Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5904

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
01/856069-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Verdachte was als beroepschauffeur gehouden meer voorzichtigheid te betrachten dan hij heeft gedaan. Verdachte heeft met zijn vrachtwagencombinatie bij het naderen van de kruising niet voldoende gelet op de verkeerslichten en heeft het rode licht genegeerd en heeft het van rechts komende slachtoffer (voetgangster) aangereden. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Overschrijding van de redelijke termijn leidt tot strafkorting van 10%. Opgelegd wordt een werkstraf van 100 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/856069-10

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 april 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 oktober 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 28 juli 2010 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagencombinatie, zijnde een trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg (de Orthenseweg en/of de Vogelstraat,) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

- verdachte is toen aldaar rijdende over de Orthenseweg het kruispunt met (onder andere) de Vogelstraat genaderd, waarbij hij niet, althans onvoldoende heeft gelet op de voor hem geldende verkeerslichten, en/of

- (vervolgens) is hij, verdachte, niet gestopt voor het voor hem geldende rode, althans oranje, verkeerslicht, en/of

- (vervolgens) is hij, verdachte, rechtsaf geslagen de Vogelstraat in, en/of

- is hij, verdachte, die Vogelstraat op gereden, terwijl hij niet, althans onvoldoende heeft gekeken in de richting waar hij naartoe reed en heeft hij aldus onvoldoende gelet op andere mogelijke verkeersdeelnemers, althans heeft hij zich er onvoldoende van vergewist dat er zich geen andere verkeersdeelnemers op zijn rijbaan bevonden, en/of

- heeft hij, verdachte, niet tijdig een overstekende voetgangster ([slachtoffer]) opgemerkt, althans heeft hij geen doorgang verleend aan een overstekende voetgangster ([slachtoffer]), waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en de voetgangster ([slachtoffer]), als gevolg waarvan die voetgangster is overleden.

[artikel 6 Wegenverkeerswet 1994]

subsidiair

hij op of omstreeks 28 juli 2010 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een voertuig (een vrachtwagencombinatie, zijnde een trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg (de Orthenseweg en/of de Vogelstraat,) heeft gehandeld als volgt:

- verdachte is toen aldaar rijdende over de Orthenseweg het kruispunt met (onder andere) de Vogelstraat genaderd, waarbij hij niet, althans onvoldoende heeft gelet op de voor hem geldende verkeerslichten, en/of

- (vervolgens) is hij, verdachte, niet gestopt voor het voor hem geldende rode, althans oranje, verkeerslicht, en/of

- (vervolgens) is hij, verdachte, rechtsaf geslagen de Vogelstraat in, en/of

- is hij, verdachte, die Vogelstraat op gereden, terwijl hij niet, althans onvoldoende heeft gekeken in de richting waar hij naartoe reed en heeft hij aldus onvoldoende gelet op andere mogelijke verkeersdeelnemers, althans heeft hij zich er onvoldoende van vergewist dat er zich geen andere verkeersdeelnemers op zijn rijbaan bevonden, en/of

- heeft hij, verdachte, niet tijdig een overstekende voetgangster ([slachtoffer]) opgemerkt, althans heeft hij geen doorgang verleend aan een overstekende voetgangster ([slachtoffer]), waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en de voetgangster ([slachtoffer]), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg is veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs 1

Inleiding.

Op 28 juli 2010 is verdachte te ’s-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagencombinatie, zijnde een trekker met oplegger) betrokken geraakt bij een verkeersongeval met een voetgangster, genaamd [slachtoffer]. Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer] komen te overlijden.2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie is van mening dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichting/onoplettend heeft gereden. Verdachte heeft niet goed naar het verkeerslicht op de Orthenseweg gekeken en is door oranje dan wel rood licht gereden. Verdachte is een beroepsmatig chauffeur. Op hem rust daarom een extra zorgplicht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In de visie van de verdediging kan niet worden gezegd dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat hij mevrouw [slachtoffer] heeft aangereden. Verdachte heeft geen verkeersfouten gemaakt, niet is komen vast te staan dat hij het rode dan wel oranje verkeerslicht heeft genegeerd en verder is geen sprake geweest van bijvoorbeeld alcohol- en/of drugsgebruik. Verdachte had zijn volle aandacht bij het verkeer en bovendien kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat het verkeerslicht voor mevrouw [slachtoffer] groen licht uitstraalde.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Daartoe moet kunnen worden vastgesteld dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte is te wijten. Die schuld is in de op artikel 6 in verbinding met de strafbepaling van artikel 175, tweede lid aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 toegesneden tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met het verwijt dat de verdachte “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het verkeersongeval vond plaats op de kruising van de voorrangsweg Orthenseweg met de daarop haaks liggende Citadellaan en Vogelstraat. De door de verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie reed over de Orthenseweg en naderde uit de richting van Orthen voornoemde kruising. Verdachte heeft zijn vrachtwagencombinatie op die kruising rechtsaf de Vogelstraat ingedraaid en is de Vogelstraat vervolgens opgereden. Op de Orthenseweg is een aparte rijstrook voor afslaand verkeer naar de Vogelstraat en voor deze rijrichting wordt door een driekleurige verkeerslichtinstallatie een apart verkeerslicht gegeven.

