Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5970

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
01/889103-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, als medewerker van een coffeeshop, wordt schuldig bevonden aan het vervoeren en afleveren van hennep en hasjiesj. Er wordt geen straf of maatregel opgelegd. Achterdeurproblematiek coffeeshop. AHOJG-criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/889103-11 en 01/845285-11 (ttz gevoegd)

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 november 2011 en 15 oktober 2013.

Op 15 oktober 2013 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 4 oktober 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juli

2011 tot en met 3 augustus 2011, in elk geval op 26 juli 2011 en/of 3 augustus

2011, te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

hoeveelheden, althans een hoeveelheid, van van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

artikel 3 aanhef onder B / C Opiumwet;

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/845285-11 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

ongeveer 492 voorgedraaide joints en/of 141 gram hennep en/of 34 gram

hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en

hennep (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

artikel 3/B/C Opiumwet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft, op gronden zoals nader uiteengezet in de pleitnota, een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Kort gezegd komt het verweer hierop neer dat verdachte er op mocht vertrouwen dat de bevoorrading van de coffeeshops op de wijze zoals deze in de onderhavige zaak plaatsvond, feitelijk gedoogd werd en dat hij wat betreft het vervoer van de softdrugs naar de coffeeshops in het kader van de bevoorrading van de coffeeshops niet vervolgd zou worden. Nu het openbaar ministerie desalniettemin een vervolgingsbeslissing heeft genomen, is daarmee het vertrouwensbeginsel geschonden. Tevens is naar het oordeel van de verdediging gehandeld in strijd met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging en is sprake van willekeur omdat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie gelet op de feiten en omstandigheden die in de onderhavige zaak speelden, heeft kunnen oordelen dat met de vervolging, dan wel met voortzetting daarvan, enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

De officier van justitie heeft het beroep weersproken op de gronden als in zijn schriftelijk requisitoir weergegeven.

Alvorens tot beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren over te gaan stelt de rechtbank het navolgende vast.

Onder het vertrouwensbeginsel wordt verstaan dat door de overheid opgewekte verwachtingen in redelijkheid dienen te worden gehonoreerd, tenzij zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten.

Van schending van de beginselen van een goede procesorde is sprake als er doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort wordt gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak, dan wel in uitzonderlijke gevallen.

Bij schending van deze beginselen dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank stelt voorts vast dat van concrete en duidelijke toezeggingen van overheidswege aan verdachte dat hij en/of zijn medeverdachte niet zou(den) worden vervolgd voor het vervoeren van softdrugs ter bevoorrading van coffeeshops.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte die hoeveelheden softdrugs vervoerde om coffeeshops te bevoorraden, er niet zonder meer op mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden, nu niet gebleken is van enig overleg in welke vorm dan ook tussen verdachte en/of zijn mededader(s) met de gemeente en/of het openbaar ministerie over zaken aangaande dat vervoer.

Aan het openbaar ministerie is op grond van artikel 167, eerst lid, Sv de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In casu is van een dergelijk uitzonderlijk geval geen sprake en is het recht op vervolging onverkort aanwezig nu de overheid te kennen heeft gegeven dat een wijze van handelen als de onderhavige in strijd is met de Opiumwet en met de gedoogvoorwaarden.

Gelet op het marginale toetsingskader waarbinnen de rechtbank moet oordelen en gelet op het vastgelegde kader waarin de verkoop van softdrugs (binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch) gedoogd wordt, kan niet worden geconcludeerd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot de vervolging van verdachte heeft kunnen komen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en wijst het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie af.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder parketnummer 01/845285-11 ten laste gelegde feit omdat -kort gezegd- op grond van de Aanwijzing Opiumwet, gelet op de hoeveelheid van de onder verdachte in beslag genomen drugs, hem een transactie aangeboden had moeten worden. Door dat niet te doen heeft de officier van justitie het vertrouwensbeginsel geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Allereerst constateert de rechtbank dat niet is komen vast te staan hoeveel gram hennep in totaal in de auto van verdachte is aangetroffen. Uit het strafdossier blijkt immers niet wat het gewicht van de aangetroffen joints is. Voorts overweegt de rechtbank dat de Aanwijzing Opiumwet onder het kopje ‘strafvordering’ verwijst naar de Richtlijn voor Strafvordering Opiumwet. Deze richtlijn is geen wetgeving in de zin van de Wet R.O. Het staat het openbaar ministerie vrij in voorkomende gevallen af te wijken van deze richtlijn. In het onderhavige geval lag een transactie, zo de richtlijn dit al als uitgangspunt nam, niet in de rede gezien de samenhang met het gevoegde strafbare feit.

Ook overigens kan de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.

