Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5884

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
01/839218-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige verkrachting gedurende enkele uren door twee mannen, na (toen) 19-jarig slachtoffer in Turnhout op straat vast te grijpen, auto in te sleuren en te dwingen mee te gaan naar woning in Eindhoven. Na verkrachting getracht sporen te verwijderen , o.a. door inspuiten bijtende vloeistof.

Overweging bewijs, o.a. ter zake bewijswaarde DNA-mengprofielen. Motivering voor keuze voor interpretatie sporenbeeld door NFI. Combinatie bewijswaarde Y-chromosomale markers ten opzichte van reguliere (autosomale) DNA-profielen.

Verwerping ontvankelijkheidsverweer, opgeworpen omdat rechter-commissaris op grond van art. 187d Sv vragen van de raadslieden had belet die tot doel hadden identiteit CIE-informant op te helderen.

Een gevangenisstraf opgelegd van 8 jaren.

Aan immateriële schadevergoeding is een bedrag van 15.000 euro toegekend, rest niet-ontvankelijk verklaard. Materiële schade toegewezen.

Vordering hoofdelijk toegewezen, tevens schadevergoedingsmaatregel opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parkentummer: 01/839218-12

Datum uitspraak: 28 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans u.a.h. gedetineerd in België.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juli 2013 en 11 en 14 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 mei 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op of omstreeks 1 januari 2012 te Turnhout (België) en/of Eindhoven en/of

Waalre, in elk geval in België en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd

en/of beroofd gehouden, door toen en daar voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en

wederrechtelijk

(in Turnhout, België)

- (met kracht) (van achteren) vast te pakken (door beide armen rond het

lichaam van die [slachtoffer] te slaan) en/of

- (vervolgens) richting een auto te trekken en/of

- (vervolgens) (met kracht) in een auto te duwen en/of in een auto te doen

plaatsnemen en/of

- (vervolgens) met die auto weg te rijden en/of

- (terwijl/vervolgens) de ogen en/of de mond af te plakken met tape en/of

- te bedreigen door (in het Engels) te zeggen (toen die [slachtoffer] schreeuwde)

dat ze moest zwijgen omdat ze er anders aan zou gaan en/of

- (vervolgens) een klap in het gezicht te geven (toen die [slachtoffer] de deur van

de auto open deed in een poging om te vluchten) en/of

(vervolgens en/of nadat de auto in Eindhoven, althans Nederland was

aangekomen)

- uit de auto te sleuren en/of te trekken en/of

- een hand voor/tegen de mond te houden en/of in het gezicht te slaan en/of

- te bedreigen door een of meerdere malen te zeggen (toen die [slachtoffer]

schreeuwde) dat ze moest zwijgen omdat ze er anders aan zou gaan en/of

- (vervolgens) te dwingen een voor haar onbekende ruimte binnen te gaan

en/of/althans in een voor haar onbekende ruimte te verblijven en/of

- (vervolgens) te dwingen om op haar knieën te gaan zitten en/of

- (vervolgens) (met een touw) de handen achter het lichaam te binden

Artikel 282 Wetboek van Strafrecht

hij

op of omstreeks 1 januari 2012 te Eindhoven en/of Waalre en/of Turnhout

(België), in elk geval in Nederland en/of België,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan

van een of meer handeling(en) die (mede) bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

meermalen, in elk geval éénmaal,

- zijn/hun vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht

- gedwongen hem/hen te pijpen en/of af te trekken en/of

- zijn/hun penis(sen) (met kracht) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer]

geduwd en/of (in)gebracht en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij,

verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] tegen haar wil naar een voor haar onbekende omgeving

heeft/hebben gebracht en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen in een voor haar onbekende ruimte te

verblijven en/of

- de handen van die [slachtoffer] achter het lichaam heeft/hebben gebonden en/of

- de ogen van die [slachtoffer] heeft/hebben bedekt en/of afgeplakt

- de kleding van die [slachtoffer] kapot heeft/hebben getrokken en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat als ze niet zou luisteren ze

vermoord zou gaan worden;

Artikel 242 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard moet worden.