De voetgangster, [slachtoffer], stond direct voorafgaand aan het ongeval te wachten om ter hoogte van dezelfde kruising via de voetgangersoversteekplaats de Vogelstraat over te steken. Zij kwam uit dezelfde richting als de verdachte, te weten uit de richting van Orthen. Voor voetgangers uit deze richting is ook een verkeerslicht bestemd.

Op enig moment begon [slachtoffer] de Vogelstraat over te steken. Tijdens deze oversteek werd zij aangereden door de door verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie die op dat moment de Vogelstraat indraaide en opreed.3

De rechtbank zal thans de vraag beantwoorden of de verdachte bij het afslaan naar de Vogelstraat het voor zijn rijrichting bestemde rode dan wel oranje verkeerslicht verwijtbaar heeft genegeerd. De verdachte heeft zich ter terechtzitting steeds op het standpunt gesteld dat hij, voor zover hij weet, door groen licht is gereden.

Vooropgesteld moet worden dat de verkeersregelinstallatie op de kruising van het ongeval zodanig was geregeld dat het niet mogelijk was dat beide partijen, te weten – zo concludeert de rechtbank – enerzijds verkeer komende uit de richting van Orthen dat op de kruising rechtsaf de Vogelstraat in wil rijden (rijrichting van de verdachte) en anderzijds voetgangers die komende uit dezelfde richting de Vogelstraat over willen steken (bewegingsrichting van [slachtoffer]), gelijktijdig groen licht hebben gehad. Ten tijde van het ongeval functioneerde deze verkeersregelinstallatie naar behoren en waren er geen storingen in het systeem bekend.4

Ook moet worden vooropgesteld dat zich in het strafdossier geen verklaringen van getuigen bevinden die verklaren te hebben gezien dat de verdachte door groen reed dan wel het voor hem bestemde rode dan wel oranje verkeerslicht heeft genegeerd. Evenmin bevat het dossier verklaringen van getuigen die feitelijk hebben gezien of de voetgangster bij het oversteken van de Vogelstraat groen of rood licht heeft gehad. Ook is er geen technisch bewijs waaruit dat rechtstreeks kan worden afgeleid.

In het dossier bevinden zich echter wel de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Zij zaten ten tijde van het ongeval beiden op een scooter en stonden op de kruising - waar men rechtsaf de Vogelstraat in kan - voor het rode licht voorgesorteerd op het fietspad dat parallel loopt aan de Orthenseweg. Zij bewogen zich, zo concludeert de rechtbank, in dezelfde richting als de voetgangster [slachtoffer]. [getuige 1] verklaart bij de politie dat zij schuin rechts van haar zag dat een vrouw op het voetpad stond te wachten, die zij kort daarna onder de vrachtwagen zag liggen. [getuige 1] en [getuige 2] verklaren bij de politie beiden zonder enig voorbehoud dat zij optrokken om de Vogelstraat over te steken nadat het voor hun geldende verkeerslicht op groen sprong, maar dat zij moesten remmen om een voor hun van linksachter komende vrachtwagen, die de Vogelstraat in wilde rijden, voor hun langs te laten gaan.5 Ook bevindt zich in het dossier de tegenover de politie afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3]. Deze getuige verklaart dat hij ten tijde van het ongeval voor het rode verkeerslicht op de Vogelstraat stond voorgesorteerd en zag dat een vrouw stilstond bij de voetgangersoversteekplaats, dat zij aldaar een aantal seconden stond te wachten en toen overstak en dat zij vervolgens door de vrachtwagen werd aangereden.6

De rechtbank heeft in het strafdossier noch in het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van deze verklaringen en zij concludeert op basis daarvan dat de voetgangster groen licht had toen zij de Vogelstraat overstak.

