haar vorderingen jegens [eiser] ontvankelijk is en het (impliciete) oordeel dat zijn bewindvoerder in deze procedure niet betrokken hoefde te worden.
De kantonrechter heeft gemotiveerd dat de vordering is gebaseerd op gedragingen van niet vermogensrechtelijke aard in welk geval [eiser] voor zichzelf kan optreden.

Deze overweging is overigens ook in lijn met het arrest van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 14 februari 2012, LJN: BV6096) waarin het hof in een vergelijkbare zaak heeft vastgesteld dat de inzet van het geding niet het huurrecht als vermogensobject is maar het huurrecht als verbintenisrechtelijke relatie met de daaruit voortvloeiende verplichting tot ontruiming, in welk geval de rechthebbende in die procedure dus voor zichzelf kon optreden.

[eiser] kan worden toegegeven dat elders in het land hier anders tegenaan gekeken wordt maar dit gegeven kan, gelet op de onder 4.1 genoemde maatstaf, geen reden zijn de executie van vonnis te verbieden totdat de Hoge Raad hierover duidelijkheid heeft gegeven.

4.3.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

In het door [eiser] aangehaalde arrest van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 13 april 2010, LJN: BM1464, waarin dit hof overwoog dat de bewindvoerder op grond van art. 1:441 lid 1 BW de rechthebbende bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte vertegenwoordigt en dat ook de rechten die rechthebbende kan ontlenen aan de huurovereenkomst met de verhuurder onder het bereik van het bewind vallen, wordt de soep niet zo heet gegeten als die wordt opgediend. Ook in die zaak heeft de rechthebbende de gelegenheid gekregen om alsnog machtiging van de bewindvoerder te krijgen voor het voeren van die procedure. Op deze wijze heeft dit hof enerzijds aangesloten bij de regeling als bedoeld in art. 1:438 lid 2 jo. art. 1:440 BW over de beschikkingsonbevoegdheid van de rechthebbende zelf en anderzijds bij de algemene notie dat de bescherming van de rechthebbende niet verder dient te reiken dan noodzakelijk is.

In dit (executie)geschil is door Trudo de bewindvoerder in dit geding opgeroepen.

Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft de bewindvoerder zijn standpunt naar voren gebracht en daarbij heeft hij ook zijn visie gegeven op de bodemprocedure bij de kantonrechter. De bewindvoerder heeft in zijn woorden aangegeven dat in de bodemprocedure aan de orde is de vraag of [eiser] al of niet netjes met de buurt omgaat. Ten aanzien van deze vraag heeft de bewindvoerder verklaard dat hij hierin geen taak heeft omdat dit geschil niet van de vermogensrechtelijke aard is.

Als de bewindvoerder al gehouden was als procespartij in de bodemprocedure op te treden, is het in dit licht bezien weinig aannemelijk dat zijn aanwezigheid in die procedure tot een ander oordeel zou hebben geleid.

4.4.

Evenmin is er sprake van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Alle door [eiser] genoemde omstandigheden waren op het moment dat de kantonrechter eindvonnis wees al bekend en hij heeft deze meegewogen wat onder meer blijkt uit de langere ontruimingstermijn dan gevorderd.

De vorderingen die in de kern allemaal zien op het tegengaan van de (dreigende) executie zullen daarom worden afgewezen.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Trudo worden begroot op:

- griffierecht €  575,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal €  1.391,00.



in reconventie


4.6. Ten aanzien van het door Trudo gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging over te gaan van het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft de veroordeling van Trudo in reconventie tot betaling van een schadevergoeding, begrijpt de voorzieningenrechter de vordering, gelet op de gegeven toelichting, aldus dat deze wordt ingesteld onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter in conventie tot het inhoudelijke oordeel komt dat niet [eiser] maar de bewindvoerder in de bodemprocedure in rechte betrokken had moeten worden.

Nu deze voorwaarde niet is ingetreden behoeft deze vordering geen nadere bespreking meer.

4.7.

Ten aanzien van de vordering van Trudo om uiterlijk 10 oktober 2013 de door Trudo opgeslagen zaken, welke eigendom zijn van [eiser] op te halen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De in opdracht van Trudo opgeslagen goederen van [eiser] hebben onder meer betrekking op een piano waarvan [eiser] stelt dat deze in opdracht van Trudo op onzorgvuldige wijze is vervoerd.

In dit geval is dit verweer relevant nu de kantonrechter in de bodemprocedure nadrukkelijk heeft overwogen dat de ontruiming van [eiser] door Trudo hangende de beroepsprocedure onrechtmatig is geweest en [eiser] in verband hiermee een schadevergoeding van € 6.750,- heeft toegekend.
Het ligt voor de hand dat eerst vastgesteld wordt in welke staat de in opdracht van Trudo vervoerde goederen zich bevinden en eerst wanneer hierover duidelijkheid bestaat kan van [eiser] worden verlangd dat hij deze ophaalt.
De stelling van Trudo dat zij niet bereid is om nog langer voor opslag van [eiser] toebehorende goederen zorg te dragen zonder dat er enige betaling van de opslagkosten plaatsvindt of zekerheid voor betaling van deze kosten bestaat, is voor het vragen van een spoedvoorziening opmerkelijk en weinig steekhoudend. Immers tijdens de behandeling is komen vast te staan dat Trudo de schadevergoeding in verband met de onrechtmatige ontruiming van € 6.750,- nog niet aan [eiser] heeft voldaan.
De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.8.

Trudo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 408,00 (factor 0,5 x tarief € 816,00) salaris advocaat.

In de zaak tussen Trudo en de bewindvoerder van [eiser] (zaaknummer / rolnummer: 269092 / KG ZA 13-680)


4.9. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze vordering, gelet op de gegeven toelichting, wordt ingesteld onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter in conventie tot het inhoudelijke oordeel komt dat niet [eiser] maar de bewindvoerder in de bodemprocedure in rechte betrokken had moeten worden.

Nu deze voorwaarde niet is ingetreden behoeft deze vordering geen nadere bespreking meer en hoeft hierop niet te worden beslist.

De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de bewindvoerder tijdens de behandeling heeft aangegeven dat hij ter zake van de vraag die in de tussen Trudo en [eiser] gevoerde bodemprocedure aan de orde was geen taak had omdat dit geschil niet van vermogensrechtelijke aard is.

Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat de bewindvoerder zich niet tegen de executie van het gewezen vonnis verzet.

De verantwoordelijkheid van de bewindvoerder strekt zich bovendien niet uit tot de inboedelgoederen omdat deze zaken uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van de onder bewind staande goederen, zodat ook ten aanzien van de verwijdering van de inboedelgoederen geen verzet van de zijde van de bewindvoerder valt te verwachten.

De proceskosten zullen conform het voorstel van Trudo op de na te melden wijze worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in het kort geding met zaaknummer / rolnummer: 269028 / KG ZA 13-676:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt Trudo in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op 1.391,00.

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen van Trudo af;

5.4.

veroordeelt Trudo in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 408,00.

in het kort geding met zaaknummer / rolnummer: 269092 / KG ZA 13-680:

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.