Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2013:5812

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
SHE-13_4431
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet werk en bijstand. Aanvraag uitkering afgewezen. Niet aannemelijk geacht dat verzoeker woonplaats heeft in de gemeente 's-Hertogenbosch. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 13/4431

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. P.Th. van Alkemade,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigde mr. J.P.C. Schouten.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft verweerder verzoekers aanvraag om uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 9 september 2013 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 16 oktober 2013, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bodemprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

3.

Aangezien tegen het besluit van 20 augustus 2013 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

4.

Voor zover verweerders besluit ziet op de afwijzing van verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht over de periode van 25 januari 2013 tot

28 juni 2013 is er geen sprake van een tot het treffen van een voorlopige voorziening nopend spoedeisend belang. Immers, heeft dit deel van het besluit betrekking op een afgesloten periode in het verleden.

5.

Voor wat betreft de afwijzing van de bijstandsuitkering per 28 juni 2013 is dat spoedeisend belang er wel.

6.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

7.

Op 28 juni 2013 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering en heeft er een intakegesprek plaatsgevonden. Op het aanvraagformulier heeft verzoeker aangeven dat hij bij zijn moeder woont op het adres [adres 1]. Vervolgens heeft er op 28 juni 2013 een spreekkamergesprek plaatsgevonden. Nadat de casemanger had aangegeven dat alle keren dat zij met verzoeker telefonisch heeft gesproken hij onderweg en nooit thuis was, is bij verweerder twijfel ontstaan omtrent zijn woonsituatie. Daarom heeft er op 7 augustus 2013 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Bij dit huisbezoek bleek verzoeker niet thuis te zijn. Verweerder heeft verzoeker vervolgens schriftelijk op 13 augustus 2013 uitgenodigd voor een spreekkamer gesprek, waar hij is verschenen. Aansluitend op dit gesprek heeft er een huisbezoek plaatsgevonden op het door verzoeker opgegeven adres. In het rapport van 20 augustus 2013 zijn de bevindingen van de gevoerde gesprekken met verzoeker en de huisbezoeken neergelegd.

8.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het door hem opgegeven adres, [adres 1]. Verzoeker heeft daarmee zijn inlichtingenplicht ingevolge de WWB geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

9.

Volgens verzoeker kan verweerder enkel op basis van het afgelegde huisbezoek niet tot de conclusie komen dat hij niet zou wonen op het door hem opgegeven adres. Op zijn minst had verweerder getuigen kunnen horen over zijn woonsituatie. Verzoeker is wel van mening dat hij verblijft op het door hem opgegeven adres. Hij slaapt daar op de bank. Ten tijde van het huisbezoek 0op 13 september 2013) was het erg warm. Om die reden lagen er geen slaapspullen op de bank. Overigens heeft verweerder in het rapport ten onrechte geconstateerd dat ten tijde van het huisbezoek niet zou zijn vast te stellen welke poststukken aan verzoeker toebehoorden, omdat er in totaal drie personen genaamd [naam 1] staan ingeschreven op het in geding zijnde adres. Zijn post lag namelijk duidelijk in een bakje waarop zijn naam stond. Bovendien had verzoeker zijn post kunnen openmaken. In tegenstelling tot verweerder meent paste de door hem aangetrokken kleding ten tijde van het huisbezoek wel.

10.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

11.

Volgens vaste jurisprudentie vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB een rechtsgrond voor weigering van de bijstand wanneer door die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

12.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

13.

Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bevindt de woonplaats van een natuurlijke persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

14.

De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft dient volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie komt daarbij, eveneens naar vaste rechtspraak, geen doorslaggevende betekenis toe, omdat dit gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

15.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hier gaat om een beslissing op een aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering. Nu het een aanvraag betreft rust de bewijslast op verzoeker. Deze bewijslast brengt met zich dat verzoeker dient te bewijzen dat hij ten tijde van de aanvraag zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres, [adres 1]. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat verzoeker hierin niet is geslaagd. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat hij ervan uitgaat dat verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het rapport aanvraag WWB van 20 augustus 2013. Verzoeker heeft, zo kan uit dit rapport worden afgeleid, tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn slaapplek in de desbetreffende woning. Zo heeft hij in eerste instantie (tijdens het intakegesprek op 28 juni 2013) verklaard dat hij een eigen kamer heeft. Vervolgens (tijdens het spreekkamergesprek op 13 augustus 2013) heeft hij verklaard dat hij geen eigen kamer heeft, maar op de bank slaapt. Echter zijn er geen slaapspullen van verzoeker in de woning aangetroffen en verzoeker kan deze ook niet laten zien. Daarbij gaat het, anders dan verzoeker lijkt te menen, niet uitsluitend om dekens, maar (veeleer) ook om ontbreken van overig beddengoed en een hoofdkussen. Daar komt bij dat als onweersproken vaststaat dat uit het GBA is gebleken dat er in totaal acht mensen staan ingeschreven op het door verzoeker opgegeven adres, terwijl er in de woning maar vijf slaapplekken zijn aangetroffen. Verzoeker heeft tijdens het huisbezoek voorts blijkens het rapport een stapeltje post laten zien gericht aan [naam 1]. Nu er drie personen op het adres staan ingeschreven met dezelfde naam is aan verzoeker aangegeven dat het belangrijk is dat hij nu zijn post opent. Dit heeft hij niet gedaan. Daarmee kan niet worden vastgesteld of het klopt dat hij post ontvangt op het door hem opgegeven adres. Nu hij door verweerder is gewezen op het belang van het openmaken van zijn post, dient het voor zijn rekening en risico te blijven dat hij dat niet heeft gedaan. Verder heeft verzoeker geen passende kleding en nauwelijks persoonlijke spullen kunnen tonen. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan de in dit kader in het rapport van 20 augustus 2013 vermelde dat het door verzoeker ten tijde van het huisbezoek aangetrokken gilet (merkbaar) te groot was, te twijfelen. Daarnaast is van belang dat blijkens het rapport verzoeker ook steeds moest zoeken naar zijn kleding en deze niet meteen kon tonen. Gelet op het vorenoverwogene ziet de voorzieningenrechter niet in waarom verweerder gehouden was om getuigen te horen over de woonsituatie van verzoeker, meewegend dat in een aanvraag situatie als de onderhavige de bewijslast op verzoeker rust.

16.

Alle hiervoor weergeven omstandigheden bijeen wijzer er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op dat verzoeker, als opgegeven, verblijft in de woning aan de [adres 1].

17.

Nu niet is gebleken dat verzoeker woont op het door hem opgegeven adres en niet in geschil is dat verzoeker niet elders in verweerders gemeente verblijft, heeft hij daarmee naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanspraak op bijstand jegens verweerder. Naar voorlopig oordeel zal het bestreden besluit, wat van hetzelfde uitgangspunt uitgaat, in bezwaar daarom stand kunnen houden.

18.

Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

19.

De voorzieningenrechter ziet geen grond om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat het betaalde griffierecht aan verzoeker moet worden vergoed.

20.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. P. Mermer-Vardar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

1

1 Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschriften verzonden: