Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5862

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
01/995015-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een geldboete van € 18.000,-- waarvan € 9.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het opzettelijk gebruik maken van een vals rapport met betrekking tot (mogelijk) verontreinigde grond.

Dit valse geschrift was gevoegd bij het Meldingsfomulier Bouwstoffen, bestemd voor melding van gebruik van categorie I grond aan de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995015-10

Datum uitspraak: 25 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [plaats 1], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juni 2013, 4 oktober 2013 en 11 oktober 2013 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 februari 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 28 juli 2008 te Someren en/of te Son en Breugel,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of

vervalste rapport, te weten het door [bedrijf 1]opgemaakte rapport,

genummerd [nummer] en gedateerd 25 juli 2008, zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dit rapport echt

en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij, verdachte, en/of

een of meer van haar medeverdachten en/of een ander, dit valse of vervalste

rapport als bijlage heeft gevoegd bij het Meldingsformulier Bouwstoffen

bestemd voor melding van gebruik van categorie I grond aan de gemeente Son en

Breugel en/of het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, directie

Noord-Brabant, en bestaande die valsheid en/of die vervalsing hierin dat in

strijd met de waarheid

- werd vermeld dat de werkzaamheden uitgevoerd waren conform het in het

certificaat BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) genoemde VKB protocol 1001

(versie 1, 10 december 2004) van het SIKB, immers vond de monsterneming niet

plaats op basis van een monsternemingsplan dat was opgesteld op basis van de

beschikbare gegevens van de partij overeenkomstig paragraaf 6 VKB protocol

1001 en/of

- werd vermeld dat in het kader van het vooronderzoek van de te onderzoeken

partij gegevens waren verzameld die van belang waren voor het onderzoek, zoals

de partijkeuring Bouwstoffenbesluit, uitgevoerd door [bedrijf 2],

rapport van 4 januari 2008 met kenmerk [kenmerk 1] en het uitloogonderzoek

Bouwstoffenbesluit, uitgevoerd door [bedrijf 2], rapport van 19

februari 2008, met kenmerk [kenmerk 2], immers waren deze gegevens pas na

uitvoering van de werkzaamheden verzameld, te weten op 24 juli 2008 en/of

- onder paragraaf 2.2 "bekende bodemonderzoeken" was nagelaten te vermelden

dat er op de locatie eerder door [bedrijf 2] een (aanvullend)

indicatief onderzoek was uitgevoerd, rapport van 9 april 2008 met kenmerk

[kenmerk 3];

artikel 225, lid 2 Wetboek van strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 juli 2008 te Someren en/of te Son en Breugel, althans

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, zijnde een persoon of instelling als bedoeld in artikel 1 van het

"Besluit bodemkwaliteit", een resultaat van een werkzaamheid heeft gebruikt

en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld, terwijl zij en/of haar

mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat dit

resultaat, gelet op het doel waarvoor dit zou worden gebruikt, geen

betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen en/of aard en/of hoedanigheid

en/of samenstelling van de grond, baggerspecie of bouwstof, aangezien zij

en/of haar mededader(s) toen aldaar een rapport ([nummer]), welk rapport is

gedateerd 25 juli 2008 en opgemaakt door [bedrijf 1], betreffende een

partijkeuring op het terrein van de Rioolwaterzuiverings- installatie "[plaats 2]

[plaats 2]", aan de gemeente Son en Breugel en/of het Ministerie van

Verkeer en Waterstaat, directie Noord-Brabant en/of (een) ander(en) ter

beschikking had/hadden gesteld, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en)

althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat in dit rapport:

- werd vermeld dat de werkzaamheden uitgevoerd waren conform het in het

certificaat BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) genoemde VKB protocol 1001

