Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:6005

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
SHE 13/4678
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gemeentewet, artikel 172, derde lid. Verstoring openbare orde. Voorlopige voorziening. Inbeslagname hond.

De vraag is vervolgens of deze twee incidenten (van 2 september 2013 (bijtincident) en 3 september 2013 (los zittende muilkorf)) voor verweerder voldoende gewicht in de schaal leggen om tot het oordeel te komen dat Diesel een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde op grond waarvan inbeslagname van Diesel de enige maatregel is om dat gevaar af te wenden en afgewend te houden. Voor een ontkennende beantwoording van die vraag kan worden aangevoerd dat verweerder na de incidenten van 2 en 3 september 2013 eerst op 9 september 2013 het bestreden besluit heeft genomen, terwijl de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet er juist op moet zijn gericht een dreigende verstoring van de openbare orde onmiddellijk aan te pakken, alsook dat verweerder de gestelde maatschappelijke onrust in de buurt door de aanwezigheid van Diesel weinig inzichtelijk heeft gemaakt. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag kan worden aangevoerd dat Diesel betrokken is geweest bij een aantal (ernstige) bijtincidenten in de buurt, dat verzoeker en zijn echtgenote die incidenten niet hebben kunnen voorkomen en dat (deskundige) in zijn rapport heeft geconcludeerd dat de risico’s die Diesel met zich mee brengt voor mens en hond zonder meer hoog te noemen zijn. Hierbij is van belang dat de voorzieningenrechter de inschatting van verweerder dat Diesel een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde slechts terughoudend kan toetsen. Er bestaat dus twijfel of de inbeslagname van Diesel, indien verweerder dit besluit in bezwaar zou handhaven, uiteindelijk in beroep zal standhouden.

In die twijfel ziet de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding het verzoek van verzoeker om een voorlopige toe te wijzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder bij voortduring van het beslag van Diesel zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij onmiddellijke teruggave van Diesel. In de eerste plaats is hiertoe van belang dat de voorzieningenrechter weliswaar begrijpt dat verzoeker zijn hond graag terug wil hebben en dat het voor Diesel beter is als hij niet langer in de opslag verblijft, maar dat, zoals ter zitting van de voorzieningenrechter ook duidelijk is geworden, Diesel niet zonder meer terug kan naar het huis van verzoeker. Verweerder heeft voorts uiteengezet dat Diesel in prima conditie verkeert, goed gezond en goed benaderbaar is, alsook voeding krijgt die bij hem past. In de tweede plaats is hiertoe van belang dat een beslissing op bezwaar niet lang op zich laat wachten.

Wetsverwijzingen
Algemene plaatselijke verordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4678

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Son en Breugel, verweerder

(gemachtigde: F.J. Driessen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de rottweiler van verzoeker (Diesel) in beslag genomen en in bewaring gesteld.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 10 oktober 2013 heeft verweerder gereageerd op het verzoek en stukken ingediend. Op 17 oktober 2013 heeft verweerder nog enkele aanvullende stukken ten behoeve van de zitting overgelegd.

Bij faxbericht van 21 oktober 2013 heeft verzoeker een aanvullend stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar (kantoorgenoot van zijn gemachtigde). Voorts was aan de zijde van verzoeker ter zitting aanwezig [persoon 1] van [bedrijf1] (gedragscentrum). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te bezien of Diesel voor een periode van vier weken kan worden geplaatst in het gedragscentrum.

Bij faxbericht van 23 oktober 2013 heeft verweerder meegedeeld niet in te stemmen met plaatsing van Diesel in het gedragscentrum.

Met toestemming van partijen heeft de voorzieningenrechter vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Verzoeker woont samen met zijn echtgenote in [woonplaats 1]. Ze hebben samen drie

honden, te weten een rottweiler Dolcey, een rottweiler Diesel en een bullmastiff.

1.2

In het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2013, opgesteld door de wijkagent,

staat onder meer het volgende:

(…)
De honden hebben in het verleden diverse mensen en honden gebeten.

Op 29 juni 2012 werd in Breugel op de (…) een bewoner van die wijk zwaar gebeten door een van de Rottweilers van [verzoeker]. Deze Rottweiler was genaamd Diesel.