Aan het feit dat de voetgangster groen licht had toen zij de Vogelstraat overstak, kan echter niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte dus door rood licht is gereden. De mogelijkheid bestaat immers dat de verdachte wel door groen is gereden, maar dat met het manoeuvreren van de vrachtwagencombinatie door de bocht naar rechts de Vogelstraat in, dermate veel tijd was gemoeid dat in de tussentijd het voor de verdachte geldende verkeerslicht van groen naar rood is gegaan en het voor de voetgangster bestemde verkeerslicht van rood op groen is gesprongen. Deze mogelijkheid is door de politie onderzocht maar wordt voor onwaarschijnlijk gehouden. Het aanvullend proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse houdt dienaangaande immers als conclusie in – zakelijk weergegeven – dat ook indien uitgegaan wordt van de voor de verdachte meest gunstige omstandigheden, te weten dat de vrachtwagencombinatie de meest ruime bocht mogelijk heeft gemaakt en dat de voetgangster met een nog realistisch geachte oversteektijd van 3.8 of 2.8 seconden het kruisingsvlak is overgestoken, de vrachtwagen van de verdachte zich nog vóór een hem bestemd verkeerslicht bevond toen deze rood licht begon uit te stralen.7

Ook het antwoord op de vraag of verdachte het voor hem geldende rode verkeerslicht tijdig op had kunnen opmerken, beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Daarbij betrekt de rechtbank in de eerste plaats het feit dat de verdachte in zijn eerste zeer kort na het ongeval tegenover de politie afgelegde verklaring heeft verklaard dat hij op een afstand van ongeveer 20 à 30 meter voor het verkeerslicht nog zag dat het licht op groen stond.8 De rechtbank legt deze verklaring aldus uit dat de verdachte op die afstand van het verkeerslicht voor het laatst naar het verkeerslicht heeft gekeken alvorens rechtsaf de Vogelstraat in te slaan en bezigt zijn verklaring in zoverre wel tot het bewijs. De rechtbank acht deze verklaring in die zin het meest betrouwbaar en zij houdt de verdachte dan ook aan deze eerste verklaring. Zij stelt diens latere, te weten de tegenover de politie op 14 juli 2012 en de ter terechtzitting afgelegde verklaring waarin de verdachte verklaart voor het laatst naar het verkeerslicht te hebben gekeken op een afstand van onderscheidenlijk 10 à 20 meter en 5 à 10 meter, op dit punt terzijde, aangezien duidelijk is dat de verdachte met het tijdsverloop in de procedure steeds meer in zijn eigen voordeel is gaan verklaren.

In de tweede plaats – en in verband met het vorenstaande – heeft de rechtbank daarbij de resultaten van de analyse van het verkeersongeval en de interpretatie van de resultaten van het tachograafdata onderzoek in aanmerking genomen. Het tachograafdata onderzoek houdt als conclusie in dat de door de verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie over de Orthenseweg in de richting van de kruising Orthenseweg/Vogelstraat tot op 53 meter voor de stopstreep met een snelheid van 40 km/h reed en dat de vrachtwagencombinatie vervolgens vertraagde waarbij de snelheid terugliep van 39 naar 13 km/h.9 In het proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse wordt berekend en geconcludeerd dat het voor de verdachte bestemde verkeerslicht rood licht begon uit te stralen ruim voordat hij de stopstreep had bereikt en dus dat hij ruim voor het bereiken van de stopstreep had kunnen opmerken dat zijn verkeerslicht van oranje naar rood schakelde.10 Het feit dat deze conclusie van de Verkeers Ongevals Analyse stoelt op de premisse dat de voetgangster groen licht had toen zij overstak terwijl de rechtbank dat niet vast kan stellen, behoeft, gelet op al het vorenstaande, niet aan de geldigheid van die conclusie in de weg te staan; te minder, aangezien uit voornoemde informatie met betrekking tot de verkeersregelinstallatie ook blijkt dat een voor voetgangers bestemd groen licht samengaat met groen licht voor fietsers, doch alleen wanneer voetgangers via een drukknop een aanvraag voor groen licht hebben gedaan.

Dit een en ander, te weten de afstand van waar de verdachte naar eigen zeggen voor het laatst naar het verkeerslicht keek in relatie tot de geconstateerde snelheid waarmee de verdachte het verkeerslicht naderde en de resultaten van de Verkeers Ongeval Analyse, laat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat de verdachte onvoldoende heeft gelet op het voor hem bestemde verkeerslicht en daarbij niet heeft geconstateerd dat het voor hem bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde op het moment dat hij de stopstreep passeerde terwijl hij dat wel tijdig had kunnen opmerken.

Vervolgens zal de rechtbank het verkeersgedrag van de verdachte beoordelen op het moment dat hij op de kruising van het ongeval de Vogelstraat indraait en oprijdt.