(versie 1, 10 december 2004) van het SIKB, terwijl de monsterneming niet

plaats had gevonden op basis van een monsternemingsplan dat was opgesteld op

basis van de beschikbare gegevens van de partij overeenkomstig paragraaf 6 VKB

protocol 1001 en/of

- werd vermeld dat in het kader van het vooronderzoek van de te onderzoeken

partij gegevens waren verzameld die van belang waren voor het onderzoek, zoals

de partijkeuring Bouwstoffenbesluit, uitgevoerd door [bedrijf 2],

rapport van 4 januari 2008 met kenmerk[kenmerk 1] en het uitloogonderzoek

Bouwstoffenbesluit, uitgevoerd door [bedrijf 2], rapport van 19

februari 2008, met kenmerk [kenmerk 2], terwijl deze gegevens pas na

uitvoering van de werkzaamheden waren verzameld, te weten op 24 juli 2008

en/of

- onder paragraaf 2.2 "bekende bodemonderzoeken" nagelaten was te vermelden

dat er op de locatie eerder door [bedrijf 2] een (aanvullend)

indicatief onderzoek was uitgevoerd, rapport van 9 april 2008 met kenmerk

[kenmerk 3];

artikel 16 Besluit bodemkwaliteit

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie:

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Daartoe is het volgende aangevoerd. Door onvolledig en onnauwkeurig onderzoek te doen heeft het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht verspeeld. Er is sprake van een vooringenomen en eenzijdig opsporingsonderzoek, uitgevoerd door opsporingsambtenaren die onvoldoende deskundig zijn. De processen-verbaal zijn niet opgesteld met inachtneming van de artikelen 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering. Zij bevatten, in plaats van feitelijke vaststellingen, stelselmatig meningen en gissingen van de betreffende verbalisant(en). Door de wijze van (dreigen met) toepassing van dwangmiddelen is onevenredige druk uitgeoefend op verdachte. Door dit alles is, in de visie van de verdediging, op zeer ernstige wijze gehandeld in strijd met het recht van verdachte op een eerlijk proces.

De officier van justitie heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid tegengesproken. Zij heeft aangegeven dat het opsporingsonderzoek adequaat is verlopen en dat niet alles uitputtend onderzocht hoefde te worden. De gerezen verdenking is afdoende onderzocht, en er zijn geen ontlastende bevindingen buiten het dossier gehouden. De verdediging heeft de gelegenheid gehad het (opsporings)onderzoek kritisch tegen het licht te houden, onder andere door het horen van getuigen en het inbrengen van (eigen) deskundigenrapportages.

De rechtbank stelt allereerst vast dat gebruikelijk is dat vanuit een verdenking onderzoek wordt gedaan, en dat een (opsporings)onderzoek - na beoordeling door het openbaar ministerie - uitmondt in een tekst van een tenlastelegging. De keuzes die in het opsporingsonderzoek zijn gemaakt door het openbaar ministerie zijn ter zitting onderwerp van inhoudelijke discussie tussen openbaar ministerie en verdediging geweest. Een dergelijke, zeer gebruikelijke, werkwijze is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces of andere fundamentele rechtsbeginselen.

De rechtbank is verder niet gebleken dat het openbaar ministerie en/of de opsporingsambtenaren voor de verdere beoordeling van de strafzaak relevante feiten en omstandigheden hebben verzwegen of op andere wijze weggelaten uit het strafdossier. Het is in deze zaak verder zo dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om nader onderzoek te (laten) doen naar de juistheid van de in de dagvaarding omschreven feiten en omstandigheden, maar ook om de eigen visie op het strafrechtelijk verwijt nader te onderbouwen door het inbrengen van stukken. De wijze waarop met de verdachte afspraken zijn gemaakt om te komen tot een verhoor van verdachte, vormt geen enkele inbreuk op de verdedigingsrechten zoals die op basis van wet en rechtspraak behoren te worden gerespecteerd door het openbaar ministerie.