Deze hond is later door de gemeente Son en Breugel een muilkorfplicht opgelegd.
(…)

De laatste jaren ben ik diverse malen benaderd door mensen uit deze wijk die bij mij hun bezorgdheid uitspraken over het agressieve gedrag van de honden van[verzoeker].

(…)”

1.3

In het verslag bijtincident honden van een gesprek tussen de gemeente en verzoeker van

28

juni 2012 over de bijtincidenten van verzoekers honden staat het volgende:

“Nr. Onderwerp Bron

1.

Casus:

Bijtincident 2005-2006 Politie

Een rottweiler van[verzoeker] zou een klein wit hondje gebeten hebben.

In de politiesystemen is hiervan niets meer terug te vinden.

[verzoeker]

[Verzoeker] kan dit feit zich niet herinneren.

2.

Casus:

Maart 2009: Politie

Een Rottweiler van [verzoeker] zou een andere hond (hond van de
buren) tijdens het passeren gebeten hebben. Beide honden waren
aangelijnd. Hondje raakte zwaar gewond. (…)
[verzoeker]

[Verzoeker] verklaarde dat de buurman, (…) zat was en dat hij de hond
van [verzoeker] schopte. De hond van [verzoeker] wilde wel bijten maar
werd gecorrigeerd. Hond heeft niet gebeten. Heeft Rottweiler niet meer
in zijn bezit. (…) heeft later excuses aangeboden.

3.

Casus:

26

februari 2012: Politie/Boa

Rottweiler van [verzoeker] beet Chi Tzi hondje. Rottweiler schoot
uit de voordeur van de woning van [verzoeker]. Hond zou niet zijn
aangelijnd. Hondje was gewond en behandeld door de dierenarts.

[verzoeker]

[Verzoeker] verklaarde dat de Rottweiler was aangelijnd en dat
het hondje los liep en de oprit opliep richting de Rottweiler. De
Rottweiler pakte de hond in zijn bek om te corrigeren. Als Rottweiler
echt gebeten zou hebben dan was het hondje er waarschijnlijk niet meer.
Rottweiler was eerder gebeten door een klein hondje uit de buurt.
Betreft de volwassen Rottweiler van 8 jaar oud met de naam Docey.
(zonder staart).

4.

Casus:

17

mei 2012: Politie

Mevrouw laat hondje uit op grasveld. Werd aangevallen door een
Rottweiler die zich had losgerukt van de eigenaar. Mevrouw pakt
hondje op om dit te beschermen te de aanval van de Rottweiler.
Mevrouw heeft flinke verwondingen aan arm, heup en been. Is aan haar verwondingen medisch geholpen. Foto’s van verwondingen zijn gemaakt.
Hondje blijft ongedeerd. Rottweiler betreft pup van 10 maanden oud, luistert
naar de naam DIESEL. Hond heeft staart.

[verzoeker]

Rottweiler (Diesel) was aangelijnd en rukte zich los van eigenaar.
Mevrouw pakte hond op om deze te beschermen. Mevrouw reageert
hysterisch. Rottweiler springt tegen mevrouw op om te spelen. De verwondingen aan haar armen is van haar eigen hond. De verwondingen aan haar rug en schade aan haar kleding van de Rottweiler.

5.

Casus:

29

juni 2012: Politie

Meneer laat hondje uit op veldje (…). Meneer treft [verzoeker en
diens echtgenote] met ieder een Rottweiler. Meneer
besluit ruim om [verzoeker en diens echtgenote] te lopen. Na het passeren
roept de man met de Rottweiler dat meneer zijn hond op moet tillen.
Meneer zag een van de twee Rottweilers op zich afkomen. Deze was kennelijk losgerukt. Meneer werd diverse keren gebeten en is later met de ambulance
naar het ziekenhuis vervoerd. Ook de hond van meneer werd gebeten. (verwondingen niet bekend).

Overbuurvrouw kwam ter assistentie en werd door Rottweiler in haar bil
gebeten. Was niet ernstig. Ook [echtgenote van verzoeker] is door de
Rottweiler gebeten en is hiervoor onder medische behandeling gesteld.

