Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5907

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
01/889083-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, als (mede)exploitant van twee coffeeshops van enige omvang in Den Bosch wordt schuldig bevonden zonder oplegging van straf of maatregel. Achterdeurproblematiek coffeeshop. AHOJG-criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01/889083-11]

Strafrecht

Parketnummer: 01/889083-11

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 november 2012 en 15 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 oktober 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 september 2011, in de gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hasjiesj en/of hennep, in

elk geval meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars

en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd en/of hennep, namelijk:

- in een bedrijfspand ([adres]) ongeveer 6185 stuks canabis

producten (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 8508 gram) en/of ongeveer

14790 voorgerolde joints en/of 60 weedcookies en/of

- in een personenauto (kenteken [kenteken]) een hoeveelheid van ongeveer 68

stuks canabis producten (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 92 gram)

en/of ongeveer 231 voorgerolde joints en/of 5 weed cookies,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 juni 2010

tot en met 31 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch, althans in het

Arrondissement 's-Hertogenbosch,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als

eigenaar/exploitant van '[bedrijf 1]' en/of als werknemer van[bedrijf 2]

),

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

(een) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), en/of

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) (van meer

dan 30 gram) hennep en/of hasjsiesj,

zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft, op gronden zoals nader uiteengezet in de pleitnota, een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Kort gezegd komt het verweer hierop neer dat verdachte er op mocht vertrouwen dat de bevoorrading van de coffeeshops op de wijze zoals deze in de onderhavige zaak plaatsvond, feitelijk gedoogd werd en dat hij voor de bevoorrading zowel wat betreft het vervoer van de softdrugs naar de coffeeshops als het door verdachte aanwezig hebben van een stash bestemd voor de bevoorrading niet vervolgd zou worden. Nu het openbaar ministerie desalniettemin een vervolgingsbeslissing heeft genomen, is daarmee het vertrouwensbeginsel geschonden. Tevens is naar het oordeel van de verdediging gehandeld in strijd met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging en is sprake van willekeur omdat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie gelet op de feiten en omstandigheden die in de onderhavige zaak speelden, heeft kunnen oordelen dat met de vervolging, dan wel met voortzetting daarvan, enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

De officier van justitie heeft het beroep weersproken op de gronden als in zijn schriftelijk requisitoir weergegeven.

Alvorens tot beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren over te gaan stelt de rechtbank het navolgende vast.

Onder het vertrouwensbeginsel wordt verstaan dat door de overheid opgewekte verwachtingen in redelijkheid dienen te worden gehonoreerd, tenzij zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten.

Van schending van de beginselen van een goede procesorde is sprake als er doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort wordt gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak, dan wel in uitzonderlijke gevallen.

Bij schending van deze beginselen dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat van concrete en duidelijke toezeggingen van overheidswege aan verdachte dat hij en/of zijn medeverdachte(n) niet zou(den) worden vervolgd voor het vervoeren van softdrugs ter bevoorrading van coffeeshops en voor het hebben van een stash op het perceel [adres] te ’s-Hertogenbosch nooit sprake is geweest. Evenmin kan worden vastgesteld dat het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad aan hasjiesj en hennep in casu impliciet is gedoogd. Zelf was verdachte kennelijk ook niet de opvatting toegedaan dat zijn externe opslag ongemoeid zou worden gelaten, nu die externe bedrijfsvoorraad op een geheime plek, in een ruimte achter de wand, werd bewaard.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte die softdrugs vervoerde om coffeeshops te bevoorraden en een bedrijfsvoorraad voor die coffeeshops hield, er niet zonder meer op mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden, nu niet gebleken is van enig overleg in welke vorm dan ook tussen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met de gemeente en/of het openbaar ministerie over zaken aangaande de opslag van softdrugs op de locatie [adres] te ’s-Hertogenbosch.

Aan het openbaar ministerie is op grond van artikel 167, eerst lid, Sv. de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In casu is van een dergelijk uitzonderlijk geval geen sprake en is het recht op vervolging onverkort aanwezig nu de overheid te kennen heeft gegeven dat een wijze van handelen als de onderhavige in strijd is met de Opiumwet en met de gedoogvoorwaarden.

Gelet op het marginale toetsingskader waarbinnen de rechtbank moet oordelen en gelet op het vastgelegde kader waarin de verkoop van softdrugs (binnen de gemeente ’s-Hetogenbosch) gedoogd wordt, kan niet worden geconcludeerd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot de vervolging van verdachte heeft kunnen komen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en wijst het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie af.

