Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6186

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
01/860018-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan mensenhandel [het vervoeren van vrouwen naar het buitenland die op vrijwillige basis als prostituee werkzaam zijn]. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/860018-13

Datum uitspraak: 07 november 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 september 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 februari 2012 tot en met 28 maart 2013 in de gemeente Eindhoven en/of een of meerdere plaatsen in Nederland en/of Duitsland,

[slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] en/of

een of meerdere andere perso(o)n(en)

(telkens) heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd,

(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een of meerdere andere perso(on(en) in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen 1 en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

In de periode van 11 april 2011 tot en met 21 maart 2013 wordt door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee waargenomen dat verdachte een aantal vrouwen bij Eindhoven Airport heeft opgehaald. Verdachte heeft erkend dat hij die verschillende dames afkomstig uit het buitenland heeft opgehaald vanaf Eindhoven Airport en naar een club in Duitsland en in Roermond heeft vervoerd, terwijl hij wist dat die dames als prostituee in die clubs zouden gaan werken.2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich, door te handelen zoals hiervoor omschreven, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie verzocht verdachte vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte de vrouwen op vriendschappelijke basis in zijn privéauto heeft vervoerd naar de clubs waar zij vrijwillig werkten. Verdachte heeft geen actieve handelingen verricht die te kwalificeren zijn als aanwerven of medenemen in de zin van artikel 273f, eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Op 2 februari 2012 hebben verbalisanten op de A67 te Venlo een personenauto, een zwarte Mercedes SL 500, met geblindeerde ramen en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken], gecontroleerd. In de auto zaten verdachte, als bestuurder, en [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1]. [slachtoffer 1] heeft tegen verbalisanten verklaard dat zij in [naam 1] zou gaan werken en dat zij daar een paar dagen zou blijven.3 [naam 1] is een saunaclub gelegen te [plaats], Duitsland.4

Ten aanzien van [slachtoffer 3]

Op 3 mei 2012 zien verbalisanten bij Eindhoven Airport een voertuig met het Duitse kenteken [kenteken] staan. Verbalisanten zien een man, verdachte, en een vrouw naar deze auto lopen. De vrouw legitimeerde zich met een Hongaarse identiteitskaart als [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2]. [slachtoffer 3] verklaart dat zij werkzaam is in saunaclub [naam 1] in [plaats](Duitsland). Zij werkt daar regelmatig. Meestal werkt zij een paar dagen en vervolgens gaat zij weer terug naar Hongarije.5 Op 7 mei 2013 treft verbalisant [verbalisant 1] [verdachte] en [slachtoffer 3] weer in dezelfde auto aan bij Eindhoven Airport. Verdachte verklaart dan dat zij aan het wachten waren totdat de vlucht van [slachtoffer 3] naar Hongarije zal vertrekken6.

Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]

Op 24 augustus 2012 ziet een verbalisant in de nabijheid van Eindhoven Airport een zwarte Mercedes-Benz S500, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] staan. Verbalisanten zien een man, verdachte, en twee vrouwen naar de auto lopen. Een van de vrouwen legitimeerde zich met een Hongaarse ID-kaart en gaf op te zijn [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 2]. De andere vrouw legitimeerde zich met een Hongaars rijbewijs en gaf op te zijn genaamd [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 3]. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] verklaarden ieder voor zich dat ze onderweg waren naar [plaats] in Duitsland om daar zes dagen in club [naam 1] te gaan werken, waarna zij weer naar Hongarije terug zouden keren. Zij doen dit vaker zo.7

Ten aanzien van [slachtoffer 4]

Op 3 november 2012 heeft op Eindhoven Airport een observatie plaatsgevonden op de passagiers van de binnenkomende vlucht uit Boedapest (Hongarije). Tijdens die observatie zien verbalisanten de hen ambtshalve bekende verdachte. Het is verbalisanten bekend dat verdachte actief is in het afhalen van en wegbrengen van dames die in de prostitutie werken, van Eindhoven Airport. Verbalisanten zien verdachte met een vrouw naar een zwarte Mercedes Benz met het Duitse kenteken [kenteken] lopen. Toen zij wilden instappen zijn zij door verbalisanten aangesproken. De vrouw legitimeerde zich via een Hongaars paspoort als [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3].8 Op 15 januari 2013 zien verbalisanten bij eenzelfde controle opnieuw verdachte en [slachtoffer 4] naar eerdergenoemde auto lopen.9 verklaart bij beide controles dat zij in club [naam 1] in [plaats], Duitsland, als prostituee werkt, dat ze ongeveer een week zal werken, dat zij daarna naar Hongarije terugvliegt.10

Ten aanzien van andere personen

Op 21 juni 2012 bevinden verbalisanten zich op de N280 in de gemeente Roermond. Het is hen ambtshalve bekend dat via die weg regelmatig personen Nederland inreizen die verdachte en slachtoffer zijn van o.a. mensensmokkel c.q. mensenhandel. Tijdens deze controle zien zij een zwarte Mercedes SL 500 met geblindeerde en getinte ramen en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] de grens passeren. Bij controle van dit voertuig bleek dat daarin drie personen zaten, waaronder verdachte als bestuurder. Verder zaten in de auto [persoon 1] echtgenote van [persoon 2], geboren op [geboortedatum 4] te [geboorteplaats 4] en [persoon 3], geboren op [geboortedatum 5] te [geboorteplaats 5]. [persoon 2] en [persoon 3] verklaren ieder voor zich dat zij prostituees zijn en dat zij die avond bij de saunaclub [naam 2] in Roermond moeten werken.11

Verdachte heeft verklaard dat hij de Duitse nationaliteit heeft en in Duitsland woonachtig is. Aldaar is hij taxichauffeur van beroep. In dat beroep heeft hij drie á vier jaar geleden een Hongaarse vrouw leren kennen die als prostituee in Duitsland werkte. Twee of drie maanden nadat hij haar had leren kennen is hij begonnen om haar met zijn privé auto te vervoeren. Deze vrouw heeft zijn telefoonnummer aan andere vrouwen die in de prostitutie werkten verstrekt en aldus is verdachte ongeveer 20 vrouwen met enige regelmaat gaan vervoeren, zowel binnen Duitsland als van Duitsland naar Nederland en vice versa. 12

Bewijsoverweging

De tenlastelegging is toegesneden op art. 273f, eerste lid onder 3°, Wetboek van Strafrecht waarin is bepaald dat:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(...)

3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;."

De wetsgeschiedenis biedt steun voor de opvatting dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat iedere daad waardoor een persoon wordt medegenomen teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen strafbaar zal zijn zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van medeneming de keuzevrijheid van de medegenomen persoon heeft beperkt.

De wetsgeschiedenis van art. 273f, eerste lid onder 3°, Wetboek van Strafrecht en haar voorgangers houdt onder meer het volgende in:

"In het tweede lid van artikel 250ter Sr (in het oorspronkelijk wetsvoorstel, later het eerste lid onder 2°) is strafbaar gesteld het aanwerven, medenemen of ontvoeren van een persoon met het oogmerk die persoon tot prostitutie te brengen. Daarmee wordt aan de verplichtingen ten aanzien van vrouwen, vervat in het eerder vermelde verdrag van 1933 (het Internationaal Verdrag nopens de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, Genève, 11 oktober 1933, S. 1935, 598), voldaan. De strafbaarheid van de hier genoemde gedragingen hangt, anders dan het tot prostitutie brengen of in de prostitutie doen belanden als bedoeld in het eerste lid, niet af van het ontbreken van dwang of ongeoorloofde beïnvloeding." (Kamerstukken II 1988-1989, 21027, nr.3, p.9)

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (betreffende onder meer art 273a Sr., de wetgever heeft art. 250a (oud) Sr opgenomen in art. 273a (oud) Sr, welk artikel op 1 september 2006 is vernummerd tot art. 273f Sr.) luidt als volgt:

"Nederland is wel partij bij het Internationaal Verdrag van Genève van 1933. Ter uitvoering daarvan is art. 250a, eerste lid, onderdeel 2°, Sr. tot stand gekomen. Daarin is strafbaar gesteld degene die een persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land in de prostitutie te brengen. Het bestanddeel dwang ontbreekt in deze bepaling."

De onder sub 3 van artikel 273f, eerste lid Wetboek van Strafrecht gebezigde woorden "ertoe te brengen" hebben in het woordenboek van Van Dale de betekenis: "bewegen tot, overhalen tot". In voorgaande passages uit de memorie van toelichting wordt evenwel gesproken over "in/tot de prostitutie brengen". Nu dit verschil in redactie in de wetsgeschiedenis niet nader is toegelicht, moet er van worden uitgegaan dat daaruit niet volgt dat met de bewoordingen "er toe brengen" enige mate van beïnvloeding van de persoon die zich – kort gezegd – voor prostitutie beschikbaar stelt, vereist is.

Het verweer van de raadsman dat verdachte geen actieve handelingen heeft verricht die te kwalificeren zijn als aanwerven of medenemen in de zin van artikel 273f, eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht wordt voor zover het ziet op het "medenemen" dan ook verworpen, nu deze (nadere) eis niet door de wet wordt gesteld.