Daartoe is aangevoerd dat door de twee rechters-commissarissen in het kader van twee (getuigen)verhoren vragen zijn belet die tot strekking hadden te achterhalen of de getuige in de loop van het opsporingsonderzoek is opgetreden als informant van de Criminele Inlichtingeneenheid (verder: CIE). Als gevolg van dit beletten is niet mogelijk te bezien of er sprake is van dubbeltelling van bepaalde bewijsmiddelen. Verder bestaat de mogelijkheid dat door onjuiste CIE-informatie het onderzoek op het verkeerde been is gezet.

Als gevolg van het onthouden van de mogelijkheid van het toetsen van de inhoud van de CIE-informatie wordt gehandeld in strijd met het fair trial beginsel, zoals vastgelegd in art. 6 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM).

De rechtbank stelt vast dat de vragen van de verdediging die, kort gezegd, tot strekking hadden om te achterhalen of (een) bepaalde getuige(n) mogelijk tevens was/waren opgetreden als CIE-informant zijn belet door de beide rechters-commissarissen op basis van art. 187d van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank onderschrijft dit oordeel. De verzameling van informatie door de CIE binnen ons stelsel van opsporing en vervolging kan alleen dan functioneren indien de identiteit van CIE-informanten geheim blijft. Indien de verdediging de rechtmatigheid van de totstandkoming van de CIE-informatie wil toetsen, kan zij daartoe gerichte verzoeken doen. In de rechtspraak zijn daartoe passende en adequate werkwijzen ontwikkeld. Een dergelijk verzoek is in deze strafzaak echter niet gedaan. Van dubbeltelling van bewijs is geen sprake, omdat de inhoud van CIE-informatie door de rechtbank niet wordt gebruikt als bewijsmiddel.

Dat niet alle CIE-informatie juist is, is bij dit alles niet van belang. CIE-informatie kan hooguit een (deel van een ) vertrekpunt van nader opsporingsonderzoek vormen. En daarbij kan het als zodanig slechts dan relevante vruchten afwerpen binnen een strafzaak indien de inhoud van de betreffende CIE-informatie wordt bevestigd of weerlegd in het daarop volgende onderzoek. Dit oordeel wordt niet anders indien (mede) op basis van dergelijke CIE-informatie wordt besloten tot, dan wel (RC-)machtiging wordt verleend tot, de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen en –methoden.

Op grond van het bovenstaande verwerpt de rechtbank het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

Bewijs

Bronnen.

1.

een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, met dossiernummer 2012000258, afgesloten d.d. 19 december 2012 2012, aantal doorgenummerde bladzijden: pag. 1 tot en met 787, met bijlagen (hierna: bron 1)

2.

een dossier van de Forensisch Technische Ondersteuning van de politie Brabant Zuid-Oost met dossiernummer 2012-000258 afgesloten d.d. 14 juni 2013, met bijlagen;

3.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 maart 2012 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 001, opgemaakt door dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 9;

4.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 mei 2012 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 002, opgemaakt door dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 12;

5.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 mei 2012 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 004, opgemaakt door dr. Y.

van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 11;

6.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 juni 2012 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 004, opgemaakt door dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 8;

7.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 juli 2012 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 005, opgemaakt door dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 14;

8.

een rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 18 oktober 2012 met

referentie aanvraager: OZ-PL2219/2012000258, opgemaakt door dr. P.J.

Herbergs, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 20, met bijlagen;

9.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 november 2012

met zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 008, opgemaakt door

dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 5, met bijlage;

10.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2013 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 010, opgemaakt door dr. Y.

van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 9;

11.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2013 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 011 en 013, opgemaakt door ing. P.E. de Vreede, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 9;

12.

een schrijven van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 april 2013 met

betrekking tot wetenschappelijke bewijswaarde complexe DNA-mengprofielen, met kenmerk 2012.01.30.106, aanvraag 009, van prof. Dr. A.D. Kloosterman en dr. Y. van de Wal;

13.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 april 2013 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 014, opgemaakt door

dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 21;

14.

