Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6225

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C/01/221868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsrecht. Betwisting ondertekening akte; artikel 159 lid 2 Rv. Bewijsopdracht echtheid handtekening. Gedaagde heeft niet meegewerkt aan het handschriftonderzoek. Toepassing van artikel 198 lid 3 Rv. Door niet mee te werken aan het handschriftonderzoek heeft gedaagde het eiseres onmogelijk gemaakt om de juistheid van het verweer van gedaagde te toetsen en mogelijk te ontkrachten. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het geraden dit verweer van gedaagde te passeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/221868 / HA ZA 10-2654

Vonnis van 11 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LASER NEDERLAND B.V.,
voorheen handelende onder de namen LaSer-Lafayette Services Nederland B.V. en PrimeLine Services B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres,

advocaat: voorheen mr. L.C.A. van Bokhoven te Rosmalen, thans mr. R.E. Koopman te
‘s-Hertogenbosch,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: aanvankelijk mr. H.J.M. Smelt te Veldhoven, thans niet langer ten processe vertegenwoordigd,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna LaSer genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 25 juli 2012 en

- de brief van de deskundige van 15 juli 2013, waarbij de deskundige de bij tussenvonnis van 25 juli 2012 gegeven opdracht aan de rechtbank teruggeeft.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 16 mei 2012 heeft de rechtbank LaSer opgedragen de echtheid van de handtekening op de overeenkomst (op de plaats bestemd voor de handtekening van de partner) betreffende het doorlopend krediet met contractnummer [1], gedateerd 11 maart 2005, waarvan LaSer stelt dat deze door [gedaagde 1] is gezet, te bewijzen.

2.2.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 juli 2012 als deskundige benoemd de heer W. de Jong, handschriftdeskundige. De rechtbank heeft de deskundige bevolen onderzoek te doen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Is de handtekening (op de plaats die is bestemd voor de handtekening van de partner) op de overeenkomst betreffende het doorlopend krediet met contractnummer [1] afkomstig van mevrouw [gedaagde 1]?
2. Wenst u uit eigen beweging nog nadere opmerkingen te maken?

2.3.

Ter beantwoording van de vragen van de rechtbank heeft de deskundige getracht een onderzoek uit te voeren. Aan de zich in het griffiedossier bevindende correspondentie ontleent de rechtbank de volgende gang van zaken. Op 10 september 2012 heeft de deskundige [gedaagde 1] verzocht vergelijkingsmateriaal ter beschikking te stellen om het onderzoek uit te kunnen voeren. Omdat [gedaagde 1] niet op de verzoeken van de deskundige heeft gereageerd, heeft de deskundige de rechtbank op 15 februari 2013 verzocht om uitstel van inlevering van het deskundigenbericht. Op 18 april 2013 heeft de deskundige de rechtbank geïnformeerd dat [gedaagde 1] vanwege een bevalling en het feit dat de post blijkbaar niet goed functioneert niet in staat is geweest op het verzoek om vergelijkingsmateriaal ter beschikking te stellen te reageren en heeft toegezegd zo snel mogelijk het gevraagde schriftmateriaal toe te zenden. Op 6 juni 2013 heeft de deskundige de rechtbank geïnformeerd dat [gedaagde 1], ondanks haar toezegging, wederom geen vergelijkingsmateriaal ter beschikking heeft gesteld. De deskundige heeft de opdracht vervolgens bij brief van
15 juni 2013 aan de rechtbank teruggegeven.

2.4.

Op grond van artikel 198 lid 3 Rv zijn partijen verplicht mee te werken aan een onderzoek door een deskundige. Nu [gedaagde 1] aan deze verplichting niet heeft voldaan, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.5.

In geschil is de stelling van LaSer dat zij met [gedaagde 1] een overeenkomst ten aanzien van een doorlopend krediet heeft gesloten. Ter onderbouwing van deze stelling heeft LaSer aangevoerd dat een medewerkster van de incassoafdeling van LaSer in 2006 en 2007 telefonisch contact heeft gehad met [gedaagde 1], waarbij met [gedaagde 1] afspraken zijn gemaakt over een betalingsregeling om de achterstand in de betalingen in te lossen. LaSer heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde 1] bij dit contact niet heeft betwist dat zij de overeenkomst is aangegaan. Daarnaast heeft LaSer gesteld dat zij drie jaar lang zonder protest betalingen van een bankrekening van [gedaagde 1] heeft geïncasseerd. Dit heeft [gedaagde 1] evenmin weersproken. Tot bewijs van haar stelling heeft LaSer voorts de ondertekende overeenkomst overgelegd. [gedaagde 1] heeft betwist dat de handtekening op de overeenkomst van haar afkomstig is, waardoor deze overeenkomst op grond van artikel 159 lid 2 Rv geen bewijs oplevert. Nu [gedaagde 1] ondanks herhaald verzoek van de deskundige niet heeft meegewerkt aan het handschriftonderzoek, zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Door niet mee te werken aan het handschriftonderzoek heeft [gedaagde 1] het LaSer onmogelijk gemaakt om de juistheid van het verweer van [gedaagde 1] te toetsen en mogelijk te ontkrachten. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het geraden dit verweer van [gedaagde 1] te passeren. Dat brengt mee dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van LaSer dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft ondertekend. Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert de ondertekende overeenkomst dwingend bewijs op van de verklaring van LaSer dat zij met [gedaagde 1] een overeenkomst ten aanzien van het gestelde doorlopend krediet heeft gesloten.