Ook overigens kan de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.

De verdediging heeft op gronden als in zijn pleidooi genoemd -kort gezegd- aangevoerd dat de aan de politie voorhanden zijnde informatie onvoldoende was voor een redelijk vermoeden van de schuld aan overtreding van de Opiumwet en voorts dat de door de politie ingezette opsporingsbevoegdheden onrechtmatig zijn geweest. De raadsman verzoekt verdachte op grond hiervan vrij te spreken.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de aanleiding voor het onderzoek in deze zaak tegen verdachte een anonieme tip was, die is binnengekomen bij de Arbeidsinspectie te Roermond. Daarin werd gemeld dat een bedrijf genaamd [bedrijf 1], gevestigd op het adres [adres] te ’s-Hertogenbosch, en in eigendom toebehorende aan [verdachte 1], nep was, dat er twee keer per week een grote hoeveelheid drugs binnenkwam en dat er zeven dagen per week vanuit het bedrijf drugs gedistribueerd werden gemiddeld acht keer per dag, dat zich in het magazijn een verborgen ruimte/dubbele muur bevond waarachter een grote hoeveelheid wiet en hash lag, en dat de eigenaar bekend staat als extreem gewelddadig.

Deze informatie werd door de Arbeidsinspectie ter beschikking gesteld aan de regiopolitie Brabant-Noord. De regiopolitie heeft vervolgens onderzoek gedaan in het handelsregister waarin naar voren kwam dat op het adres [adres] te ’’s-Hertogenbosch daadwerkelijk een eenmanszaak op naam van [verdachte 1] was gevestigd met een drietal bedrijfs/handelsnamen, waaronder de naam [bedrijf 1]. Voorts is informatie ingewonnen bij het kadaster.

Uit het bedrijfsprocessensysteem kwam verder naar voren dat [verdachte 1] een antecedent uit 2008 had ter zake overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet. In dat jaar werd in een loods achter een winkel, die beiden aan [verdachte 1] toebehoorden, een hennepkwekerij aangetroffen. [verdachte 1] had de loods verhuurd aan [persoon 1] die ook antecedenten had op het gebied van de Opiumwet.

Op grond van al deze informatie tezamen is [verdachte 1] als verdachte aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de door de politie ingewonnen informatie uit het handelsregister, het kadaster en de raadpleging van de bedrijfsprocessensystemen, naast de anonieme informatie, binnengekomen bij de Arbeidsinspectie te Roermond, toereikend was om [verdachte 1] als verdachte van overtreding van de Opiumwet aan te merken.

Op grond hiervan werd besloten tot het inzetten van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden, te beginnen met de bevraging van het centraal informatieknooppunt onderzoek telecommunicatie (CIOT). Op basis van de daaruit voortvloeiende informatie werden historische verkeersgegevens opgevraagd van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte 1]. Vervolgens is een bevel stelselmatige observatie van beperkte duur gegeven op het pand [adres] te ’s-Hertogenbosch. Het observatieteam is verder ingezet ten behoeve van de aanhouding van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat bij de inzet van deze BOBmiddelen sprake was van een zekere opbouw in de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, waarbij bij de inzet van ieder middel, de bruikbaarheid en de aannemelijkheid van verkregen informatie steeds opnieuw werden beoordeeld. Daarbij werd gelet op de aard van het ingezette BOB-middel, de periode waarover deze zou plaatsvinden en de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte.

Op grond hiervan verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de ingezette opsporingsmiddelen onrechtmatig zouden zijn ingezet.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest en dat als gevolg daarvan de bij hem in de auto aangetroffen softdrugs onrechtmatig zijn aangetroffen. De raadsman gaat er daarbij van uit dat verdachte op heterdaad is aangehouden.

De rechtbank verwerpt dat verweer nu blijkens het dossier op 24 augustus 2011 door het openbaar ministerie reeds een bevel was gegeven om verdachte buiten heterdaad aan te houden.

Vaststaande feiten.

Bij een inval in een bedrijfspand aan de [adres] te ’s-Hertogenbosch op

1 september 2011 werden in een verborgen ruimte 6185 cannabisproducten en 14790 voorgerolde joints aangetroffen1. Bij testen en wegen van de 6185 cannabisproducten bleken deze producten hasj en hennep te zijn en een gezamenlijk gewicht van 8508,56 gram te hebben. De 14790 voorgerolde joints bleken hasj of hennep te bevatten2. Verdachte huurde in genoemde periode het bedrijfspand3.