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 16 april 2013 met

zaaknummer 2012.01.30.106, aanvraagnummer 015, opgemaakt door

dr. Y. van de Wal, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met

24;

15.

een rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 11 juli 2013 met

referentie aanvrager: r.c. nr. 12/19, parketnummer 01/839005-12, opgemaakt

door dr. P.J. Herbergs, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met

11;

16.

een rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 4 oktober 2013

met referentie aanvrager: r.c. nr. 12/19, parketnummer 01/839005-12, opgemaakt door dr. P.J. Herbergs, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 12;

17.

de processen-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van de getuigen

[getuige 1] en [getuige 2];

18.

de verklaring ter terechtzitting d.d. 11 oktober 2013 van de deskundige dr. Y. van

de Wal;

19.

de verklaring ter terechtzitting d.d. 11 oktober 2013 van de deskundige

dr. P.J. Herbergs;

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging (kort weergegeven).

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit, nu er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

Verdachte heeft veel telefoons in gebruik en het kan goed zijn dat de telefoon die in het dossier wordt toegeschreven aan verdachte in de werkauto van [getuige 1] is blijven liggen. Aangeefster heeft heel weinig informatie over de daders. Andere getuigen van het feit zijn er niet, met uitzondering van [getuige 3], die een man heeft gezien, waarvan het signalement het meest spoort met het signalement van [getuige 1].

De verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] zijn onbetrouwbaar. Het feit dat [getuige 1] in eerste instantie bij de politie een hele andere auto noemt als zijnde zijn auto, doet vermoeden dat hij zijn band met het voertuig wilde verdoezelen. [getuige 1] heeft zijn verklaring telkens veranderd. Kennelijk is er gericht gewerkt om sporen weg te maken. Eigenlijk is dat maar één verdachte gelukt en dat is [getuige 1].

[getuige 1] en [getuige 2] hebben in eerste instantie belastend verklaard om medeverdachte [medeverdachte] zwart te maken. Daarbij is verdachte meegenomen.

Als de Ford Escort bij de ontvoering is gebruikt, dan kan het aantreffen van sporen verklaard worden doordat deze auto door verdachte en [getuige 1] als werkauto werd gebruikt. De sporen op de kleding kunnen het gevolg zijn van secundaire overdracht tijdens de rit in de auto.

Aangenomen dat de verkrachtingen in de woning van de ex-partner van de medeverdachte hebben plaatsgevonden, dan kan het DNA van verdachte zich in die woning hebben bevonden omdat verdachte sociale contacten met de medeverdachte had. Het slachtoffer is van haar kleding ontdaan. De kleding heeft daar in die woning gelegen. Gelet op de uiterst geringe hoeveelheid sporenmateriaal kan niet worden uitgesloten dat die sporen zijn gekomen door indirecte overdracht.

Het slachtoffer heeft verklaard dat er condooms zijn gebruikt door de daders. Het lijkt erop dat het in het dossier genoemde diep vaginaal spoor geen spermaspoor is.

Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat er vaginaal een vloeistof bij haar is ingespoten. Het kan zijn dat er op die wijze sporenmateriaal in het slachtoffer is gebracht met de bedoeling verdachte te incrimineren.

Het Y-chromosomale mengspoor (aangetroffen diep vaginaal) is geen autosomaal spoor. In bewijstechnische zin kan aan dat spoor weinig waarde worden gehecht. Het spoor bevat niet alle DNA-kenmerken van verdachte. De deskundigen hebben ter zitting aangegeven dat het een consensus DNA-profiel is. Men constateert dat bij de vergelijking is gebleken dat het Y-chromosomale DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering niet in het referentiebestand voorkomt. Het DNA-profiel wordt niet opgenomen in de databank. Dat kan maar één reden hebben, namelijk dat het spoor te onbetrouwbaar is.

In deze zaak zijn de grenzen van de wetenschap opgezocht en wellicht overschreden. Bij alle nu aan het licht gekomen strafzaken waarin sprake is van gerechtelijke dwalingen heeft het NFI een rol gespeeld.

Dat gevaar ligt in deze zaak ook levensgroot op de loer.

Verdachte heeft een alibi; hij was bij zijn vader. Verdachte heeft bij zijn eerste verhoor verklaard dat hij niets met de feiten te maken heeft gehad en dat hij een alibi heeft.