De verdediging heeft op gronden als in zijn pleidooi genoemd -kort gezegd- aangevoerd dat de aan de politie voorhanden zijnde informatie onvoldoende was voor een redelijk vermoeden van de schuld aan overtreding van de Opiumwet en voorts dat de door de politie ingezette opsporingsbevoegdheden onrechtmatig zijn geweest. De raadsman verzoekt verdachte op grond hiervan vrij te spreken.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de aanleiding voor het onderzoek in deze zaak tegen verdachte een anonieme tip was, die is binnengekomen bij de Arbeidsinspectie te Roermond. Daarin werd gemeld dat een bedrijf genaamd [bedrijf 1], gevestigd op het adres [adres 2] te ’s-Hertogenbosch, en in eigendom toebehorende aan[medeverdachte], nep was, dat er twee keer per week een grote hoeveelheid drugs binnenkwam en dat er zeven dagen per week vanuit het bedrijf drugs gedistribueerd werden, gemiddeld acht keer per dag, dat zich in het magazijn een verborgen ruimte/dubbele muur bevond waarachter een grote hoeveelheid wiet en hash lag, en dat de eigenaar bekend staat als extreem gewelddadig.

Deze informatie werd door de Arbeidsinspectie ter beschikking gesteld aan de regiopolitie Brabant-Noord. De regiopolitie heeft vervolgens onderzoek gedaan in het handelsregister waarin naar voren kwam dat op het adres [adres 2] te ’’s-Hertogenbosch daadwerkelijk een eenmanszaak op naam van [medeverdachte] was gevestigd met een drietal bedrijfs/handelsnamen, waaronder de naam [bedrijf 1]. Voorts is informatie ingewonnen bij het kadaster.

Uit het bedrijfsprocessensysteem kwam verder naar voren dat [medeverdachte] een antecedent uit 2008 had ter zake overtreding van artikel 3 onder B van de OW. In dat jaar werd in een loods achter een winkel, die beiden aan [medeverdachte] toebehoorden, een hennepkwekerij aangetroffen. [medeverdachte] had de loods verhuurd aan [persoon 1] die ook antecedenten had op het gebied van de Opiumwet.

De rechtbank is van oordeel dat de door de politie ingewonnen informatie uit het handelsregister, het kadaster en de raadpleging van de bedrijfsprocessensystemen, naast de anonieme informatie, binnengekomen bij de Arbeidsinspectie te Roermond, toereikend was om [medeverdachte] als verdachte van overtreding van de Opiumwet aan te merken.

Op grond hiervan werd besloten tot het inzetten van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden, te beginnen met de bevraging van het centraal informatieknooppunt onderzoek telecommunicatie (CIOT). Op basis van de daaruit voortvloeiende informatie werden historische verkeersgegevens opgevraagd van de telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte]. Vervolgens is een bevel stelselmatige observatie van beperkte duur gegeven op het pand [adres 2] te ’s-Hertogenbosch.

Bij die observatie kwam verdachte [verdachte] in beeld.

De rechtbank stelt vast dat bij de inzet van deze BOBmiddelen sprake was van een zekere opbouw in de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, waarbij bij de inzet van ieder middel, de bruikbaarheid en de aannemelijkheid van verkregen informatie steeds opnieuw werden beoordeeld. Daarbij werd gelet op de aard van het ingezette BOB-middel, de periode waarover deze zou plaatsvinden en de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte.

Op grond hiervan verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de ingezette opsporingsmiddelen onrechtmatig zouden zijn ingezet.

Vaststaande feiten,

(parketnummer 01/889103-11)

Verdachte heeft in de periode van 26 juli 2011 tot en met 3 augustus 2013 in ’s-Hertogenbosch opzettelijk hashiesj en hennep afgeleverd en vervoerd.

(parketnummer 01/845285-11)

Verdachte werd op 5 augustus 2011 staande gehouden toen hij in een grijze [merk], kenteken [kenteken] reed over de Veemarktweg te ’s-Hertogenbosch. In de laadruimte van de auto troffen verbalisanten twee sporttassen aan met daarin een grote hoeveelheid hennepproducten1.Bij testen en wegen van de aangetroffen producten bleek er sprake te zijn van 492 voorgedraaide joints, 141,58 gram hennep en 34,54 gram hasjiesj2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 15 oktober 2013 bekend. De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor zover de in dit vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent.

De gebezigde bewijsmiddelen ontleent de rechtbank aan:

(parketnummer 01/889103-11)

  • -

    een dossier van politie Regio Brabant Zuid-Oost, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, locatie Breda, met dossiernummer 228B110198 afgesloten d.d. 2 november 2011 aantal doorgenummerde bladzijden: 1569 (hierna te noemen: eindpv 1);

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2013.

(parketnummer 01/845285-11):

- een dossier van politie Regiopolitie Brabant-Noord, Afdeling districtelijke opsporing met dossiernummer 2011081722, afgesloten d.d. 5 augustus 2011 aantal doorgenummerde bladzijden: 58 (hierna te noemen: eindpv 2);

- het proces-verbaal van de terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2013.