2.6.

Voor wat betreft de vervroegde opeisbaarheid van het krediet en de gevorderde vertragingsrente, beroept LaSer zich op de algemene voorwaarden. [gedaagde 1] betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Volgens [gedaagde 1] heeft LaSer de algemene voorwaarden nimmer aan haar ter hand heeft gesteld. Zij doet dan ook een beroep op de vernietigingsgrond als bedoeld in de artikel 6:233 sub b jo 6:234 lid 1 sub a BW.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor overwogen, [gedaagde 1] de overeenkomst heeft ondertekend. De stelling van [gedaagde 1] dat zij niet eerder dan bij ontvangst van de dagvaarding bekend is geworden met de overeenkomst en dat de overeenkomst niet aan haar ter hand is gesteld, kan derhalve niet worden gevolgd. Als onweersproken gesteld staat vast dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van de overeenkomst stonden vermeld, waardoor middels de terhandstelling van de overeenkomst eveneens de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld. Het beroep op vernietiging kan derhalve niet slagen.

2.8.

Het subsidiaire verweer van [gedaagde 1] dat nergens uit blijkt dat het (restant)krediet
€ 18.581,51 bedraagt, kan gelet op de nadien door LaSer genomen akte vermeerdering van eis tevens overlegging van producties, niet slagen. LaSer heeft immers bij voornoemde akte haar eis vermeerderd tot € 24.882,54 en ter onderbouwing, onder andere, een rekeningoverzicht overgelegd. Onderaan het overgelegde rekeningoverzicht staat achter uitstaand saldo € 24.822,54 vermeld. De akte vermeerdering van eis tevens overlegging van producties is aan [gedaagde 1] betekend en zij is bij deurwaardersexploot tevens opgeroepen om ter comparitie te verschijnen, wat zij vervolgens heeft nagelaten. [gedaagde 1] heeft het uitstaande saldo € 24.882,54 niet nader betwist en evenmin de inhoud van de door LaSer overgelegde rekeningoverzicht weersproken. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het uitstaande saldo van de kredietovereenkomst thans € 24.882,54 bedraagt.

2.9.

[gedaagde 1] heeft tot slot aangevoerd dat zij nimmer aanmaningen of sommaties heeft ontvangen. Deze stelling is door LaSer gemotiveerd weersproken en door [gedaagde 1] niet nader betwist. LaSer stelt in 2007 een sommatie inclusief ingebrekestelling te hebben gestuurd aan het bij haar bekende adres, te weten de [adres]. LaSer stelt in 2009 bekend te zijn geworden met het adres van [gedaagde 1] zoals in de dagvaarding vermeld en naar dit adres opnieuw een aanmaning te hebben gestuurd. Nu [gedaagde 1] geen van deze stellingen nader betwist, is de rechtbank van oordeel dat het verweer van [gedaagde 1], in het licht van het door LaSer gestelde, onvoldoende is onderbouwd en daarom dient te worden verworpen.

2.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Nu niet is betwist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedurende tenminste twee maanden achterstallig zijn in de betaling van het vervallen termijnbedrag en, na door LaSer in gebreke te zijn gesteld, nalatig zijn gebleven in de betaling, is het volledig uitstaande bedrag ad € 24.822,54 op grond van artikel 11.1 van de algemene voorwaarden direct opeisbaar. De vordering jegens [gedaagde 1] zal dan ook worden toegewezen. De vordering jegens [gedaagde 2] wordt, zoals reeds in het tussenvonnis van 16 mei 2012 overwogen, eveneens toegewezen.

2.11.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van LaSer worden begroot op:

- dagvaarding €  87,93

- griffierecht 1.165,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 726,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punt × tarief € 579,00)

Totaal €  3.136,93

2.12.

Zoals reeds in het tussenvonnis van 16 mei 2012 overwogen, dient [gedaagde 2] de kosten van de deurwaarder die zijn verbonden aan de betekening van het exploot betreffende de akte vermeerdering eis, geheel zelf te voldoen. Deze kosten worden begroot op € 87,45.

2.13.

De rechtbank zal bepalen dat de kosten van het incident - waarop bij vonnis van
14 oktober 2010 is beslist maar waarbij de beslissing omtrent de kosten van het incident is aangehouden - voor rekening dienen te komen van LaSer als de in het incident in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank begroot deze kosten volgens het geldende liquidatietarief, waarbij wordt uit gegaan van de waarde van de vordering zoals deze bij de sector kanton is aangebracht, op € 200,00.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan LaSer te betalen een bedrag van € 24.882,54 (vierentwintig duizendachthonderdtweeëntachtig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 9,95% per jaar over het toegewezen bedrag met ingang van 13 november 2009 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt LaSer in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 200,00,

3.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van LaSer tot op heden begroot op € 3.136,93,

3.4.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan LaSer te betalen een bedrag van € 87,45 in verband met de onder 2.13 genoemde deurwaarderskosten,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L.A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.