Het oordeel van de rechtbank.

De overwegingen van de rechtbank.

Bewijsoverweging.

De rechtbank stelt voorop dat het bepalen of een bepaald strafbaar feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, niet de uitkomst is van een wetenschappelijk proces. Het is daarom zo dat om te komen tot een bewezenverklaring elke andere redelijkerwijs voorstelbare mogelijkheid moet kunnen worden uitgesloten op basis van de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen dienen zodanig sterk te zijn dat het totaal aan bewijs, bezien in onderling verband, geen reëel spoor van twijfel overlaat ten aanzien van de bewezen verklaarde feitelijke gang van zaken.

De rechtbank zal hierna in hoofdlijnen aangeven op grond van welke bewijsmiddelen zij de feiten wettig én overtuigend bewezen acht.

In deze overweging worden de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten op de dagvaarding en hun plaats in het oordeel van de rechtbank aangegeven. Omwille van de leesbaarheid van de overweging, wordt daarbij verwezen naar de gehele uitwerking van de van belang zijnde bewijsmiddelen. Deze is gevoegd als bijlage A (pag. 19 t/m 33) bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Uit de combinatie van aangifte, (DNA-)sporenbeeld, de verklaringen van derden (m.n. [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4]) en de overige bewijsmiddelen volgt dat het [verdachte] en [medeverdachte] zijn die de feiten hebben gepleegd op de wijze zoals hierna bewezen zal worden verklaard.

Ten aanzien van een aantal bewijsmiddelen wil de rechtbank aanvullend de betekenis verduidelijken.

DNA-onderzoek

De deskundige van het NFI dr. Y. van de Wal heeft ter zitting, naar aanleiding van vragen omtrent haar onderzoek met betrekking tot bemonstering AAEG1860NL#03, aangegeven dat zij op basis van haar onderzoek op basis van het totaalbeeld aan aangetroffen markers een aantal nader benoemde sporen heeft geduid als (in essentie) afkomstig van drie personen, onder wie het slachtoffer. Dit standpunt staat ook helder verwoord in de brief van prof. dr. A.D. Kloosterman en dr. Y. van de Wal aan de officier van justitie mr. Masselink d.d. 16 april 2013. Ook ter zitting heeft de deskundige dr. Y. van de Wal uiteengezet hoe zij tot dat oordeel is gekomen, namelijk aan de hand van het totaal aan aangetroffen DNA-kenmerken en afgezet tegen de (logische) aanwezigheid van de DNA-kenmerken van het slachtoffer. Deze conclusie acht de rechtbank juist, en neemt zij over.

De deskundige van het TMFI dr. P.J. Herbergs heeft in zijn rapportages en ter zitting met betrekking tot deze sporen aangegeven dat er een mogelijkheid bestaat dat er meer dan drie donoren zijn. Een verdere onderbouwing heeft hij echter niet gegeven. Hij baseert zich daarbij bovendien op de bevindingen van eigen onderzoek, en heeft niet gesteld dat de wijze van onderzoek en/of de duiding van de resultaten van het NFI-onderzoek onjuist en/of onvolledig zouden zijn of anderszins een fout beeld zouden geven van het door het NFI onderzochte sporenmateriaal.

Bovengenoemde conclusie van dr. Y. van de Wal sluit naar het oordeel van de rechtbank bovendien nauw aan bij het gegeven dat het slachtoffer vanaf het begin van de delicten te maken heeft gehad met twee daders. Uit de inhoud van de aangifte volgt immers dat twee mannen als daders zijn betrokken bij het ontvoeren van het slachtoffer, en dat deze twee mannen daarna onder dwang en met toepassing van geweld tegen het slachtoffer met haar seksuele handelingen hebben verricht. Vanuit dat uitgangspunt is het dan voor de hand liggend dat (met name) die twee daders sporen hebben achtergelaten op en aan het slachtoffer en haar kleding.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de door het NFI aangetroffen consensus DNA-profielen betwist. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet.

