Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5920

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
SHE-13_342
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 6:22 van de Awb (nieuw) ten gevolge van onjuiste wettelijke grondslag besluit.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: A.M. Jacobs).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Tevens heeft verweerder het ten onrechte betaalde voorschot ten bedrage van € 200,00 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 23 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013. Eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiser heeft zich op 26 juli 2012 gemeld bij verweerders gemeente voor een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder onderzoek verricht naar de woonsituatie van eiser. Gedurende de periode van 31 augustus 2012 tot 12 oktober 2012 zijn observaties verricht bij de woning aan [adres 1], waar eisers voormalige partner[persoon 1] en eisers dochter wonen, en de woning aan [adres 2], waar eiser volgens eigen opgave zou wonen. Daarnaast heeft op 11 oktober 2012 op het kantoor van verweerder een gesprek met eiser plaatsgehad. Aansluitend aan dit gesprek is een huisbezoek verricht op het[adres 2].

Verweerder heeft de WWB-uitkering vervolgens met toepassing van artikel 40 van de WWB geweigerd omdat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres en aangenomen moet worden dat eiser buiten verweerders gemeente woonplaats heeft.

3.

Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat hij als voormalig vluchteling een zeer karig bestaan leidt, en hij ten tijde van het ingestelde onderzoek werk zocht in diverse grote steden. Hij bleef in die tijd wel eens enkele dagen bij vrienden overnachten omdat hij geen geld had om steeds op en neer te reizen naar [woonplaats].

4.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit het ingestelde onderzoek voldoende blijkt dat eiser ten tijde in geding niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres aan de [adres 2]. De rechtbank acht in dit verband van belang dat tijdens het huisbezoek op 11 oktober 2012 in de woning geen etenswaren, persoonlijke verzorgingsartikelen of administratie zijn aangetroffen. Eisers stelling dat hij een karig bestaan leidt, biedt voor de onbewoonde indruk die de woning tijdens het huisbezoek maakte geen afdoende verklaring. Daarnaast blijkt uit de door verweerder verrichte observaties dat de op naam van eiser staande auto met kenteken

[nummer] in de periode van 31 augustus 2012 tot en met 11 oktober 2012 zestien keer is aangetroffen op het [adres 1] waar[persoon 1] en eisers dochter woonachtig zijn, en slechts één keer is aangetroffen op het adres [adres 2]. Twee keer is waargenomen dat eiser samen met[persoon 1] in zijn auto stapte vanuit de woning aan de [adres 1].

De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Verweerders conclusie dat artikel 40 van de WWB in dat geval aan verstrekking van bijstand in de weg staat, deelt de rechtbank echter niet. De onderzoeksresultaten bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor verweerders aanname dat eiser buiten verweerders gemeente woonplaats zou houden. De enkele verklaring van eiser ten overstaan van medewerkers van het team handhaving dat hij vier tot vijf dagen per week bij vrienden in Amsterdam, Utrecht en Tilburg verblijft en hij daar blijft slapen, is daartoe - mede gelet op de overige onderzoeksbevindingen en verklaringen van eiser - onvoldoende.

Zoals ter zitting door verweerder is aangegeven heeft eiser, door onjuiste inlichtingen te verschaffen over zijn werkelijke woonadres, de in artikel 17, eerste lid, van de WWB opgenomen inlichtingenverplichting geschonden. Nu ten gevolge daarvan het recht op bijstand door verweerder niet kan worden vastgesteld is hierin de grond voor afwijzing van eisers bijstandsaanvraag gelegen.

6.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de bijstandsaanvraag van eiser terecht afgewezen, zij het dat dit op grond van een onjuiste wettelijke grondslag is gebeurd. Nu niet aannemelijk is dat eiser door deze handelwijze van verweerder is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dit artikel met ingang van 1 januari 2013 is komen te luiden, in stand te laten.

7.

De rechtbank volgt eiser ten slotte niet in zijn stelling dat sprake is van schending van het privé- en gezinsleven van eiser als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder verbiedt eiser immer niet om in de woning aan de [adres 1] voor zijn kind te zorgen. Van eiser wordt enkel verlangd dat hij hoofdverblijf houdt op het door hem bij de bijstandsaanvraag opgegeven adres. De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Tegen de terugvordering van het verstrekte voorschot is geen zelfstandige beroepsgrond door eiser aangevoerd.

9.

Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.