[verzoeker]

[Verzoeker] verklaarde dat zijn Rottweiler, luisterend naar de naam
Diesel weer was losgerukt en vervolgens de eigenaar van de hond heeft aangevallen. Verklaarde nu niet meer dat het ging om spelen. [Verzoeker]
heeft zijn honden direct opgesloten en is direct met zijn vrouw naar het
ziekenhuis gereden. (…)

[Verzoeker] heeft de Rottweiler naar de fokker gebracht met de intentie
de hond te laten inslapen. Hij is hiervan teruggekomen omdat hij eerst
de hond wil laten onderzoeken. Hij laat het vervolg afhangen van deze test”

1.4

Naar aanleiding van de incidenten in 2012 heeft het college van burgemeester en

wethouders van de gemeente Son en Breugel (college) op 3 juli 2012 besloten de twee rottweilers van verzoeker op grond van artikel 2:64 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) aan te wijzen als gevaarlijke honden, te gebieden de twee rottweilers kort aan te lijnen, te gebieden de twee rottweilers te voorzien van een muilkorf, het muilkorfgebod voor de rottweiler Diesel voor onbepaalde tijd te laten gelden en het muilkorfgebod voor de rottweiler Dolcey te laten gelden totdat de eigenaar heeft aangetoond dat deze hond als niet gevaarlijk kan worden aangemerkt. Hiertegen hebben derden bezwaar gemaakt. Bij advies van 11 april 2013 heeft de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (commissie) verweerder geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren. In dit advies staat dat de commissie van oordeel is dat sprake is van een dermate onveilige situatie in de buurt als gevolg van de aanwezige honden en de bijtincidenten die hebben plaatsgevonden dat zij meent dat het besluit van het college mogelijk niet vergaand genoeg is. Zij overweegt dat de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet de bevoegdheid heeft een gevaarlijke hond, die direct gevaar oplevert voor de buurt, in beslag te nemen. Bij besluit van 1 mei 2013 heeft het college beslist op het bezwaar. In dit besluit staat dat het besluit tot aanlijnen/muilkorven voldoende waarborgen biedt om vergelijkbare incidenten te voorkomen en dat een besluit tot inbeslagname van de hond(en) op dit moment disproportioneel wordt geacht.

1.5

In het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2012 van J.A.S. Peters staat – voor

zover van belang – het volgende:

“(…)

Op dinsdagmorgen 10 juli 2012 omstreeks 08.50 uur bevond ik mij belast met handhaving in de (…). Ik zag de mij ambtshalve bekende [echtgenote van verzoeker] wonende in de (…) met een jonge Rottweiler aangelijnd over het trottoir van de (…) richting de (…) lopen.

(…)
Ik ben in haar richting gefietst en heb haar van achteren benaderd waardoor ik de hond niet heb kunnen gadeslaan. Op gegeven moment terwijl ik haar nog van achteren naderde sloeg zij rechtsaf richting haar woning (…). Op dat moment passeerde ik haar en keek ik in de richting van het voetpad welke zij vervolgde. Ik zag daar in mijn richting aan komen [verzoeker]. Ik zag dat [verzoeker]een aangelijnde oudere Rottweiler zonder muilkorf bij zich had.
Omdat ik op dat moment nog niet op de hoogte was van het inmiddels genomen besluit inzake het muilkorfgebod voor de twee Rottweilers van [verzoeker] heb ik daar op dat moment beiden ook niet op aangesproken en ben door gefietst.”

1.6

In een e-mail van 30 juli 2013 heeft [persoon2] het volgende bericht

“Vanmorgen heb ik gesproken met de bewoners van (…).

Op het moment dat ik daar stond te praten kwam [verzoeker] met de jonge Rottweiler met muilkorf om naar buiten gelopen, en passeerde mij. Op dat moment blafte het kleine hondje van de bewoners van nr. (…) een paar keer waarop de jonge Rottweiler zeer agressief reageerde.

Staart omhoog en trekkende bewegingen aan de riem richting jonge hondje die [verzoeker] vast hield.

[Verzoeker] had serieuze problemen om op dat moment de hond onder controle te krijgen, die wilde immers naar dat hondje toe. Uiteindelijk ging de Rottweiler zitten en werd tot kalmte gedwongen, waarna [verzoeker] zijn wandeling vervolgde.

Ik vind het nog steeds, zoals ik op dat moment kon inschatten, een zeer gevaarlijke situatie zeker als deze jonge Rottweiler zich lostrekt dan had hij zeker het kleine hondje aangevallen of erger.
(…)”

1.7

In het proces-verbaal van bevindingen van[persoon2] van 12 september 2013 staat

onder meer het volgende:

“(…)

Op donderdagavond 21 februari 2013 bevond ik mij verbalisant[persoon2] in uniform gekleed en belast met handhaving (…) te Breugel, gemeente Son en Breugel.