De rechtbank ziet in deze gang van zaken in elk geval geen zodanig wezenlijke inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte, ook in samenhang bezien met andere feiten en omstandigheden, dat er sprake is van een vormverzuim. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt op grond van het bovenstaande verworpen. Evenmin is er aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

De bewijsmotivering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat het primair en het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.1

De aanbesteding

Op het adres[plaats 2] bevindt zich de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Waterschap “[waterschap]”. Aan de oostelijke kant grenst het terrein aan de oever van de rivier [waterschap].2 Het waterschap “[waterschap]” heeft in 2008 werkzaamheden aanbesteed, bestaande uit het uitgraven van een meander op dit terrein.3

De inschrijvers bij deze aanbesteding hebben voorafgaand aan de inschrijving kunnen kennisnemen van een werkomschrijving.4 Daarin is vermeld dat bij de meander circa 8.500 m3 grond vrij komt en dat de ontgraven hoeveelheid grond moet worden afgevoerd en niet op het terrein verwerkt mag worden. Bij de werkomschrijving zijn drie onderzoeksrapporten5 over de te ontgraven grond als bijlage gevoegd. Deze rapporten zijn opgesteld door [bedrijf 2] (hierna te noemen: [bedrijf 2]) op basis van door haar uitgevoerd onderzoek en daarbij is gebruik gemaakt van resultaten van door [bedrijf 5] verricht laboratoriumonderzoek. Ten behoeve van dit onderzoek werd door [bedrijf 2] de af te graven grond bemonsterd in vier delen, genoemd MM1, MM2, MM3 en MM4. [bedrijf 2] concludeerde dat de delen MM1 en MM2 als categorie 1 grond kon worden gekwalificeerd6, hetgeen betekent dat de grond toepasbaar is in andere werken. Ten aanzien van de delen MM3 en MM4 verwachtte [bedrijf 2] dat na een partijkeuring waarbij die delen in acht vakken werden opgesplitst, drie vakken niet toepasbaar zouden blijken vanwege een verontreiniging met minerale olie en cadmium. Vijf vakken zouden naar verwachting categorie 1 grond zijn, en daarmee als zodanig toepasbaar7.

Op het werk hebben vier aannemers ingeschreven, voor de inschrijfsom van respectievelijk

€ 32.000, € 117.600, € 169.656 en € 191.300. De laagste inschrijver was [bedrijf 3].8

Waterschap [waterschap] heeft het werk gegund aan [bedrijf 3].9

Op 19 augustus 2008 heeft een opsporingsambtenaar van het Regionaal Milieu Team van de politie Brabant-Noord geconstateerd dat een begin was gemaakt met de uitvoering van het werk en dat ook op de locatie waar volgens het rapport van [bedrijf 2] de grond mogelijk met cadmium was verontreinigd, was ontgraven.10 De ontgraven grond is toegepast bij de aanleg van een viaduct en de verbreding van de A58 (ook wel wegenbouwkundig project Ekkersrijt genoemd) in de gemeente Son en Breugel.11 Op een transportdocument dat een van de chauffeurs van de vrachtwagens met grond aan de opsporingsambtenaren overhandigde stond[bedrijf 3] vermeld als ontdoener van de grond en stond als ontvanger van de grond vermeld: [bedrijf 4], zijnde de uitvoerder van het wegenbouwkundig werk Ekkersrijt.12

Meldingsformulier Bouwstoffen

Ter terechtzitting van 17 juni 2013 heeft [persoon 1], middellijk bestuurder van [verdachte], hierna te noemen [verdachte], verklaard dat hij bij het wegenbouwkundig project Ekkersrijt was betrokken als melder van grondwerkzaamheden en daartoe met het bevoegd gezag communiceerde.13 [verdachte] is statutair gevestigd te [plaats 1].

Op 28 juli 2008 heeft [verdachte] als gemachtigde van [bedrijf 4] aan de gemeente Son en Breugel melding gedaan van het gebruik van bouwstoffen in het werk Ekkersrijt te Son en Breugel. In het meldingsformulier bouwstoffen heeft [verdachte] vermeld dat de bouwstof die gebruikt gaat worden categorie 1 grond betreft en dat als bewijs voor de samenstelling een partijkeuring wordt bijgevoegd, uitgevoerd door [bedrijf 1], gedateerd 25 juli 2008 en genummerd[nummer].14

Totstandkoming rapport [bedrijf 1]

Ter terechtzitting van 17 juni 2013 heeft [persoon 1], middellijk bestuurder van [verdachte], verklaard dat in de maand mei van het jaar 2008 tussen hem en de bedrijfsleider van[bedrijf 3], [persoon 2] genaamd, telefonisch verkeer (herhaaldelijk) en

e-mailverkeer heeft plaatsgevonden.15 Tot dat e-mailverkeer behoort de navolgende e-mail van [persoon 2] aan hem, [persoon 1], d.d. 28 mei 2013:

[persoon 1],

bij een te calculeren werk op de [locatie] komt 7440 m3-vast cat-1 vrij en 2355 m3-vast matig verontreinigde, niet toepasbare grond (volgens de onderzoeken).

