Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6035

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
01/820932-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van amfetamine als bestuurder van een personenauto een ongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel [ribbreuken, klaplong en twee bekkenbreuken] heeft opgelopen. Vervolgens heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820932-13

Datum uitspraak: 04 november 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [1965],

wonende te [adres].

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie .

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 september 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2013 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, ([straat 1]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

* verdachte is gaan rijden terwijl hij onder (aanmerkelijke) invloed van Amfetamine verkeerde,

* verdachte is (vervolgens) zonder vaart te verminderen en/of met aanmerkelijke snelheid de kruising met de [straat 2] en/of [straat 3] opgereden, terwijl:

* er voor hem een rood verkeerslicht uitstraalde en/of

* er zich op dat moment diverse auto's op die kruising bevonden en/of doende waren die kruising over te steken, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten multiple ribbreuken, klaplong en/of 2 bekkenbreuken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, dit terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2013 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (auto/motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, [straat 1], althans een weg, heeft gehandeld als volgt:

* verdachte is gaan rijden terwijl hij onder (aanmerkelijke) invloed van Amfetamine verkeerde,

* verdachte is (vervolgens) zonder vaart te verminderen en/of met aanmerkelijke snelheid de kruising met de [straat 2] en/of [straat 3] opgereden, terwijl:

* er voor hem een rood verkeerslicht uitstraalde en/of

* er zich op dat moment diverse auto's op die kruising bevonden en/of doende waren die kruising over te steken, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

[artikel 5 Wegenverkeerswet 1994]

hij op of omstreeks 01 januari 2013 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig, (auto/motorrijtuig), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

hij op of omstreeks 01 januari 2013 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [straat 1], althans een weg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl

a. 7/1/a WvW: bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht en/of

b. 7/1/b WvW: daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

i.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde als volgt.

ii.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 1 januari 2013, rijdend in een personenauto op [straat 3] te Eindhoven, met een aanmerkelijke snelheid, te weten tussen de 60 en 70 kilometer per uur, de kruising van deze weg met [straat 1] heeft genaderd en vervolgens bewust en zonder vaart te verminderen het voor hem geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd en die kruising is opgereden terwijl zich op dat moment diverse auto’s op die kruising bevonden die doende waren die kruising over te steken. De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte vervolgens in botsing is gekomen met een van die andere overstekende auto’s en dat de bijrijdster van die auto, [slachtoffer], als gevolg van dat verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Dit een en ander acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

iii.

Met betrekking tot de vraag of ook bewezen kan worden dat de verdachte is gaan rijden terwijl hij onder invloed van amfetamine verkeerde, overweegt de rechtbank als volgt.

iv.

In het strafdossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 2 januari 2013 (p. 50-52 van het dossier). Deze verbalisanten verklaren daarin dat zij op 1 januari 2013 om 18.58 uur het eerste directe contact met de verdachte hadden en dat dit contact leidde tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, kort gezegd het rijden onder invloed. De verbalisanten verklaren voorts dat zij het vermoeden kregen dat de verdachte ook onder invloed was van een andere dan alcoholhoudende stof en dat daarop is besloten om tot een bloedonderzoek over te gaan. Ten slotte verklaren de verbalisanten dat op dinsdag 1 januari 2013 om 19.30 door een arts in aanwezigheid van een van hen door middel van een venapunctie bloed van de verdachte is afgenomen.

v.

Het omtrent het bloedonderzoek opgemaakte rapport van het NFI (p. 105-110 van het dossier) houdt in dat in het bloed van de verdachte amfetamine is aangetroffen in de concentratie van 0,54 mg/l en dat amfetamine een stof is die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden.

vi.

De rechtbank stelt voorop dat indien bloedafname heeft plaatsgevonden binnen een uur na het eerste directe contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft gehad leidend tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), van de verdachte op zijn eigen verzoek zo spoedig mogelijk na verloop van dat uur een tweede bloedmonster wordt afgenomen en dat de opsporingsambtenaar de verdachte het recht op een verzoek om een tweede bloedafname dient mede te delen. Dat volgt uit artikel 15, tweede en derde lid, van het Besluit alcoholonderzoeken (het Besluit).

vii.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen niet kan worden afgeleid dat deze mededeling aan de verdachte is gedaan zodat het ervoor moet worden gehouden dat de mededeling ook daadwerkelijk niet is gedaan. Dat betekent volgens de officier van justitie dat het resultaat van het bloedonderzoek niet tot het bewijs kan worden gebruikt. Zij beroept zich daarbij op vaste jurisprudentie.

viii.

De rechtbank deelt dat standpunt niet en is van oordeel dat het rapport van het NFI wel degelijk voor het bewijs kan worden gebruikt.