Ik zag ter hoogte van (…) de mij ambtshalve bekende persoon [verzoeker] samen met zijn hond Diesel lopen.

(…)

Ik zag dat de hond was voorzien van een gentle leader, en een zwarte nylon muilkorf en dat deze op de snuit na de gehele bek van de hond opsloot.

(…)

Toen ik had vastgesteld dat de hond was aangelijnd en was voorzien van een muilkorf en op het punt stond om weer verder te gaan met mijn surveillance zag ik dat de hond Diesel geheel onverwacht een sprong maakte in mijn richting waarop [verzoeker] met een flinke ruk aan de riem zijn hond nog net op tijd kon terugtrekken.

(…)

Ik was geschrokken van de hond en was ervan overtuigd dat als de hond geen muilkorf had gedragen en de hond mij dicht genoeg had kunnen benaderen hij mij zeker had gebeten.”

1.8

Op 2 september 2013 heeft een bijtincident plaatsgevonden waarbij Diesel en een

border collie betrokken zijn geweest. Zowel de eigenaar van de border collie als verzoeker hebben aangifte van dit incident gedaan bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost.

In het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2013 staat daarover het volgende:

“(…)

[Eigenaar border collie] had bij het serviceteam van politie (…) het volgende gemeld:

Dhr.(…) liep op maandag 2 september 2013 omstreeks 23.30 uur met zijn hond (…) te Son en Breugel. Daar kwam plots een hond, een rottweiler aangerend welke de hond van dhr. (…) aanviel. Dhr. (…) gaf aan dat de rottweiler wel aangelijnd was maar dat de vrouw welke de hond uit liet de hond totaal niet onder controle had. Doordat de Rottweiler erg had aan de riem trok is zij door de hond meegesleurd en viel zij op de grond. De rottweiler zou een muilkorf om hebben gehad. Echter is de staart van de hond van dhr. (…) tussen de muilkorf gekomen. Hierdoor heeft de hond van dhr. (…) een diepe bijtwond in zijn staart opgelopen.

(…)

De hond zou Diesel heten (…).

(…)

Op donderdag 5 september 2013, omstreeks 13.15 uur, verscheen [verzoeker] op het politieburo te Best. Hij deed aangifte van vernieling van zijn hond Diesel. [Verzoeker] gaf in zijn verklaring aan dat de eigenaar van de border collie op 2 september 2013, tussen 23.40 uur en 23.50 uur naar zijn vrouw begon te roepen dat ze de hond bij moest houden. Op een gegeven moment zou deze man zonder aanleiding zijn hond Diesel diverse malen geschopt te hebben. Volgens [verzoeker] bleek zijn hond gekneusde ribben hieraan over te hebben gehouden. [Verzoeker] gaf aan dat de Border Collie met zijn tanden zijn hond Diesel beet had aan de muilkorf. [Verzoeker] had een kapotte muilkorf bij waarin tandafdrukken te zien waren.”

1.9

Naar aanleiding van het incident op 2 september 2013 heeft verbalisant

[persoon3] op 3 september 2013 een buurtonderzoek uitgevoerd.

In het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2013 staat onder meer het volgende:

“(…)

Omstreeks 9.55 uur reed ik met mijn fiets ter hoogte van de (…), en zag aan de overzijde van de weg, [verzoeker] aan komen lopen. Ik sprak hem aan en vroeg hem hoe het ging. (…) Hij vertelde mij dat er gisterenavond een incident had plaatsgevonden. Hierbij is zijn hond geschopt in de zij. (…) Hij was zich van geen kwaad bewust, omdat zijn honden waren gemuilkorfd. De Border Collie zou niet gebeten zijn, waarmee [verzoeker] aangeeft dat zijn hond niet schuldig is aan het incident. (…)