Allereerst betreft tweemaal aantreffen van een bepaalde marker het minimum aantal voordat wordt overgegaan tot opname in een consensus-profiel. De (exacte) gegevens op dit punt zijn niet aan het dossier toegevoegd, zodat niet duidelijk is of (en waar) de door de raadsman aangegeven situatie zich heeft voorgedaan, dat slechts in twee van drie profielen een bepaalde marker wordt aangetroffen. Maar ook indien een bepaalde marker slechts tweemaal is aangetroffen binnen het onderzoek van één spoor snijdt het verweer geen hout. Het standpunt van de raadsman gaat in tegen een tussen forensische onderzoeksinstellingen afgesproken werkwijze die wetenschappelijk als passend en betrouwbaar is beoordeeld. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze vaststelling, en zal de op deze wijze tot stand gekomen (consensus)profielen verder meewegen in haar (verdere) beoordeling. Bovendien gaat het om veel sporen die op deze wijze zijn onderzocht en die alle een (nagenoeg) soortgelijk beeld geven: sporen die [verdachte] en/of [medeverdachte] niet uitsluiten.

In bemonstering ZAAC1910NL#04 (afkomstig van de diep vaginale monsterneming van het slachtoffer) is bovendien Y-chromosomaal materiaal aangetroffen waarvan een groot aantal markers overeenkomt met die van [verdachte], en welk spoor een (tot op heden) uniek profiel opleverde. De aantallen opgenomen sporen, zoals deze zijn opgenomen in referentie(data)banken, respectievelijk enkele duizenden en enkele tienduizenden profielen, maken dit spoor zelfstandig reeds tot een wezenlijk bewijsmiddel.

Het totale DNA-sporenbeeld laat verder een groot aantal mengsporen zien. Ten aanzien van een groot aantal sporen blijkt dat alle of een groot gedeelte van de DNA-markers van [verdachte] en/of [medeverdachte] zijn aangetroffen in deze mengprofielen. Van een groot deel van deze sporen kan worden gezegd dat het onafhankelijk van elkaar aangetroffen sporen zijn. De waarschijnlijkheid van elk spoor mag dus bij het bepalen van de waarschijnlijkheid vermenigvuldigd worden. Ook indien niet een exacte getalswaarde wordt aangegeven, zoals door dr. P.J. Herbergs, betekent het dat het totaalbeeld vanwege de veelheid aan sporen een grote waarschijnlijkheid oplevert voor de (vast)stelling dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] bijgedragen hebben aan de onderzochte mengsporen.

De verdediging heeft gesteld dat er mogelijk sprake is van door derden aangebracht sporenmateriaal. De omstandigheid dat [getuige 2] heeft verklaard dat zij van [medeverdachte] DNA-bevattende sporen heeft veiliggesteld op een eerder moment, acht de rechtbank daartoe niet redengevend. Niet alleen is op geen enkele wijze maar een begin van aannemelijkheid gegeven hoe dit (eventuele) sporenmateriaal zou zijn misbruikt door (kennelijk) twee andere daders, uit dit gegeven kan bovendien niet worden verklaard dat er DNA-materiaal is gevonden in de vorm van mengprofielen die nagenoeg telkens (tenminste) veel van de DNA-kenmerken bevatten die overeenkomen met die van [medeverdachte] én [verdachte]. De verdediging heeft daarbij niet uitgelegd hoe die derde(n) dan aan het DNA-materiaal van [verdachte] moeten zijn gekomen en waarom zij er dan mengprofielen van hebben gemaakt. Van belang is verder dat [getuige 1] bij nader onderzoek op één spoor na uitgesloten wordt als donor van onderzochte mengprofielen.

De plaats en hoeveelheid van het aangetroffen sporenmateriaal (m.n. in het lichaam en de kleding slachtoffer) maken ook de kans op contaminatie een louter denkbeeldige: ook in een bloedspoor en in de stringente lysisfractie-sporen zijn sterke aanwijzingen aangetroffen dat [medeverdachte] (een van) de donor(en) is in die sporen.

Verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]

De verdediging acht hun verklaringen onbetrouwbaar. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet.