Op 1 september 2011 werd verdachte als bestuurder van een personenauto, merk Renault, met kenteken [kenteken], ter hoogte van de Zuid-Willemsvaart in ’s-Hertogenbosch aangehouden. Bij doorzoeking van de personenauto4 werd in de kofferbak onder meer een laptoptas aangetroffen met daarin een sealbag met 68 doosjes cannabisproducten, 231 opgerolde joints en 5 weed cookies5. Bij testen en wegen van de 68 doosjes cannabisproducten bleken deze hasj of hennep te bevatten met een gezamenlijk gewicht van 92,65 gram. De 231 joints bleken hasj of hennep te bevatten 6.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 15 oktober 2013 bekend. De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor zover de in dit vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent.

De gebezigde bewijsmiddelen ontleent de rechtbank aan:

  • -

    een dossier van politie Regio Brabant Zuid-Oost, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, locatie Breda, met dossiernummer 228B110198 afgesloten d.d. 2 november 2011 aantal doorgenummerde bladzijden: 1569 (hierna te noemen: eindpv);

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2013.

De rechtbank acht op grond van de navolgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 20137

- processen-verbaal betreffende historische verkeersgegevens8

- processen-verbaal betreffende observaties9

- relaas van verbalisant [verbalisant 1]10

- proces-verbaal van aanhouding [verdachte 1]11

- proces-verbaal verhoor [persoon 2]12

- proces-verbaal verhoor [persoon 3]13

- relaas verbalisant[verbalisant 2]14

- onderzoek verdovende middelen15

- relaas verbalisant [verbalisant 3]16

- relaas verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3]

- arbeidsovereenkomsten.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 1 september 2011, in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hasjiesj en hennep, namelijk:

- in een bedrijfspand ([adres]) 6185 stuks cannabis producten (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 8508 gram) en 14790 voorgerolde joints en 60 weedcookies en

(verdachte) op 1 september 2011 in de gemeente ’s-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad

- in een personenauto (kenteken [kenteken]) een hoeveelheid van 68 stuks cannabis producten (met een gezamenlijk gewicht van ongeveer 92 gram) en ongeveer 231 voorgerolde joints en 5 weed cookies,

zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

op tijdstippen in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, als werknemer van[bedrijf 2]), (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, hennep en hasjiesj, en opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj,

zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

  • -

    een geldboete van € 50.000,-

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen auto.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal verdachte schuldig verklaren maar geen straf of maatregel opleggen. Voor de motivering hiervoor sluit de rechtbank aan bij de motivering die de rechtbank 's-Gravenhage voor een soortgelijke beslissing heeft gegeven bij vonnis van 21 december 2012 (LJN: BY7120).

De rechtbank heeft verdachte hierboven schuldig bevonden aan voorhanden hebben van bijna 8,5 kilo hennep en hasjproducten en 14790 voor gebruik gereed gemaakte joints en 60 weedkoekjes, aangetroffen in een externe opslagplaats. Hierdoor werd in strijd met de gedoogvoorwaarden gehandeld. Voorts werden in de auto van verdachte nog een hoeveelheid hennep van 92 gram en 231 joints aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat de bewezen geachte feiten zijn begaan in het kader van de exploitatie van twee coffeeshops in ‘s-Hertogenbosch, te weten [bedrijf 3] en [bedrijf 4]. [bedrijf 2] te [geboorteplaats] is bestuurder van de coffeeshops. Uit het dossier is niet gebleken dat de coffeeshops zich niet houden aan de door de gemeente ’s-Hertogenbosch gestelde gedoogvoorwaarden in het kader van het AHOJG-beleid. Daarnaast is ook niet komen vast te staan dat de coffeeshops in bedrijfsmatig opzicht niet zouden voldoen. Zo had verdachten een schriftelijke arbeidsovereenkomst, was hij aangemeld bij het UVW en kreeg (en krijgt) hij een aan de Belastingdienst opgegeven arbeidsloon. Van zwart uitbetaald arbeidsloon is niet gebleken. Daarnaast was sprake van een professioneel en doorzichtig opgezet systeem van voorraadbeheer.

Getuige [persoon 2], die evenals verdachte in loondienst is geweest van [bedrijf 2], heeft bij het verhoor door de politie een beschrijving gegeven van de handelwijze rond de bevoorrading van de coffeeshops en ook de verdachte heeft ter terechtzitting openheid betracht omtrent de wijze waarop de coffeeshops werden bevoorraad, inclusief de achterdeurproblematiek.