Tijdens het gesprek met [verzoeker], had ik mijn fiets tussen de hond (kleine Rottweiler) ter bescherming. Vervolgens maakte genoemde hond een happende beweging naar mijn voeten. Ik heb dit al eerder meegemaakt tijdens een bezoek aan het parkje aan de (…). (…)
Opmerkelijk was wel, dat ik tijdens het gesprek met [verzoeker], na enkele minuten de hond zag gapen zonder dat hij gemuilkorfd was. De reden dat de muilkorf was losgegaan heb ik helaas niet waargenomen. Ik had wel gezien dat de hond tijdens het aan komen lopen gemuilkorfd was. Ik vroeg aan [verzoeker], waarom de muilkorf los was gegaan. Hij verklaarde hierop: “ik heb de muilkorf van onze Dolce even gebruikt voor het uitlaten van onze Diesel”. Hij verklaarde tevens dat dit zou kunnen komen omdat de kop van Dolce groter is dan van Diesel. Ik zag dat de muilkorf erg los was toen [verzoeker] de muilkorf toonde. Bij het vastpakken van de muilkorf, zag ik dat de muilkorf niet goed omsloot bij de kop van genoemde hond.

Vervolgens heb ik [verzoeker] erop gewezen dat zijn muilkorf wel goed passend moet zijn om incidenten te voorkomen. Hij gaf toe dat hij het bandje wat harder aan moest trekken. (…)”

1.10

Op 10 september 2013 heeft verweerder Diesel in beslag genomen en geplaatst bij

een opslaghouder die door het Ministerie van Economische Zaken wordt erkend. Op die datum heeft verzoeker aan verweerder opdracht gegeven om Diesel een gedragstest te laten ondergaan dat deel uitmaakt van een risico-assessment.

1.11

Bij brief van 17 september 2013 heeft [persoon4] namens verzoeker

aangegeven dat verzoeker zich ernstige zorgen maakt over de opslagsituatie van Diesel. Zij heeft verweerder verzocht om Diesel in het gedragscentrum onder te brengen, zodat hij daar gedurende drie à vier weken kan worden getraind. Verzoeker en zijn echtgenote worden meegetraind en vervolgens wordt Diesel getest volgens het protocol van de Universiteit Utrecht. Verweerder zou daarvan een schriftelijk verslag, een advies en bijbehorende DVD ontvangen.

1.12

Bij brief van 4 oktober 2013 heeft verweerder aan het gedragscentrum

laten weten vast te houden aan het besluit dat Diesel ondergebracht blijft bij de opslaghouder. De opslaghouder had laten weten dat de hond in prima conditie verkeert, goed gezond en goed benaderbaar is. Diesel krijgt bij de opslaghouder de voeding die bij hem past. Verder heeft verweerder aangegeven dat Diesel wordt getest door de gedragskliniek in Utrecht.

1.13

Op 8 oktober 2013 heeft de gedragstest plaatsgevonden door [deskundige]

([deskundige]). In het daarvan opgemaakt rapport van 15 oktober 2013 staat het volgende:

“(…)

Conclusies:

(…)

Al met al zijn de risico’s die Diesel met zich mee brengt zonder meer hoog te noemen voor mens en hond.

(…)

Aanbeveling:

1) Euthanasie. De eigenaren van Diesel kunnen hier slechts onderuit komen door aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a. Handhaving van het bestaande muilkorf- een aanlijngebod, maar waarbij voor Diesel een goed passende eigen muilkorf (geen snuitje) wordt aangeschaft en gebruikt, en waarbij Diesel middels een U-lead (…) aan een korte lijn wordt uitgelaten.

b. Eén hond tegelijk uitlaten en alleen door een volwassen persoon.

c. Het volgen van een gehoorzaamheidscursus.

d. Het beveiligen van huis en tuin tegen mogelijke uitbraken: drangers op buiten- en tussendeuren in huis en een deugdelijk slot op een eventuele tuindeur.

Als het gemeentebestuur zou oordelen dat op grond van de eerdere ervaringen met eigenaren naar aanleiding van bijtincidenten, de eigenaren niet in staat worden geacht zich te houden aan de voorwaarden, dan is euthanasie aangewezen.”

1.14

Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verweerder verzoeker bericht voornemens te

zijn Diesel te laten euthanaseren.

1.15

Bij brief van 21 oktober 2013 heeft [persoon4] gereageerd op het rapport van

15 oktober 2013 en verzocht Diesel een training van vier weken bij het gedragscentrum te bieden en – afhankelijk van de resultaten – daarmee terugkeer naar verzoeker mogelijk te maken.