Dat [getuige 1] de auto die de betreffende nacht door [medeverdachte] en [verdachte] is meegenomen aanvankelijk omschrijft als een Volkswagen, en pas later als een Ford, ziet de rechtbank niet als een poging zijn band met de Ford te verdoezelen, maar als een vergissing. [getuige 1] heeft ook direct bij de politie aangegeven dat het ging om de auto die op zijn naam stond. De Ford Escort was op dat moment de enige auto die op zijn naam stond.

Voorts verklaart [getuige 1] consistent dat hij ten tijde van het schoonmaken van de auto en de woning van [medeverdachte] hoorde dat er een Belg in had gelegen, hetgeen [getuige 1] vervolgens aan [getuige 2] had verteld. [getuige 2] bevestigt dit.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen, temeer nu deze tevens in zeer hoge mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen, waaronder technisch bewijs waarvan de resultaten (grotendeels) pas na het afleggen van de verklaringen bekend zijn geworden.

Verdere overwegingen

Verder komt bewijswaarde toe aan de omstandigheid dat [verdachte], [medeverdachte] en [getuige 1] veel met elkaar omgingen. Dit verklaart niet alleen [getuige 1], maar ook [getuige 2].

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 1 januari 2012 te Turnhout (België) en Eindhoven en

Waalre, tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en beroofd gehouden, door toen en daar voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en

wederrechtelijk (in Turnhout, België)

- (met kracht) (van achteren) vast te pakken (door beide armen rond het

lichaam van die [slachtoffer] te slaan) en

- (vervolgens) richting een auto te trekken en

- (vervolgens) (met kracht) in een auto te duwen en in een auto te doen

plaatsnemen en

- vervolgens met die auto weg te rijden en

- (vervolgens) de ogen en/of de mond af te plakken met tape en

- te bedreigen door (in het Engels) te zeggen (toen die [slachtoffer] schreeuwde)

dat ze moest zwijgen omdat ze er anders aan zou gaan en

- (vervolgens) een klap in het gezicht te geven (toen die [slachtoffer] de deur van

de auto open deed in een poging om te vluchten) en

vervolgens en/of nadat de auto in Eindhoven was

aangekomen

- uit de auto te sleuren en/of te trekken en

- een hand tegen de mond te houden en in het gezicht te slaan en

- te bedreigen door een of meerdere malen te zeggen (toen die [slachtoffer]

schreeuwde) dat ze moest zwijgen omdat ze er anders aan zou gaan en

- (vervolgens) te dwingen een voor haar onbekende ruimte binnen te gaan

en in een voor haar onbekende ruimte te verblijven en

- (vervolgens) te dwingen om op haar knieën te gaan zitten en/of

- (vervolgens) (met een touw) de handen achter het lichaam te binden.

op 1 januari 2012 te Eindhoven en in België, tezamen en in vereniging met een ander,

door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader meermalen,

- zijn/hun vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en gebracht en

- gedwongen hem/hen te pijpen en/of af te trekken en

- hun penissen (met kracht) in de vagina en anus van die [slachtoffer]

geduwd en/of (vervolgens) (heen en weer) bewogen

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die

bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en zijn mededader,

- die [slachtoffer] tegen haar wil naar een voor haar onbekende omgeving

hebben gebracht en

- die [slachtoffer] hebben gedwongen in een voor haar onbekende ruimte te

verblijven en

- de handen van die [slachtoffer] achter het lichaam hebben gebonden en

- de ogen van die [slachtoffer] hebben bedekt en/of afgeplakt

- de kleding van die [slachtoffer] kapot hebben getrokken en

- tegen die [slachtoffer] hebben gezegd dat als ze niet zou luisteren ze

vermoord zou gaan worden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

  • -

    een gevangenisstraf van 8 jaren met aftrek voorarrest;

  • -

    gehele hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en oplegging van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hoofdelijk).