De rechtbank acht op grond van de navolgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd:

(parketnummer 01/889103-11)

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 20133

  • -

    processen-verbaal betreffende observaties p. 134-136, 138-141 eindpv 1

  • -

    proces-verbaal verhoor[getuige 1] p. 417-423 eindpv 1

  • -

    relaas verbalisant[verbalisant 1] (werkroosters)4

- relaas verbalisant [verbalisant 2]5

- relaas verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5]6

- relaas verbalisant[verbalisant 1]7

- relaas verbalisanten [verbalisant 6] en[verbalisant 1]8

- relaas [verbalisant 6]9.

(parketnummer 01/845285-11)

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 2013

  • -

    proces-verbaal van bevindingen p. 10-12 eindpv 2

  • -

    proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 13-15 eindpv 2.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(parketnummer 01/889103-11)

op tijdstippen in de periode van 26 juli 2011 tot en met 3 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch gezamenlijk en in vereniging (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd hasjiesj en hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

(parketnummer 01/845285-11)

op 5 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch opzettelijk heeft vervoerd

492 voorgedraaide joints en 141 gram hennep en 34 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

  • -

    een geldboeten van € 10.000,-

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden m.a. van voorarrest, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2jaren;

  • -

    teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen gsm’s.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder parketnummer 01/889103-11 ten laste gelegde

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal verdachte schuldig verklaren maar geen straf of maatregel opleggen.

De rechtbank heeft verdachte hierboven schuldig bevonden aan het afleveren en vervoeren van hasjiesj en hennep en voorts aan het vervoeren van 492 voorgedraaide joints en 141 gram hennep en 34 gram hasjiesj.

De rechtbank stelt vast dat de bewezen geachte feiten zijn begaan in het kader van de exploitatie van twee coffeeshops in ‘s-Hertogenbosch, te weten [bedrijf 2] en [bedrijf 3] [bedrijf 4]te Tilburg was bestuurder van de coffeeshops en tevens werkgever van verdachte.

Getuige [getuige 1], die evenals verdachte in loondienst is geweest van [bedrijf 4], heeft bij het verhoor door de politie een beschrijving gegeven van de gang van zaken rond de bevoorrading van de coffeeshops en ook de verdachte heeft ter terechtzitting openheid betracht omtrent de wijze waarop de coffeeshops werden bevoorraad, inclusief de achterdeurproblematiek.

Hier doet zich de paradoxale situatie voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich aan de zogenaamde AHOJG-criteria houdt, gedoogd wordt waar het in die criteria genoemde handelingen dan wel het nalaten daarvan betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een - voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke - voorraad en de aankoop van de verdovende middelen bij kwekers dan wel tussen- of groothandelaren onverminderd verboden zijn en even zovele strafbare feiten opleveren.

Op grond van de overgelegde stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt de rechtbank tot de slotsom dat de door verdachte gepleegde feiten rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de twee coffeeshops, terwijl het bij dat laatste om een in beginsel gedoogde activiteit gaat. Dat deze exploitatie noodzakelijkerwijs betekende dat verdachte een strafbaar feit pleegde door softdrugs te vervoeren en af te leveren disculpeert hem niet, maar kleurt de feiten wel in hoge mate in. Zolang het openbaar ministerie ervoor kiest om zaken waarin de achterdeurproblematiek speelt aan de rechter voor te leggen, zal deze een inhoudelijke beslissing op de hem voorgelegde feiten dienen te geven.

De verdediging heeft uitvoerig bepleit dat deze situatie in navolging van enkele uitspraken van andere rechterlijke instanties tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou dienen te leiden. De rechtbank heeft hierboven gemotiveerd uiteengezet waarom zij dit standpunt, waar het de beslissing van het openbaar ministerie betreft om tot vervolging over te gaan, niet deelt. Overigens ligt hier een taak voor de wetgever; het is niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de strafbaarstelling van de verweten gedragingen.

Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat wat verdachte verweten wordt, in feite onderdeel vormt van een op economisch verantwoorde wijze exploiteren van twee gedoogde coffeeshops van enige omvang, is zij van oordeel dat met de constatering dat dit strafbare feiten zijn en verdachte daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. Daarom zal zij, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte geen straf of maatregel opleggen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslaggenomen gsm’s aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 47, 57, 63

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/889103-11:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/845285-11:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

T.a.v. 48/889103-11, 48/845285-11:

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Teruggave aan veroordeelde van de in beslag genomen goederen, te weten;

  • -

    gsm, kleur zwart/grijs, merk Nokiagoednr 330188

  • -

    gsm, kleur grijs, merk Nokia C70, goednr 330189.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. M.M. Klinkenbijl en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 29 oktober 2013.

Mr. W.T.A.M. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen p. 10-12 van eindpv 2

2 Proces-verbaal van bevindingen p. 13-15 van eindpv 2

3 Proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2013 van eindpv 1

4 Proces-verbaal van bevindingen en bijlagen p. 1074-1094 van eindpv 1

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 967-974 van eindpv 1

6 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen p. 1019-1024 van eindpv 1

7 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen p. 1074-1096 van eindpv 1

8 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen p 1224-1249 van eindpv

9 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage p. 225-227 van eindpv 1