1.16

Bij brief van 23 oktober 2013 heeft verweerder de voorzieningenrechter meegedeeld

niet in te stemmen met plaatsing van Diesel in het gedragscentrum, omdat hij geen enkel risico meer wil nemen met deze hond in verband met de openbare orde, rust en veiligheid voor buurtbewoners. Gezien de ernst van de incidenten van 2012, de impact hiervan voor de slachtoffers, de angst van buurtbewoners, de bevindingen na het besluit van 3 juli 2012 en het incident van 2 september 2013 acht verweerder het onverantwoord de hond nog toe te vertrouwen aan verzoeker.

2.

In het bestreden besluit heeft verweerder Diesel met toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet in beslaggenomen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd het incident van 2 september 2013, het besluit van 3 juli 2012 waarbij Diesel is aangewezen als gevaarlijke hond, hij kort moet zijn aangelijnd en voorzien moet zijn van een muilkorf, dat Diesel op 2 september 2013 toch heeft gebeten en dat op 3 september 2013 de muilkorf niet deugdelijk om de snuit was bevestigd. Verweerder vindt dat verzoeker zijn verantwoordelijkheid onvoldoende neemt en om die reden vreest verweerder dat de verstoring van de openbare orde en veiligheid zich kan herhalen en de maatschappelijke onrust wederom wordt verstoord. Verweerder maakt zich ernstige zorgen over de gevaarzetting in de woonomgeving van verzoeker en beschouwt de aanwezigheid van Diesel als een ernstige aantasting van de openbare orde, althans als ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Volgens verweerder kan hij door de aanwezigheid van Diesel de veiligheid in de buurt niet garanderen. Dit levert een direct dreigend gevaar op voor anderen of tast de rechten van anderen aan.

3.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.

Het verzoek van verzoeker strekt ertoe te bepalen dat verweerder het beslag op Diesel onmiddellijk opheft en/of bewerkstelligt dat Diesel onmiddellijk aan verzoeker wordt afgegeven, zo nodig onder de voorwaarde dat verzoeker Diesel laat onderzoeken en trainen in het gedragscentrum. Aan de orde is dus of het beslag van Diesel mag voortduren of dat Diesel moet worden teruggegeven aan verzoeker. Een beslissing over het euthanaseren van Diesel is in deze procedure niet aan de orde; verweerder zal hiertoe aan apart besluit nemen.

5.

De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

6.

Het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Dit vereist een meer inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op basis van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

7.

Verzoeker heeft betoogd dat verweerder Diesel ten onrechte in beslag heeft genomen. Hiertoe heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft steeds voldaan aan de op 3 juli 2012 aan de hond opgelegde muilkorfverplichting. Wat betreft het bijtincident op
2 september 2013 treft Diesel geen blaam, omdat Diesel zelf werd aangevallen door de andere hond. Deze hond beet in de muilkorf van Diesel, waardoor de muilkorf kapot is gegaan en Diesel de andere hond in de staart kon bijten. In het bestreden besluit gaat verweerder dan ook uit van onjuiste feiten. Het is dan ook onjuist dat Diesel de rust en veiligheid ernstig zou hebben verstoord en om die reden heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat Diesel een direct dreigend gevaar voor anderen zou zijn en Diesel de rechten van anderen zou aantasten. Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat uit door hem overgelegde verklaringen van derden, waaronder[bedrijf 2], volgt dat Diesel een vriendelijke hond is die geen problemen veroorzaakt. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verzoeker over het niet voldoen aan het muilkorf gebod op
3 september 2013 opgemerkt dat hij de verbalisant tegenkwam juist op het moment dat hij terugkeerde van een bezoek aan de dierenarts met Diesel en voor hem een nieuwe muilkorf had gekocht, omdat de oude op 2 september 2013 was stukgebeten door de border collie. Hij had de nieuwe muilkorf omgedaan maar omdat deze muilkorf nieuw was, zat deze nog niet zo goed. Verzoeker ontkent de muilkorf van de andere rottweiler te hebben gebruikt, terwijl dit bovendien ook geen verschil had gemaakt omdat de koppen van beide rottweilers even groot zijn.

8.

Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. Uit deze bepaling moet worden afgeleid dat de burgemeester beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De rechter kan dit oordeel slechts terughoudend toetsen.

9.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de burgemeester met toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een hond in beslag nemen indien de hond – kort gezegd – een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde.