De vaste jurisprudentie waar de officier van justitie zich op beroept houdt in de kern genomen in dat indien in de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid van art. 15 van het Besluit, de mededeling als bedoeld in het derde lid van dat artikel achterwege is gebleven, geen sprake is van een “onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a of b, van de WVW 1994”. Dat betekent dat in een op een overtreding van dat artikel toegesneden tenlastelegging niet kan worden bewezen dat sprake van een dergelijk “onderzoek” is geweest. Die vaste jurisprudentie houdt niet in dat bij gebreke van de mededeling als bedoeld in het derde lid van art. 15 van het Besluit het resultaat van een (bloed)onderzoek niet als betrouwbaar mag worden aangemerkt en dientengevolge niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Van een op artikel 8, tweede lid, van de WVW 1994 toegesneden tenlastelegging is hier echter geen sprake. Immers, de verdachte wordt verweten dat hij een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt terwijl hij zich tijdens het rijden bevond in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 en niet in een toestand als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 houdt niet als delictsbestanddeel in dat het onder invloed van een de rijvaardigheid nadelig beïnvloedende stof (anders dan alcohol) besturen van een motorrijtuig bij een onderzoek als hiervoor bedoeld is gebleken.

Bovendien heeft art. 15, derde lid, van het Besluit de strekking om rechtsongelijkheid te voorkomen tussen de verdachte bij wie het bloedonderzoek na ommekomst van één uur is verricht, hetgeen normaliter het geval is, en de verdachte bij wie dat onderzoek binnen het uur is verricht. Die laatste verdachte heeft daarom het recht gekregen om na ommekomst van een uur nogmaals bloed te doen afnemen, hetgeen gelet op het vierde lid van art. 15 van het Besluit niet zonder betekenis is, nu de laagst gemeten waarde bepalend is. Dit heeft echter alleen betrekking op het rijden onder invloed van alcohol. Dat valt goed te begrijpen als daarbij in aanmerking wordt genomen dat voor een overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 een specifiek bepaald minimum aan bloedalcohol is vereist. Voor een overtreding van artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 is een dergelijke minimumwaarde niet vereist; voldoende is dat vast komt te staan dat de bestuurder zodanig onder invloed van een de rijvaardigheid verminderende stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

x.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het ontbreken van de mededeling van art. 15, derde lid, van het Besluit er niet aan in de weg staat dat het resultaat van het bloedonderzoek tot het bewijs wordt gebezigd en dat op basis daarvan bewezen wordt verklaard dat de verdachte is gaan rijden terwijl hij onder invloed van amfetamine verkeerde en dus verkeerde in de toestand als bedoeld in art. 8, eerste lid, van de WVW 1994.

xii.

Gelet op het onder ii. en x. vastgestelde geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard en ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan, zoals dat uit het voorgaande blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet kan worden verweten dat hij zich roekeloos heeft gedragen, maar wel dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 01 januari 2013 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt:

* verdachte is gaan rijden terwijl hij onder invloed van Amfetamine verkeerde,

* verdachte is vervolgens zonder vaart te verminderen en met aanmerkelijke snelheid de kruising met [straat 2] en/of [straat 3] opgereden, terwijl:

* er voor hem een rood verkeerslicht uitstraalde en

* er zich op dat moment diverse auto's op die kruising bevonden en doende waren die kruising over te steken, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten multiple ribbreuken, klaplong en 2 bekkenbreuken, is ontstaan, dit terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

op 01 januari 2013 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op [straat 1], althans een weg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander te weten [slachtoffer] letsel en schade was toegebracht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte roekeloos heeft gereden met voor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel als gevolg en met de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte is gaan rijden terwijl hij onder invloed van amfetamine verkeerde.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij onder invloed van amfetamine en zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan en dat verdachte de plaats van het door hem veroorzaakte ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval aan een ander letsel en schade was toegebracht. Verdachte heeft ten opzichte van zijn medeweggebruikers geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel getoond. Hij heeft een zeer gevaarlijke verkeerssituatie doen ontstaan.

Zijn rijgedrag heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Haar en haar partner is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan, zoals door [slachtoffer] is verwoord in haar slachtofferverklaring.

Gelet op het zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van verdachte, de strafverzwarende omstandigheid dat het ongeval mede is veroorzaakt doordat verdachte onder invloed van amfetamine verkeerde en gelet op het ernstige gevolg van dit ongeval, is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als richtlijn voor de straftoemeting.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengen. Bovendien is de officier van justitie bij het bepalen van haar eis uitgegaan van roekeloosheid, terwijl de rechtbank de verdachte van het roekeloos rijden vrijspreekt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de gevorderde eis van de officier van justitie, ook indien roekeloos rijden bewezen zou zijn verklaard, fors naar boven afwijkt van de door de zittende magistratuur gehanteerde oriëntatiepunten.

De rechtbank is van oordeel dat – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als bijkomende straf dient te worden opgelegd, nu enerzijds de ernst van het begane delict en anderzijds de van deze straf te verwachten preventieve werking zulks rechtvaardigen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 7, 8, 163, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet

T.a.v. feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1 primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 2 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. E. Sikkema, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 4 november 2013.

Mr. E. Sikkema is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.