Verdachte bevoorraadde, als werknemer van [bedrijf 2], voornoemde coffeeshops. Beide coffeeshops hadden ieder gemiddeld 1200 klanten per dag. Aannemend dat een klant gemiddeld twee gram softdrugs per keer koopt, bedraagt de dagelijkse omzet in softdrugs van beide shops minimaal 4800 gram. Hieruit maakt de rechtbank op dat de voorraad die in de coffeeshops gedoogd werd, met toepassing van het 500-gram criterium, niet toereikend was voor de dagelijkse exploitatie van de coffeeshops. Voorts kan uit deze berekening worden opgemaakt dat de hoeveelheid die in beslag is genomen, te weten ongeveer 8508 hennep- en hasjproducten en 14790 voor gebruik gereed gemaakte joints en 60 weed/hasj koekjes de voorraad was voor ongeveer twee dagen. Deze hoeveelheid komt de rechtbank niet als onredelijk of extreem voor en is direct te relateren aan de omzet van de coffeeshops.

Hier doet zich de paradoxale situatie voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich

aan de zogenaamde AHOJG-criteria houdt, gedoogd wordt waar het de in die criteria genoemde handelingen dan wel het nalaten daarvan betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een - voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke - voorraad en de aankoop van de verdovende middelen bij kwekers dan wel tussen- of groothandelaren onverminderd verboden zijn en even zovele strafbare feiten opleveren.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de door verdachte gepleegde feiten alle rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de twee coffeeshops, terwijl het bij dat laatste om een in beginsel gedoogde activiteit gaat. Dat deze exploitatie noodzakelijkerwijs betekende dat verdachte een strafbaar feit pleegde door een externe bedrijfsvoorraad aan te houden, disculpeert hem niet, maar kleurt de feiten wel in hoge mate in. Zolang het openbaar ministerie ervoor kiest om zaken waarin de achterdeurproblematiek speelt aan de rechter voor te leggen zal deze een - inhoudelijke - beslissing op de hem voorgelegde feiten dienen te geven.

De verdediging heeft uitvoerig bepleit dat deze situatie in navolging van enkele uitspraken van andere rechterlijke instanties tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou dienen te leiden. De rechtbank heeft hiervoor gemotiveerd uiteengezet waarom zij dit standpunt, waar het de beslissing van het openbaar ministerie betreft om tot vervolging over te gaan, niet deelt. Overigens ligt hier een taak voor de wetgever; het is niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de strafbaarstelling van de verweten gedragingen.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat wat verdachte verweten wordt, in feite onderdeel vormt van een op economisch verantwoorde wijze (mede)exploiteren van twee coffeeshops van enige omvang, is zij van oordeel dat met de constatering dat dit strafbare feiten zijn en verdachte daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. Daarom zal zij, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte geen straf of maatregel opleggen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslaggenomen personenauto aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dat in beslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 47, 57

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid

aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 eerste lid aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Teruggave aan veroordeelde van:

- personenauto, Renault Megane, kenteken [kenteken].

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 7 september 2011 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. M.M. Klinkenbijl en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 29 oktober 2013.

Mr. W.T.A.M. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Pv bevindingen p. 967-974 van het eindp[v

2 Pv bevindingen p. 1019-1024 van het eindpv

3 Pv bevindingen p. 967-974 van het eindpv

4 Pv doorzoeking p. 934-936 van het eindpv

5 Pv bevindingen p. 967-974 van het eindpv

6 Pv bevindingen p. 1019-1024 van het eindpv

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2013

8 Processen-verbaal van bevindingen p. 67-68 en bijl., 77-92 en bijl.,98-99 en bijl., 108-109 en bijl., 217-219 van het eindpv

9 Processen-verbaal van observeren p. 120-121, 126-128, 134-136, 138-141, 203-209 van het eindpv

10 Proces-verbaal van bevindingen p. 143-145 van het eindpv

11 Proces-verbaal van aanhouding p. 720 van het eindpv

12 Proces-verbaal van verhoor p. 417-423 van het eindpv

13 Proces-verbaal van verhoor, p. 207-210 van het eindpv

14 Proces-verbaal van bevindingen p. 967-974 van het eindpv

15 Proces-verbaal van bevindingen p. 1019-1024 van het eindpv

16 Proces-verbaal van bevindingen en bijlagen p. 1074-1096 van het eindpv 14 Proces-verbaal van bevindingen en bijlagen p. 1224-1249 van het eindpv 15 arbeidsovereenkomsten p. 1028-1051 van het eindpv