10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde incidenten van 2 september 2013 (bijtincident) en
3 september 2013 (los zittende muilkorf) betwist. Wat betreft het incident van
2 september 2013 stelt de voorzieningenrechter vast dat, zoals verweerder ook heeft erkend in zijn reactie van 9 oktober 2013, de verklaringen van verzoeker en de eigenaar van de andere hond over het incident uiteenlopen en aldus niet zonder meer duidelijk is wat zich precies heeft afgespeeld. Hoe dan ook staat vast dat Diesel zich op 2 september 2013 heeft weten los te rukken en de andere hond heeft gebeten. Wat betreft het incident op
3 september 2013 komen de verklaringen van verzoeker hierover, de voorzieningenrechter niet onlogisch voor. Daar staat echter tegenover dat deze verklaringen niet overeenstemmen met het door [persoon3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van
5 september 2013 zoals hiervoor weergeven onder 1.9.

11.

De vraag is vervolgens of deze twee incidenten voor verweerder voldoende gewicht in de schaal leggen om tot het oordeel te komen dat Diesel een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde op grond waarvan inbeslagname van Diesel de enige maatregel is om dat gevaar af te wenden en afgewend te houden. Voor een ontkennende beantwoording van die vraag kan worden aangevoerd dat verweerder na de incidenten van
2 en 3 september 2013 eerst op 9 september 2013 het bestreden besluit heeft genomen, terwijl de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet er juist op moet zijn gericht een dreigende verstoring van de openbare orde onmiddellijk aan te pakken, alsook dat verweerder de gestelde maatschappelijke onrust in de buurt door de aanwezigheid van Diesel weinig inzichtelijk heeft gemaakt. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag kan worden aangevoerd dat Diesel betrokken is geweest bij een aantal (ernstige) bijtincidenten in de buurt, dat verzoeker en zijn echtgenote die incidenten niet hebben kunnen voorkomen en dat [deskundige] in zijn rapport heeft geconcludeerd dat de risico’s die Diesel met zich mee brengt voor mens en hond zonder meer hoog te noemen zijn. Hierbij is van belang dat de voorzieningenrechter de inschatting van verweerder dat Diesel een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde slechts terughoudend kan toetsen. Er bestaat dus twijfel of de inbeslagname van Diesel, indien verweerder dit besluit in bezwaar zou handhaven, uiteindelijk in beroep zal standhouden.

12.

In die twijfel ziet de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding het verzoek van verzoeker om een voorlopige toe te wijzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder bij voortduring van het beslag van Diesel zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij onmiddellijke teruggave van Diesel. In de eerste plaats is hiertoe van belang dat de voorzieningenrechter weliswaar begrijpt dat verzoeker zijn hond graag terug wil hebben en dat het voor Diesel beter is als hij niet langer in de opslag verblijft, maar dat, zoals ter zitting van de voorzieningenrechter ook duidelijk is geworden, Diesel niet zonder meer terug kan naar het huis van verzoeker. Verweerder heeft voorts uiteengezet dat Diesel in prima conditie verkeert, goed gezond en goed benaderbaar is, alsook voeding krijgt die bij hem past. In de tweede plaats is hiertoe van belang dat een beslissing op bezwaar niet lang op zich laat wachten. Verweerder heeft ter zitting van de voorzieningenrechter verklaard dat verzoeker op 31 oktober 2013 naar aanleiding van zijn bezwaarschrift zal worden gehoord door de commissie, dat de commissie op korte termijn adviezen pleegt uit te brengen en dat verweerder vervolgens kort na het uitbrengen van het advies een besluit op bezwaar zal nemen. Ter zitting van de voorzieningenrechter is voorts de mogelijkheid onderzocht of Diesel gedurende een periode van vier weken in het gedragscentrum kan worden geplaatst en aldaar een training kan krijgen, maar verweerder heeft bij faxbericht van 23 oktober 2013 laten weten hiermee niet in te stemmen. In aanmerking genomen dat plaatsing van Diesel in het gedragscentrum betekent dat verweerder feitelijk niet meer de beschikkingmacht over Diesel heeft en dat deze beschikkingsmacht terugkomt bij verzoeker en mede gelet op evenbedoelde belangenafweging, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat Diesel moet worden geplaatst in het gedragscentrum.

13.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

14.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen - Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.