Ten aanzien van het aanwerven is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat, anders dan door de officier van justitie is betoogd, uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte handelingen heeft verricht die aan te merken zijn als een daad waardoor een slachtoffer wordt aangeworven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en andere personen heeft meegenomen met het oogmerk om hen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 2 februari 2012 tot en met 28 maart 2013 in de gemeente Eindhoven en een plaats in Nederland en Duitsland,

[slachtoffer 1] en

[slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en

andere personen

telkens heeft medegenomen,

telkens met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en andere personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, daar hij zich niet bewust was van de strafbaarheid van zijn gedragingen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vat het betoog van de raadsman op als een beroep op rechtsdwaling. Onder 'dwaling' moet hier worden verstaan het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, het verkeren in een zekere mate van onwetendheid. Alleen verontschuldigbare dwaling valt onder deze strafuitsluitingsgrond. In dit geval heeft verdachte in het geheel geen navraag gedaan over de toelaatbaarheid van zijn handelen, terwijl hij enkele malen door de politie gewaarschuwd is. Onder die omstandigheden oordeelt de rechtbank dat er geen ruimte is voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare dwaling met betrekking tot de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging aan verdachte zou overgaan, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het voordeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft gedurende 13 maanden chauffeursdiensten verricht voor een aantal prostituees waarbij hij hen meestentijds van het vliegveld Eindhoven ophaalde en hen aansluitend naar een seksclub in Duitsland vervoerde. Het politieonderzoek heeft zich blijkens het dossier geconcentreerd op het vaststellen van de reisbewegingen van verdachte en de vrouwen die daarbij in zijn auto, of in zijn aanwezigheid op het vliegveld Eindhoven zijn aangetroffen. Deze vrouwen zijn door de politie overwegend kort gehoord over het doel van hun reis en hun relatie met verdachte. Daaruit bleek niet dat zij niet in vrijwilligheid van de chauffeursdiensten van verdachte gebruik hebben gemaakt en bleek overigens dat zij regelmatig naar hun land terugkeerden om bij terugkomst in Nederland zich opnieuw door verdachte te laten vervoeren. Van de zijde van de vrouwen is tegen verdachte ook geen aangifte van mensenhandel gedaan. Zoals hiervoor reeds onder de bewijsoverweging is vastgesteld, is voor de vervulling van de delictsbestanddelen van het aan verdachte ten laste gelegde delict enige mate van dwang of beïnvloeding niet vereist. Niettemin weegt de rechtbank voor de beoordeling van de strafmaat mee dat uit het onderzoek niet is gebleken dat verdachte (aanzienlijk) financieel gewin bij het vervoer heeft gehad, noch dat verdachtes handelen onderdeel uitmaakte van een groter geheel van mensenhandel waarin kwetsbaarheid of ongelijkwaardigheid van de vrouwen wel een rol speelde. Voorts weegt de rechtbank ten voordele van verdachte mee dat hij open is geweest met betrekking tot andere keren waarin hij prostituees naar het buitenland heeft vervoerd waaromtrent niet reeds op andere wijze uit het politieonderzoek was gebleken alsmede dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld is.

Strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als na te melden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen, enerzijds gelet op de strafmatigende omstandigheden als hiervoor genoemd en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden dient te worden opgelegd.

De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Mensenhandel, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van drs. B.C. van Wijmen, griffier,

en is uitgesproken op 7 november 2013.

Mr. M. Lammers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, District Zuid, Brigade Brabant Zuid, Team Wodan II met dossiernummer 28-081631, afgesloten op 2 mei 2013.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 oktober 2013.

3 Relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], p. 155-157.

4 Relaas van verbalisant [verbalisant 4], p. 78-79.

5 Relaas van verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 7], p. 93-95.

6 Relaas van verbalisant [verbalisant 1], p. 158.

7 Relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9], p. 104-105.

8 Relaas van verbalisanten [verbalisant 10], [verbalisant 11] en [verbalisant 12], p. 69-71.

9 Relaas van verbalisanten [verbalisant 7], [verbalisant 13] en [verbalisant 14], p. 72-74.

10 Relaas van verbalisanten [verbalisant 10], [verbalisant 11] en [verbalisant 12], p. 71; relaas van verbalisanten [verbalisant 7], [verbalisant 13] en[verbalisant 14], p. 73-74.

11 Relaas van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16], p. 158-161.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 oktober 2013, alsmede het proces-verbaal van verhoor van verdachte door verbalisanten d.d. 22 maart 2013 te 9.00 uur, p. 3.