  • -

    De grond is ten eerste in-situ onderzocht middels een partijonderzoek d.d. 04-01-08. Hieruit is afgeleid dat een deel van de partij cat-1 is (MM1 en MM2), MM3 en MM4 voldoen niet aan cat-1.

  • -

    Op MM3 en MM4 is een uitloogproef uitgevoerd d.d.19-02-08. Conclusie is dat MM3 en MM4 niet toepasbaar zijn.

  • -

    In het navolgend indicatief onderzoek, d.d. 09-04-08, zijn MM3 en MM4 verder opgedeeld en opnieuw onderzocht. Hieruit komt naar voren dat van de 8 deelpartijen er 3 als niet toepasbaar worden beschouwd en de rest als cat-1.

De diverse rapporten zijn in de bijlage toegevoegd.

Hoe creatief kunnen we met bovenstaande omgaan? Het makkelijkst is 7440 m3-vast cat-1 en 2355 m3-vast afvoeren naar een reiniger, maar misschien is hier iets slims op te bedenken.

Kun jij je licht hier eens over laten schijnen?

Aanbesteding is op 4 juni.

Wanneer er vragen zijn dan hoor ik het wel.

Met vriendelijke groet,

[persoon 2]

Op 30 mei 2008 antwoordt [persoon 1] als volgt:

Klopt, klopt en klopt: aannemen als cat 1 grond!

Met vriendelijke groet,

[verdachte]

[persoon 1]

[persoon 1] heeft ter terechtzitting van 17 juni 2013 verklaard dat hij [bedrijf 1], hierna te noemen [bedrijf 1], heeft ingeschakeld voor het herkeuren van de partij grond.16

Op 3 juli 2008 brengt [bedrijf 1] aan [verdachte] een offerte uit voor de herkeuring van de partij grond. In de offerte staat vermeld17:

Bekende bodemonderzoeken:

Op de locatie is reeds eerder bodemonderzoek uitgevoerd door [bedrijf 2]. Volgens informatie van de opdrachtgever blijkt dat circa 75% van de partij volgens het Bouwstoffenbesluit kan worden geclassificeerd als schone grond. De overige 25% betreft categorie 1 grond.

Voorafgaand aan het door [bedrijf 1] te verrichten onderzoek is door [verdachte] een situatietekening aangeleverd, welke was opgesteld door [bedrijf 2] op 3 januari 2008 met kenmerk [kenmerk 1].18 Op deze tekening19 zijn kruisjes te zien. Volgens de legenda betreffen dit boringen ten behoeve van de monstername. Voorts is op deze tekening de grens van de onderzoekslocatie zichtbaar. Ook is te zien dat de onderzoekslocatie door een lijn van oost naar west in tweeën is verdeeld en dat het ene deel MM1+2 wordt genoemd en het andere deel MM3+4.

[persoon 3], bestuurder van [bedrijf 1], heeft verklaard dat de partijindeling is gemaakt op basis van de door [verdachte] voorafgaand aan de offerte aangeleverde gegevens en dat zij op basis van informatie van [verdachte] als uitgangspunt heeft gehanteerd dat 75% van de partij schoon is en 25% als categorie 1 zou moeten worden beschouwd. Hiermee rekening houdende was er geen aanleiding om op basis van de bekende gegevens een voorkeur voor een partijindeling aan te houden.20 Ook [persoon 4], werkzaam bij [bedrijf 1] en project-verantwoordelijke voor de partijkeuring, heeft verklaard dat de informatie omtrent de 75% schone en 25% categorie 1 grond, afkomstig was van [verdachte]. [persoon 1] had die informatie telefonisch aan [persoon 4] gegeven en had de offerte ondertekend.21 Bij de keuze van de partijindeling heeft een eventuele vervuiling geen rol gespeeld, want daarvan was [bedrijf 1] niet op de hoogte, aldus [persoon 4].22