De verdachte heeft daaromtrent bij zijn eerste verhoor door de politie onder meer verklaard dat hij, op het moment dat hij de kruising met de Vogelstraat naderde, heeft gezien dat er fietsers stonden te wachten voor het verkeerslicht, daarmee kennelijk doelende op fietsers die parallel aan de Orthenseweg stonden te wachten voor het verkeerslicht teneinde net als [slachtoffer] de Vogelstraat over te steken. Voorts heeft hij bij die gelegenheid verklaard dat hij bij het nemen van de bocht eerst linksvoor keek om te kijken of hij de bocht daar goed kon nemen en het verkeerslicht niet zou raken en dat hij daarna, toen hij zag dat het daar goed ging, in zijn rechterspiegel wilde kijken om te zien of de oplegger daar de bocht goed nam. Ten slotte heeft hij toen verklaard dat hij op het moment dat hij in zijn rechterspiegel wilde kijken voelde dat de vrachtwagen op en neer ging.11 De verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting in zoverre bevestigd.

De rechtbank verstaat deze verklaring van de verdachte aldus en trekt daaruit dan ook als gevolg dat de verdachte tijdens het manoeuvreren van de vrachtwagen door de bocht enkel heeft gelet op het verkeersmeubilair aan de linkervoorkant van zijn vrachtwagen en dat hij het slachtoffer [slachtoffer], die voor hem van rechts(achter) kwam, reeds had geraakt op het moment dat hij voor het eerst in zijn rechterbuitenspiegel wilde kijken of de vrachtwagencombinatie daar de bocht goed nam, hetgeen betekent dat hij tijdens het nemen van de bocht zich er op geen enkel moment van heeft vergewist of hij te maken had met voor hem van rechts komend kruisend verkeer zoals voetgangers en fietsers die aldaar de Vogelstraat over wilden steken. De verdachte heeft deze uitleg ook na ondervraging hieromtrent ter terechtzitting zeer wel voor mogelijk gehouden en als plausibele oorzaak gegeven voor het feit dat hij, naar hij telkens heeft verklaard, [slachtoffer] in het geheel niet heeft opgemerkt. Zulks terwijl uit het onderzoek, in het bijzonder de zichtreconstructie vanuit de door de verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie, naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam is gebleken dat zij voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest.12

Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat de verdachte bij het naderen van de kruising met de Vogelstraat niet voldoende heeft gelet op de voor hem bestemde verkeerslichten terwijl hij daar wel voldoende gelegenheid voor heeft gehad, dat hij het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd en dat hij vervolgens bij het indraaien en oprijden van de Vogelstraat niet heeft gekeken of er voor de verdachte van rechts(achter) komend verkeer de Vogelstraat wilde oversteken en als gevolg daarvan [slachtoffer] heeft aangereden.

Gelet op dit geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard en ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan, zoals dat ook uit het voorgaande blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet kan worden verweten dat hij zich roekeloos heeft gedragen, maar wel dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Daarbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat de verdachte een beroepschauffeur is op de vrachtwagen. Tegen die achtergrond mocht van de verdachte worden verlangd bij de vastgestelde verkeersgedragingen, in het bijzonder het naar rechts afslaan met de bekende dode hoek aan de rechterkant van de vrachtwagen, waarmee verdachte naar hij ter zitting heeft verklaard bekend is, meer voorzichtigheid aan de dag te leggen dan hij heeft gedaan.

Aldus is het aan zijn schuld te wijten dat het verkeersongeval zich heeft voorgedaan. De rechtbank acht dit dan ook wettig en overtuigend bewezen en zij verwerpt het verweer van de verdediging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 28 juli 2010 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagencombinatie, zijnde een trekker met oplegger) daarmede rijdende over de weg (de Orthenseweg en de Vogelstraat) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

- verdachte is toen aldaar rijdende over de Orthenseweg het kruispunt met onder andere de Vogelstraat genaderd, waarbij hij onvoldoende heeft gelet op de voor hem geldende verkeerslichten, en

- vervolgens is hij, verdachte, niet gestopt voor het voor hem geldende rode verkeerslicht, en

- vervolgens is hij, verdachte, rechtsaf geslagen de Vogelstraat in, en

- is hij, verdachte, die Vogelstraat op gereden, terwijl hij zich er onvoldoende van heeft vergewist dat er zich geen andere verkeersdeelnemers op zijn rijbaan bevonden, en