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van de feiten de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt dienen te worden genomen. Voor een verkrachtingszaak staat conform deze oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 24 maanden. De raadsman kan zich voorstellen dat de rechtbank aanleiding ziet daarop een verhoging toe te passen. Het viervoudige van 24 maanden gevangenisstraf lijkt de raadsman wat al te ruim.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft tijdens de Nieuwjaarsnacht samen met de medeverdachte een jonge vrouw in België de auto in gesleurd en haar meegenomen naar een woning in Nederland. In de auto werden de ogen en de mond van het slachtoffer met tape afgeplakt. Tijdens de autorit is het slachtoffer betast en is er door een van de verdachten, toen het slachtoffer de deur van de auto open wilde maken, geweld gebruikt. Bij een woning in Eindhoven aangekomen, is het slachtoffer op een matras gelegd, haar handen zijn op haar rug gebonden en de jurk van het slachtoffer is kapot getrokken. In de woning is het slachtoffer gedurende enkele uren meerdere malen door beide mannen op gruwelijke wijze verkracht. Tijdens deze feiten zijn de ogen bijna de hele tijd afgeplakt. Op meerdere momenten is het slachtoffer door de mannen bedreigd met de dood. Na de verkrachtingen is het slachtoffer onder de douche gezet en is er een bijtende stof in haar vagina gespoten, kennelijk met de bedoeling sporen uit te wissen. Dit was, zo blijkt uit de verklaring van het slachtoffer, heel pijnlijk. Daarna moest het slachtoffer wederom onder de douche en zijn haar vingernagels schoongemaakt met een stokje. Het slachtoffer is daarna weer in de auto gegooid en op een zandpad half ontkleed en gehavend achtergelaten. Daarbij is het slachtoffer te kennen gegeven dat ze haar en haar familie zouden vermoorden als ze de politie zou inschakelen.

Vastgesteld kan worden dat deze misdrijven op een van de meest ernstige wijze van uitvoering hebben plaatsgevonden.

Voor het slachtoffer is dit alles zeer angstaanjagend geweest. Zij heeft op meerdere momenten gevreesd voor haar leven. Toen zij in Waalre uit de auto werd gezet, dacht zij dat zij zou worden gedood. Zo schrijft zij in haar slachtofferverklaring dat dit de langste seconden van haar leven zijn geweest. Verdachte en medeverdachte hebben op bijzonder brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een jonge vrouw, voor wie het bewezen verklaarde buitengewoon vernederend en traumatisch is geweest. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het slachtoffer heeft aangegeven dat zij zich nooit meer veilig zal voelen. Zij is het afgelopen jaar nog nooit alleen naar buiten geweest. Zij geeft aan dat haar leven op allerlei gebieden kapot is gemaakt. Zij is afhankelijk van anderen geworden en heeft problemen met haar studie door concentratieproblemen. Van een zelfstandige jonge vrouw is zij door deze gebeurtenis veranderd in een persoon die onzeker en wantrouwend is en van het minste of geringste schrikt.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

De rechtbank heeft geen omstandigheden gezien die tot matiging van de straf zouden moeten leiden.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren een passende en geboden reactie vormt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in verband met detentie in België voor deze zaak niet in verzekering of in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht is derhalve niet aan de orde.

Er is met betrekking tot verdachte geen onderzoek naar zijn geestvermogens gedaan. Nu een dergelijke rapportage ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen of er bij verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

Primair is de verdediging van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet kan worden toegewezen omdat de feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd. Er bestaat geen reden af te wijken van wat in soortgelijke zaken ten aanzien van de immateriële schade aan vergoeding wordt toegekend.

De raadsman betwist de kosten met betrekking tot het verlies van het schooljaar.

Beoordeling.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25.000,-- als provisionele morele schade gevorderd. Als provisionele materiële schade heeft de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 5.212,-- gevorderd, in verband met psychologische begeleiding (€ 825,--), kledij en andere schade (€ 500,--), administratiekosten (€ 100,--), verplaatsingskosten (€ 1287,--) en verlies van een schooljaar (€ 2.500,--).

Voor wat betreft de immateriële schade is wettelijke rente gevorderd vanaf 1 januari 2012.

Voor wat betreft de materiële schade is wettelijke rente gevorderd vanaf de gemiddelde datum van betaling, zijnde 22 oktober 2012.

Het staat vast dat de door verdachten tegen het slachtoffer gepleegde misdrijven zeer ernstig zijn, en dat daardoor een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Het is, mede op grond van de gedegen onderbouwing van de vordering, voor de rechtbank verder volstrekt aannemelijk dat deze gevolgen zeer aanzienlijk en langdurig zullen zijn. Ook kan de rechtbank de benadeelde partij volgen indien wordt aangegeven dat er een reële mogelijkheid bestaat dat er, ten minste gedeeltelijk, sprake is van blijvende schade bij het slachtoffer.

De verdediging heeft niet betwist dat de door de benadeelde partij beschreven gevolgen van de bewezen verklaarde strafbare feiten een direct gevolg zijn van die strafbare feiten. De vraag naar het causaal verband tussen de delicten en de geconstateerde gevolgen staat daarmee vast. Uit het voorafgaande volgt dat er door het slachtoffer reeds nu een aanzienlijke immateriële schade is geleden en dat zij die nog zal lijden.

Uit de opbouw van de vordering volgt dat de benadeelde partij haar schade thans nog niet geheel kan vaststellen. De rechtbank zal om die reden op dit moment slechts dat gedeelte van de gevorderde immateriële schade toewijzen dat thans in afdoende mate vaststaat.

Alles overwegend wijst de rechtbank terzake immateriële schade een bedrag toe van

€ 15.000,--.

De gevorderde materiële schade is uitsluitend weersproken voor zover het betreft de schade door de studievertraging. De rechtbank acht op grond van de overgelegde stukken en de daarbij gegeven toelichting ook dit bedrag van € 2.500,-- toewijsbaar. Gelet op het te verwachten jaarinkomen van een HBO-geschoold verpleegkundige, maar zelfs dat van een lager gekwalificeerd werknemer, levert een half jaar vertraging bij het verwerven van eigen inkomen al een schade op die een veelvoud is van het gevorderde bedrag. Dit gedeelte van de vordering is voor het overige niet betwist, en komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank zal om die reden het gevorderde bedrag aan materiële schade geheel toewijzen.

De wettelijke rente is gevorderd voor wat betreft de immateriële schade vanaf 1 januari 2012, de datum waarop de delicten zijn gepleegd. Voor wat betreft de materiële schade is de wettelijke rente gevorderd vanaf de gemiddelde datum van betaling, te weten 22 oktober 2012. De rechtbank zal, aangezien de materiële schade deels na de datum delict is ontstaan, de ingangsdatum voor de wettelijke rente bepalen op 22 oktober 2012, zoals is gevorderd.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in (het hierna te noemen onderdeel van) de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering voor het overige deel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het gaat daarbij om de post immateriële schade, voor zover deze het bedrag van € 15.000,-- te boven gaat. Nader onderzoek naar deze schade is een onevenredige belasting van het strafgeding, te meer nu de totale schade voor wat betreft dit onderdeel nog niet vaststaat.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil, omdat er geen kosten rechtsbijstand zijn gevorderd.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 22 oktober 2012 voor wat betreft de materiële schade, tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 36f, 47, 57, 242 en 282.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en

beroofd houden.

feit 2:

Medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

* Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van € 20.212,-- subsidiair 135 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 20.212,--

(zegge: twintigduizendtweehonderdtwaalf euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 15.000,--

immateriële schade en € 5.212,-- materiële schade (posten: psychologische

begeleiding, kledij, administratiekosten, verplaatsingskosten, verlies van een

schooljaar).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Met betrekking tot de immateriële schade vanaf de datum van het delict, 1 januari 2012, tot aan de dag der algehele voldoening en met betrekking tot de materiële schade vanaf 22 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 20.212,--

(zegge: twintigduizendtweehonderdtwaalf euro), te weten € 15.000,--

immateriële schade en € 5.212,-- materiële schade (posten: psychologische

begeleiding € 825,-- kledij € 500,--, administratiekosten € 100,--,

verplaatsingskosten € 1.287,-- en verlies van een schooljaar € 2.500,--).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

Met betrekking tot de immateriële schade vanaf de datum van het delict, 1 januari 2012, tot aan de dag der algehele voldoening en met betrekking tot de materiële schade vanaf 22 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn

mededader is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hem opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (restant

immateriële schade) niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. P.A. Buijs, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 28 oktober 2013.

Bijlage A.

Bewijsoverzicht

[bewijsoverzicht]