Bij de [stichting] is een Centraal College van Deskundigen Bodembeheer (CCvD) ondergebracht. Dit college heeft op 10 december 2004 een protocol (VKB protocol 1001, versie 1) vastgesteld voor monsternemingen van grond voor partijkeuringen op grond van het Bouwstoffenbesluit (Bsb). In de offerte van [bedrijf 1] aan [verdachte] is onder “onderzoeksstrategie” vermeld dat de werkzaamheden worden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) conform VKB protocol 1001 (versie 1, 10 december 2004).

In hoofdstuk 6 van het VKB protocol 1001, dat handelt over de werkwijze, is voorgeschreven:

De monsterneming geschiedt op basis van een monsternemingsplan dat vooraf onder verantwoordelijkheid van de projectleider wordt opgesteld op basis van de beschikbare gegevens over de partij.

[verdachte] heeft de drie door [bedrijf 2] opgestelde onderzoeksrapporten niet voorafgaand aan de door [bedrijf 1] te verrichten monsterneming aan [bedrijf 1] doen toekomen. [bedrijf 1] heeft op 10 juli 2008 veldwerk verricht ten behoeve van de partijkeuring. Op 24 juli 2008 heeft [verdachte] op verzoek van [bedrijf 1] de rapporten van [bedrijf 2] betreffende het “Partijonderzoek”, het “Uitloogonderzoek” en het “Indicatief onderzoek” toegezonden. Het rapport van [bedrijf 1] is een dag later, op 25 juli 2008, aan [verdachte] per post toegezonden.23

Het rapport van [bedrijf 1] vermeldt in het hoofdstuk “vooronderzoek” de rapporten van [bedrijf 2] betreffende het “Partijonderzoek” en het “Uitloogonderzoek”. Het rapport van [bedrijf 2] betreffende het “Indicatief onderzoek” wordt niet vermeld. Bij het rapport van [bedrijf 1] is een situatietekening van de locatie gevoegd waarop de grenzen van de partij te zien zijn, alsmede boorpunten ten behoeve van de monstername. Een lijn lopend van noord naar zuid verdeelt de partij in 2 delen.24

De conclusies van het rapport van [bedrijf 1] zijn dat de partij grond, getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit, voldoet aan de klasse industrie en dat de partij grond, getoetst aan het Bouwstoffenbesluit, geclassificeerd wordt als categorie 1 of 2 grond. Voor de definitieve classificatie conform het Bouwstoffenbesluit zou nog uitloogonderzoek nodig zijn maar omdat de opdrachtgever [verdachte] beschikt over het productcertificaat BRL 9335-1, dient van slechts 1 op de 25 partijen een uitloogonderzoek uitgevoerd te worden, zodat de partij onder dit productcertificaat kan worden geclassificeerd als categorie 1 grond.25

Bewijsoverweging

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat [persoon 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [verdachte] reeds eind mei 2008 er van op de hoogte was dat een gedeelte van de partij grond mogelijk in wezenlijke mate verontreinigd was en als gevolg daarvan volgens het Bouwstoffenbesluit niet toepasbaar. In de e-mail van 28 mei 2008 wordt [persoon 1] immers door [persoon 2] duidelijk geïnformeerd over ‘matig verontreinigde, niet toepasbare grond’ en dat het ‘het makkelijkst is deze af te voeren naar een reiniger’. Op de vraag ‘hoe creatief kunnen we hiermee omgaan’ en ‘misschien is hier iets slims op te bedenken’ antwoordt [persoon 1] twee dagen later, zonder dat enige vorm van tussentijds aanvullend onderzoek heeft plaatsgehad, ‘aannemen als categorie 1 grond’. Dat [persoon 1], zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, dit antwoord cynisch heeft bedoeld omdat [persoon 2] slechts vragen bleef stellen maar aan [verdachte] nog altijd geen opdracht had gegeven, is volstrekt onaannemelijk. De latere handelwijze van betrokkenen wijst eerder op het tegendeel. Uit niets is gebleken dat [persoon 2] het antwoord als cynisch bedoeld zou hebben opgevat, gelet op de prijs waarvoor is ingeschreven op het werk te [plaats 2]. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat er hoge kosten kunnen zijn gemoeid met het afvoeren van vervuilde, niet toepasbare, grond. Ook aan dit gegeven komt betekenis toe bij het interpreteren van het hierboven weergegeven mailverkeer.

Ondanks de wetenschap dat een gedeelte van de partij grond mogelijk verontreinigd was, spiegelde [persoon 1] [bedrijf 1] aanvankelijk voor dat de grond voor 75% schoon was en voor 25% categorie 1. Vervolgens werden de rapporten van [bedrijf 2], waaruit de reële mogelijkheid voortvloeit dat sprake was van een aanzienlijk zwaardere mate van verontreiniging, in een zodanig laat stadium door [verdachte] verstrekt dat deze bij de monsterneming geen rol meer konden spelen. Vooral het niet beschikken over het rapport betreffende het “Indicatief onderzoek” komt betekenis toe, aangezien dit laatste rapport [bedrijf 1] zou hebben geïnformeerd over een mogelijk serieuze verontreiniging en de locatie daarvan. Had [bedrijf 1] die informatie wel tijdig gehad, dan had dit tot een andere partijindeling behoren te leiden dan de thans door haar gekozen indeling.

[persoon 1] heeft aldus bewust de rapporten van [bedrijf 2], waarvan hij wist dat zij in redelijkheid bepalend konden zijn voor het door [bedrijf 1] uit te voeren onderzoek, voor [bedrijf 1] achtergehouden. Wetende dat [bedrijf 1] zou gaan werken volgens het VKB-protocol 1001, wist [persoon 1] derhalve ook dat de nieuwe monsterneming niet op basis van de beschikbare gegevens zou plaatsvinden. Voorts moest [persoon 1] vermoeden dat [bedrijf 1], indien [bedrijf 1] pas in een veel later stadium kennis zou nemen van de rapporten van [bedrijf 2], de keuze zou maken in haar eigen rapport geen melding te maken van het rapport van [bedrijf 2] betreffende het indicatief onderzoek en aldus een onvolledig beeld van de partij grond zou verschaffen. Na ontvangst van het rapport van [bedrijf 1] wist [persoon 1] dat hij op deze wijze de beschikking had gekregen over een rapport dat een (veel) te rooskleurig, dus onjuist, beeld gaf van (de samenstelling van) tenminste een gedeelte van de af te graven grond. Deze gedragingen van [persoon 1] kunnen redelijkerwijs aan [verdachte] worden toegerekend, aangezien [persoon 1] als middellijk bestuurder van [verdachte] de rechtspersoon leidde en bovenal omdat hij persoonlijk directe feitelijke bemoeienis had bij deze gedragingen van [verdachte]. Door vervolgens het rapport van [bedrijf 1] als bijlage te voegen bij het Meldingsformulier Bouwstoffen, heeft [verdachte] opzettelijk van een vals rapport gebruik gemaakt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen als hierna te melden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van 1 primair:

op 28 juli 2008 te Someren en/of te Son en Breugel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals rapport, te weten het door [bedrijf 1]opgemaakte rapport, genummerd[nummer] en gedateerd 25 juli 2008, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dit rapport echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij, verdachte dit valse rapport als bijlage heeft gevoegd bij het Meldingsformulier Bouwstoffen bestemd voor melding van gebruik van categorie I grond aan de gemeente Son en Breugel en bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid

- werd vermeld dat de werkzaamheden uitgevoerd waren conform het in het certificaat BRL SIKB 1000 (versie 7, 3 maart 2005) genoemde VKB protocol 1001 (versie 1, 10 december 2004) van het SIKB, immers vond de monsterneming niet plaats op basis van een monsternemingsplan dat was opgesteld op basis van de beschikbare gegevens van de partij overeenkomstig paragraaf 6 VKB protocol 1001 en

- onder paragraaf 2.2 "bekende bodemonderzoeken" was nagelaten te vermelden dat er op de locatie eerder door [bedrijf 2] een (aanvullend) indicatief onderzoek was uitgevoerd, rapport van 9 april 2008 met kenmerk [kenmerk 3].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een geldboete van € 20.000,00 waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging persisteert bij vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de rechtspersoon en de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte, waaronder haar draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door haar gedragingen die hebben geleid tot het ontgraven, transporteren en toepassen van verontreinigde grond welbewust een gevaar voor anderen in het leven geroepen.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de wet- en regelgeving aangaande het uitvoeren van handelingen aan een (mogelijk) verontreinigde bodem. Verdachte heeft immers op slinkse wijze een erkend bedrijf op het gebied van bodemonderzoek betrokken bij het accrediteren van een hoeveelheid niet toepasbare grond, waarbij zij bedrijfseconomische motieven heeft geplaatst boven wettelijke milieuvereisten en de daarop rustende maatschappelijke verantwoordelijkheden ten aanzien van verontreinigde grond.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop het door haar gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze termijn is aangevangen met de ontvangst door verdachte van de inleidende dagvaarding (destijds voor de meervoudige economische kamer) op 28 maart 2011. Sindsdien zijn twee jaren en 7 maanden verstreken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting met 7 maanden. In verband met deze termijnoverschrijding legt de rechtbank in plaats van een geldboete van

€ 20.000,-- thans een geldboete van € 18.000,-- op.

De rechtbank zal de op te leggen geldboete (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen, mede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 225.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van primair:

medeplegen van:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van primair:

Geldboete van EUR 18.000,00 waarvan EUR 9.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. J.W.H. Renneberg en mr. drs. W.A.F. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 25 oktober 2013.

mr. J.W.H. Renneberg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant-Noord, Divisie Inlichtingen en Opsporing, team Milieucriminaliteit, dossiernummer PL21MT/08-019376, afgesloten d.d. 2 april 2010, aantal doorgenummerde bladzijden 830.

2 Proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier, hoofdagent en brigadier van politie, p. 10.

3 Verklaring verdachte [verdachte], p. 308

4 Werkomschrijving 5-2008 [werkomschrijving], p. 64 e.v.

5 “Partijonderzoek grond”, p. 76 e.v., “Uitloogonderzoek partij MM3&MM4”, p. 124 e.v., “Indicatief onderzoek”, p. 135 e.v.

6 “Partijonderzoek grond”, p. 85

7 “Indicatief onderzoek”, p. 137

8 Proces-verbaal van aanbesteding, p. 62

9 Verklaring verdachte [verdachte], p. 289 en verklaring verdachte [verdachte], p. 308/309

10 Proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier, hoofdagent en brigadier van politie, p. 10.

11 Proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier, hoofdagent en brigadier van politie, p. 11, p. 12 laatste alinea.

12 Proces-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier, hoofdagent en brigadier van politie, p. 12/13 en de “begeleidingsbrief”, p. 153

13 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 17 juni 2013, p.4

14 Meldingsformulier Bouwstoffen, p. 203, begeleidende brief aan gemeente Son en Breugel, p. 201, begeleidende brief aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, p. 202.

15 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 17 juni 2013, p. 5

16 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 17 juni 2013, p. 4

17 Offerte, p. 197 e.v.

18 Verklaring [persoon 3], p. 268 en verklaring [persoon 1] ten overstaan van de Rechter-Commissaris afgelegd op 23 januari 2012, p. 3 alsmede diens verklaring ter terechtzitting d.d. 17 juni 2013, p. 5 en p. 8

19 Tekening p. 366

20 Verklaring [persoon 3], p. 272

21 Verklaring [persoon 4], p. 285

22 Verklaring [persoon 4], p. 286

23 Verklaring [persoon 3], p. 268, verklaring [persoon 4], p. 285 en verklaring [persoon 1] ten overstaan van de Rechter-Commissaris afgelegd op 23 januari 2012, p. 3

24 Rapport Partijkeuring [bedrijf 1], p. 157 e.v., i.h.b. p. 160 en p. 168.

25 Rapport Partijkeuring [bedrijf 1], p. 166