- heeft hij, verdachte, niet tijdig een overstekende voetgangster ([slachtoffer]) opgemerkt, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en de voetgangster ([slachtoffer]), als gevolg waarvan die voetgangster is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, rekening houdend met het feit dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig

artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 en een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft de rechtbank verzocht om, indien het tot het opleggen van een straf of maatregel komt, rekening te houden met het gegeven dat het ongeval ook een diepe indruk heeft gemaakt op de verdachte. Bovendien dient rekening te worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn met 15 maanden. Verder heeft de verdachte direct na het ongeval zijn werkzaamheden niet kunnen uitvoeren en heeft hij vanaf het begin zijn volledige medewerking aan het onderzoek verleend. Ten slotte is verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het gaat in deze zaak om verkeersgedrag van de verdachte, door de rechtbank aangemerkt als aanmerkelijk en verwijtbaar onvoorzichtig en onoplettend, dat verschrikkelijke gevolgen heeft gehad in de vorm van het overlijden van mevrouw [slachtoffer]. Daardoor is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht en zij zullen moeten leren leven met het verlies van hun dierbare.

Het verkeersgedrag van de verdachte heeft niet alleen directe gevolgen gehad voor het slachtoffer; ook de verkeersveiligheid in haar algemeenheid is door het handelen van de verdachte ernstig in gevaar gebracht.

Anderzijds moet niet uit het oog worden verloren dat ook de verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag niet heeft gewild, dat hij zijn volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend en dat het verkeersongeval ook voor hem verstrekkende gevolgen heeft gehad, in die zin dat hij daar psychisch onder heeft geleden.

Daarbij heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte ook meegewogen dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 september 2013 niet eerder voor verkeersmisdrijven is veroordeeld.

Volgens de in de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten is bij een veroordeling op grond van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, voor een geval waarin iemand is overleden en de schuld bestaat uit aanmerkelijke onvoorzichtigheid, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden gecombineerd met een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van één jaar het uitgangspunt. De rechtbank heeft dit oriëntatiepunt in haar beraadslagingen betrokken, maar tegelijkertijd ook onderkend dat in vergelijkbare zaken het niet ongebruikelijk is dat dit oriëntatiepunt wat betreft de gevangenisstraf wordt vertaald naar een met een dergelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf vergelijkbare taakstraf in de vorm van een werkstraf.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uren een passende en geboden sanctie vormt. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank in deze niet opportuun.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte voorts mee dat in deze zaak, uitgaande van de datum van het eerste verhoor van de verdachte door de politie op 28 juli 2010, zijnde een handeling van de Staat waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij ter zake van het verkeersongeval zou worden vervolgd, en uitgaande van de datum waarop de rechtbank vonnis wijst, te weten 29 oktober 2013, de redelijke termijn met 15 maanden is overschreden. Dat leidt tot een korting op de op te leggen werkstraf van 10%, zodat resteert een werkstraf van afgerond 100 uren.

De rechtbank zal voorts ter bescherming van de verkeersveiligheid een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen van na te melden duur. Deze ontzegging van de rijbevoegdheid zal de rechtbank geheel voorwaardelijk opleggen, gelet op het feit dat de verdachte als beroepschauffeur zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk uit te kunnen voeren en het niet ondenkbaar is dat hij bij een onvoorwaardelijke rijontzegging zijn baan zal verliezen. De geheel voorwaardelijk op te leggen rijontzegging strekt er voornamelijk toe om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbaar verkeersgedrag te vertonen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:

Een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig

artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 29 oktober 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, District Meierij, DI – Team Den Bosch Zuid-Oost, genummerd PL21X1 2010082639, d.d. 12 april 2011, aantal bladzijden 121 (dossier I) en het aanvullend proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse d.d. 25 april 2012, met vijf bijlagen (dossier II)

2 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 2013, het proces-verbaal onderzoek verkeersongeval, p. 5 (dossier I)

3 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 2013, het proces-verbaal onderzoek verkeersongeval, p. 5 (dossier I) en het proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse, p. 74 t/m 76 (dossier I).

4 Proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse, p. 78 (dossier I).

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 27/28 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 29/30 (dossier I).

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 17/18

7 Het aanvullend proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse, BVH nummer 2010082639, p. 8 (dossier II).

8 Proces-verbaal van politie, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 32 (dossier I)

9 De op p. 107 van dossier I opgenomen bijlage bij het proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse.

10 Proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse, p. 83/84 van dossier I.

11 Proces-verbaal van politie, inhoudende de verklaring van de verdachte, p. 32 van dossier I.

12 De op p. 98 van dossier I opgenomen bijlage bij het proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse.